Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY3657

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-07-2006
Datum publicatie
12-07-2006
Zaaknummer
200600050/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 februari 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (hierna: het college) het verzoek van appellante om een voorrangsverklaring in het kader van woningtoewijzing te verlenen, toegewezen voor een woning met een oppervlakte van ten hoogste 30 vierkante meter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200600050/1.

Datum uitspraak: 12 juli 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. 05/2550 van de rechtbank Amsterdam van 10 november 2005 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 14 februari 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (hierna: het college) het verzoek van appellante om een voorrangsverklaring in het kader van woningtoewijzing te verlenen, toegewezen voor een woning met een oppervlakte van ten hoogste 30 vierkante meter.

Bij besluit, verzonden op 26 april 2005, heeft het college het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 november 2005, verzonden op 16 november 2005, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 23 december 2005, ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. De Centrale Raad van Beroep heeft het beroepschrift op grond van artikel 6:15, eerste lid, van de wet, doorgezonden naar de Afdeling alwaar het beroepschrift is ingekomen op 3 januari 2006. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 1 maart 2006 heeft het college van antwoord gediend.

Bij brief van 24 mei 2006 heeft het college een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 juni 2006, waar appellante in persoon, bijgestaan door mr. dr. G.P. Dayala, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door drs. M.M.C.A. Bensze, werkzaam bij de gemeente Amsterdam, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Appellante heeft op sociale gronden voorrang bij woningtoewijzing verkregen voor een woning met een oppervlakte van 30 vierkante meter. Zij is hiertegen opgekomen daar zij meent op medische gronden, in verband met de benodigde ruimte voor oefenapparatuur ten behoeve van haar gehandicapte linker arm, voor een woning van ongeveer 50 vierkante meter in aanmerking te komen.

   Zij betoogt dat de rechtbank ten onrechte geen onderzoek heeft ingesteld naar de noodsituatie van appellante voordat de rechtbank geconcludeerd heeft dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen medische en/of sociale redenen zijn aangevoerd op grond waarvan appellante met voorrang in aanmerking dient te komen voor een woning met een groter woonoppervlak. Dit standpunt kan volgens appellante niet worden gebaseerd op het rapport van de sociaal geneeskundige van de GG&GD van 8 april 2005, omdat deze haar niet heeft onderzocht. De rechtbank en het college hadden niet mogen voorbijgaan aan de verklaring van haar behandelend fysiotherapeut, die de noodzaak van het trainingsapparaat waarvoor een ruimte nodig is van minimaal 10 vierkante meter heeft onderschreven, aldus appellante.

2.1.1.    Er is geen grond voor het oordeel dat de rechtbank voorbijgegaan is aan de door appellante overgelegde verklaring van de fysiotherapeut. Aan deze verklaring is echter terecht niet de betekenis toegekend die appellante daaraan gehecht wenst te zien, nu daaruit, zoals de sociaal geneeskundige van de GG&GD in voormeld rapport heeft geconstateerd, geenszins valt af te leiden dat trainingsapparatuur die een hele kamer in beslag neemt medisch noodzakelijk is en daarvoor ook overigens geen aanknopingspunten zijn. Appellante heeft geen medisch rapport overgelegd op grond waarvan moet worden getwijfeld aan de juistheid van genoemd advies van de sociaal geneeskundige van de GG&GD. De rechtbank heeft het beroep terecht en op goede gronden ongegrond verklaard.

2.2.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.3.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Haverkamp, ambtenaar van Staat.

w.g. Bijloos    w.g. Haverkamp

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 juli 2006

306-440.