Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY3662

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-07-2006
Datum publicatie
12-07-2006
Zaaknummer
200509066/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 januari 2004 heeft appellant (hierna: het college) besloten [wederpartij] uit te schrijven uit de basisadministratie van de gemeente Den Haag door de vermelding van "met onbekende bestemming".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200509066/1.

Datum uitspraak: 12 juli 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04/4071 van de rechtbank 's-Gravenhage van 19 september 2005 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats]

en

appellant.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 6 januari 2004 heeft appellant (hierna: het college) besloten [wederpartij] uit te schrijven uit de basisadministratie van de gemeente Den Haag door de vermelding van "met onbekende bestemming".

Bij besluit van 13 augustus 2004 heeft het college het daartegen door [wederpartij] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 september 2005, verzonden op 26 september 2005, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en bepaald dat het college een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief van 31 oktober 2005, bij de Raad van State ingekomen op 1 november 2005, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 29 november 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 19 december 2005 heeft [wederpartij] van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van [wederpartij]. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 mei 2006, waar het college, vertegenwoordigd door R.J. van der Velde en R.H. de Roy van Zuydewijn, ambtenaren van de gemeente, is verschenen. [wederpartij] is, met bericht, niet verschenen.

Als getuige is K.H.M. van der Touw, ambtenaar van de gemeente, gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna: de Wet GBA) hebben de basisadministraties tot doel de afnemers te voorzien van de in artikel 34 bedoelde algemene gegevens, voor zover deze gegevens noodzakelijk zijn voor de vervulling van de taken van de afnemers.

   Ingevolge artikel 83, aanhef en onder d, van de Wet GBA wordt een beslissing van het college van burgemeester en wethouders om ambtshalve over te gaan tot inschrijving, of tot opneming van gegevens in het geval dat  inschrijving of opneming op grond van een aangifte had moeten geschieden gelijkgesteld met een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.

   Ingevolge artikel 107 van de Wet GBA wordt de ingezetene voor de toepassing van enig algemeen verbindend bestuursrechtelijk voorschrift, voor zover bij of krachtens de wet niet anders is bepaald, geacht zijn woonplaats te hebben op het woonadres dat is vermeld op zijn persoonslijst, behoudens bewijs van het tegendeel.

2.2.    In geschil is het oordeel van de rechtbank dat, nu het college in een besluit van 15 maart 2005 met betrekking tot herziening van zijn uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet, het standpunt heeft ingenomen dat [wederpartij] in ieder geval tot en met oktober 2003 woonachtig was op het adres [locatie 1] te [plaats], het besluit van 13 augustus 2004, waarin ervan is uitgegaan dat [wederpartij] in die periode niet op dat adres woonachtig was, niet in stand kan blijven.

2.3.    Ingevolge artikel 3 van de Wet GBA hebben de gemeentelijke basisadministraties tot doel de afnemers te voorzien van de daarin opgenomen algemene gegevens, voor zover deze noodzakelijk zijn voor de vervulling van hun taken. Hiermee is beoogd, enerzijds dat de basisadministratie beschikbaar moet zijn voor de organen binnen de publiekrechtelijke sector, en anderzijds dat deze organen de voor hen relevante algemene persoongegevens in beginsel dienen te ontlenen aan de basisadministratie (TK 1988-1989, 21 123, nr. 3, blz. 6). In overeenstemming hiermee is in artikel 107 van de Wet GBA bepaald dat de ingezetene voor de toepassing van enig algemeen verbindend voorschrift behoudens tegenbewijs geacht wordt zijn woonplaats te hebben op het woonadres dat is vermeld in de basisadministratie. Dit brengt mee dat de in de gemeentelijke basisadministratie opgenomen adresgegevens voor het college uitgangspunt dienen te zijn bij de uitvoering van zijn taken. Daarmee is in strijd dat in de aangevallen uitspraak, die betrekking heeft op de juistheid van de in de basisadministratie opgenomen adresgegevens, het oordeel over die juistheid wordt bepaald door hetgeen in een besluit van het college over de bijstandsuitkering van [wederpartij] omtrent diens woonplaats is overwogen. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte aan haar oordeel dat het besluit van 13 augustus 2004 niet in stand kan blijven, het in het besluit van 15 maart 2005 over het adres van [wederpartij] vermelde ten grondslag gelegd, nog daargelaten of in dat besluit een eenduidig standpunt over het woonadres van [wederpartij] is vervat.

2.4.    Het hoger beroep is gegrond. Hetgeen het college voor het overige in hoger beroep heeft aangevoerd, behoeft geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de beroepsgronden waar de rechtbank niet aan toe is gekomen, behandelen.

2.5.    Het besluit van 6 januari 2004, gehandhaafd in bezwaar, is gebaseerd op een onderzoek ingesteld door K.H.M. van der Touw (hierna: Van der Touw), ambtenaar van de dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de gemeente, bestaande uit een observatie van en een huisbezoek aan de woning [locatie 1]. Uit het verslag van het huisbezoek, dat later is aangevuld met gegevens van de observatie, blijkt dat Van der Touw op 30 oktober 2003 in de woning [locatie 1] drie Grieken heeft aangetroffen die bezig waren de woning te betrekken. Blijkens het verslag hebben de Grieken aan Van der Touw te kennen gegeven dat zij de woning huurden van [wederpartij]. Voorts staat in het aangevulde verslag dat Van der Touw in mei 2004 ter plaatse Afrikaanse dames heeft aangetroffen die verklaarden op [locatie 1] familiebezoek te komen afleggen.

2.6.    [wederpartij] voert aan dat het besluit van 13 augustus 2004 onvoldoende is gemotiveerd. Hij stelt dat het huisbezoek waarvan in de verslagen sprake is niet is afgelegd aan [locatie 1], maar aan [locatie 2] en dat de Afrikaanse mensen waarvan in het verslag sprake is, niet woonachtig waren op [locatie 1] maar op [locatie 3]. Ook stelt hij dat uit het verslag slechts kan worden opgemaakt dat de aangetroffen Grieken stelden de woning te huren van [wederpartij] en dat daar daarmee niet hijzelf, [wederpartij], doch zijn broer, [naam broer], die eigenaar is van de woningen [locatie 2], [locatie 3] en [locatie 4], wordt bedoeld. Voorts voert hij aan dat uit de waarnemingen van Van der Touw niet de conclusie kan worden getrokken dat hij niet woonachtig was op het adres [locatie 1].

2.7.    Uit de door Van der Touw ter zitting in hoger beroep afgelegde getuigenverklaring is de Afdeling gebleken dat Van der Touw goed bekend is met de situatie ter plaatse. De stelling dat Van der Touw de verkeerde woning heeft geobserveerd en bezocht, is dan ook op voorhand niet aannemelijk en bovendien niet met enige objectieve gegevens onderbouwd. Dat dit, zoals [wederpartij] stelt, blijkt uit de in de verslagen opgenomen beschrijving van de inrichting van de bezochte woning omdat die niet overeenkomt met de wijze waarop [wederpartij] de woning heeft ingericht, kan reeds niet als onderbouwing dienen nu deze weerlegging uitgaat van de juistheid van de visie van [wederpartij] op de betwiste feiten. Dat de in die woning aangetroffen Grieken de woning huurden van [broer] blijkt niet uit de onderzoeksverslagen en is overigens niet relevant. Niet in geschil is immers wie de woning [locatie 1] verhuurde, doch of [wederpartij] ten tijde in geschil woonachtig was op dat adres. Dat dit niet het geval was is voldoende aannemelijk gemaakt door de onderzoeksverslagen van Van der Touw, waarvan de inhoud overtuigend is bevestigd door de verklaring die deze ter zitting heeft afgelegd. De verklaringen die [wederpartij] heeft gegeven voor zijn eigen afwezigheid en de aanwezigheid van de Grieken in de woning doen daaraan niet af, nu deze niet eenduidig zijn. Voorts staat in de door [wederpartij] overgelegde brief van de wijkagent weliswaar dat [wederpartij] in de periode in geding regelmatig in de nabijheid van het adres [locatie 1] is waargenomen, maar tevens dat hij in de directe omgeving van dat adres werkzaam was. Ook deze brief maakt daarom niet aannemelijk dat [wederpartij], in weerwil van hetgeen door Van der Touw is waargenomen, ten tijde in geding op het adres [locatie 1] woonachtig was. Er is geen grond voor het oordeel dat het college niet heeft mogen overgaan tot de vermelding in de basisadministratie dat [wederpartij] met onbekende bestemming is vertrokken van het adres [locatie 1].

2.8.    Het bij de rechtbank ingestelde beroep dient alsnog ongegrond te worden verklaard.

2.9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 19 september 2005, AWB 04/4071;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Voorzitter, en mr. F.P. Zwart en mr. D. Roemers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.M. Mathot, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom    w.g. Mathot

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 juli 2006

413.