Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY3663

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-07-2006
Datum publicatie
12-07-2006
Zaaknummer
200508021/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 oktober 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Sint-Oedenrode (hierna: het college) [vergunninghouder] vrijstelling verleend voor het gebruik van de opstallen gelegen aan het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel), ten behoeve van een kinderdagverblijf.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 19
Besluit op de ruimtelijke ordening 1985
Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 20
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2006, 275 met annotatie van A.G.A. Nijmeijer
JOM 2009/217
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200508021/1.

Datum uitspraak: 12 juli 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te Sint-Oedenrode,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04/2586 van de rechtbank

's-Hertogenbosch van 28 juli 2005 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Sint-Oedenrode.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 10 oktober 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Sint-Oedenrode (hierna: het college) [vergunninghouder] vrijstelling verleend voor het gebruik van de opstallen gelegen aan het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel), ten behoeve van een kinderdagverblijf.

Bij besluit van 20 juli 2004 heeft het college het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 juli 2005, verzonden op 5 augustus 2005, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 14 september 2005, bij de Raad van State ingekomen op 15 september 2005, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 13 oktober 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 31 oktober 2005 heeft [vergunninghouder], die op de voet van artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in de gelegenheid is gesteld als partij aan het geding deel te nemen, een reactie ingediend.

Bij brief van 14 november 2005 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 mei 2006, waar appellanten in persoon, bijgestaan door K.W.H. Albert, advocaat te Boxtel, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.H.J. van Els, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord [vergunninghouder], vertegenwoordigd door mr. Y.A Breunesse, gemachtigde.

2.    Overwegingen

2.1.    Het geschil betreft de door het college verleende vrijstelling voor het gebruik van de op het perceel aanwezige opstallen ten behoeve van een kinderdagverblijf.

2.2.    Ingevolge artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen.

   Ingevolge artikel 20, aanhef en eerste lid, onder e, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (hierna: het Bro) komt voor de toepassing van artikel 19, eerste lid, van de wet in aanmerking een wijziging in het gebruik van opstallen in de bebouwde kom, mits het aantal woningen gelijk blijft en het gebruik niet meer omvat dan een bruto-vloeroppervlak van 1500 m².

2.2.1.    Op het gedeelte van het perceel waar zich de opstallen bevinden rust ingevolge het op het perceel van kracht zijnde bestemmingsplan "Kom Sint-Oedenrode, deel I" (hierna: het bestemmingsplan) de bestemming "Achtertuin".

   Ingevolge artikel 38, onder I, van de voorschriften van het bestemmingsplan is het verboden de in de artikelen 3 tot en met 37 bedoelde gronden en de zich daarop bevindende opstallen te gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de aan de grond gegeven bestemming.

2.2.2.    Op een ander deel van het perceel rust sinds het thans geldende bestemmingsplan "Centrum" de bestemming "Maatschappelijke doeleinden (kinderdagverblijf)" M (kdv).

   Ingevolge artikel 11, eerste lid, sub a onder 3, van de voorschriften van het op 19 november 2004 in werking getreden bestemmingsplan "Centrum" zijn de gronden op de plankaart aangewezen voor "Maatschappelijke doeleinden -M-" bestemd voor maatschappelijke voorzieningen en maatschappelijke dienstverlening, met de daarbij behorende bouwwerken en erven en in het bijzonder voor een kinderdagverblijf overeenkomstig de ter zake op de plankaart opgenomen aanduiding M (kdv).

2.3.    Appellanten betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het perceel buiten de bebouwde kom is gelegen en het college derhalve niet bevoegd was vrijstelling op grond van artikel 19, derde lid, van de WRO te verlenen. Appellanten stellen hiertoe dat de rechtbank ten onrechte van de verkeerstechnische of bestemmingsplantechnische omschrijving van het begrip bebouwde kom is uitgegaan.

   Dit betoog faalt. Blijkens onder meer de uitspraak van de Afdeling van 21 april 2004, no. 200305811/1 (BR 2004/ 754) betreft het begrip bebouwde kom een feitelijk begrip en is voor het antwoord op de vraag of sprake is van de bebouwde kom de aard van de omgeving maatgevend. Blijkens de in het dossier aanwezige stukken maakt het perceel deel uit van een gebied met samenhangende en aansluitende bebouwing. Derhalve heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het perceel gelegen is binnen de bebouwde kom. De omstandigheid dat het onderhavige perceel aan de rand van dit gebied is gelegen en er geen bebouwing is gelegen achter het perceel, maakt dit niet anders.

2.4.    Voorts betogen appellanten dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet bevoegd was vrijstelling ingevolge artikel 19, derde lid, van de WRO te verlenen nu vrijstelling wordt gevraagd voor het gebruik zonder dat bouwvergunning is gevraagd voor de verbouwing van de opstallen ten behoeve van dat gebruik. Appellanten verwijzen hierbij naar de uitspraken van de Afdeling van 20 november 2002, no. 200201687/1 (Gst 7193/156) en 23 april 2003, no. 200205228/1 (Gst 7196/185)

   Dit betoog slaagt. In onder meer de bovengenoemde uitspraak van de Afdeling van 20 november 2002 heeft de Afdeling geoordeeld dat de bevoegdheid tot het verlenen van vrijstelling krachtens artikel 19, derde lid, van de WRO in samenhang met artikel 20, eerste lid, aanhef en onder e, van het Bro, niet kan worden aangewend voor het oprichten van bebouwing waarvan het gebruik in strijd is met het bestemmingsplan. In het onderhavige geval zijn ten behoeve van het kinderdagverblijf onder meer een vluchttrap en een vluchtdeur geplaatst. Hiermee zijn aan het pand bouwvergunningplichtige werkzaamheden verricht ten behoeve van het gebruik als kinderdagverblijf. Nu voor voornoemde bouwwerkzaamheden geen bouwvergunning is aangevraagd of verleend kan naar het oordeel van de Afdeling geen vrijstelling worden verleend voor gebruik, dat slechts mogelijk is geworden door de bouw zonder bouwvergunning. De rechtbank heeft het voorgaande niet onderkend.

2.5.    In verband met het vorengaande komt de Afdeling aan hetgeen appellanten overigens hebben betoogd niet meer toe.

2.6.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling het door appellanten bij de rechtbank ingestelde beroep alsnog gegrond verklaren en het besluit van het college van 20 juli 2004 vernietigen.

2.7.    Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 28 juli 2005, Awb 04/2586;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Sint-Oedenrode van 20 juli 2004, 03/5642;

V.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Sint-Oedenrode tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van het hoger beroep en het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1353,04 (zegge: dertienhonderddrieënvijftig euro en vier cent), waarvan een gedeelte groot € 1288 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Sint-Oedenrode aan appellanten onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI.    gelast dat de gemeente Sint-Oedenrode aan appellanten het door hen voor de behandeling van het hoger beroep en het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 345,00 (zegge: driehonderdvijfenveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink    w.g. Lodder

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 juli 2006

17-503.