Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY3653

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-07-2006
Datum publicatie
12-07-2006
Zaaknummer
200510559/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 september 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (hierna: het college) de naam van appellant met ingang van 25 oktober 2004 onvoorwaardelijk doorgehaald op de lijst van ingeschrevenen voor een staanplaats op de zaterdag- en donderdagmarkt te Rotterdam West.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200510559/1.

Datum uitspraak: 12 juli 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. GEMWT 05/2212 van de rechtbank Rotterdam van 8 december 2005 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 3 september 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (hierna: het college) de naam van appellant met ingang van 25 oktober 2004 onvoorwaardelijk doorgehaald op de lijst van ingeschrevenen voor een staanplaats op de zaterdag- en donderdagmarkt te Rotterdam West.

Bij besluit van 18 april 2005 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 3 september 2004 gehandhaafd, met dien verstande dat de naam van appellant niet per 25 oktober 2004, maar per 1 januari 2006 werd doorgehaald.

Bij uitspraak van 8 december 2005, verzonden op 13 december 2005, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant  ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 28 december 2005, bij de Raad van State ingekomen op 29 december 2005, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 20 januari 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 17 februari 2006 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 mei 2006, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. M.A.M. Huijgens, werkzaam bij Schep Advocaten te Oud-Beijerland, en [gemachtigden] zijn verschenen. Voorts zijn verschenen het college, vertegenwoordigd door mr. S. de Wit, werkzaam bij de gemeente, en M.G.M. Meeuwsen, marktmeester te Rotterdam, A.M. Klapwijk, voormalig marktmeester te Rotterdam en C.H.M. van der Poel, manager markten te Rotterdam.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 1, onder a, van de Marktverordening wordt in deze verordening onder staanplaatshouder verstaan: ieder, aan wie door burgemeester en wethouders is toegestaan om gedurende de markt een staanplaats te bezetten.

   Ingevolge artikel 21 stellen burgemeester en wethouders ter uitvoering van deze verordening nadere regelen vast, welke in elk geval betrekking hebben op:

a. de uren, waarop markten worden gehouden;

b. het toewijzen en het bezetten van de staanplaatsen op de markten;

c. het vervangen op de staanplaatsen op de markt.

2.1.1.    Het Reglement op de Markten (hierna: het Reglement) voorziet in nadere regelgeving als bedoeld in artikel 21 van de Marktverordening.

   Ingevolge artikel 1, aanhef en onder c, van het Reglement wordt onder vaste plaatshouder verstaan: degene aan wie een vaste plaats is toegewezen.

   Ingevolge artikel 5, eerste lid, worden per markt en zonodig branchegewijs lijsten van ingeschrevenen opgemaakt, aan de hand waarvan burgemeester en wethouders staanplaatsen toewijzen.

   Ingevolge artikel 12, eerste lid, aanhef en onder c, worden op de lijsten genoemd in artikel 5 doorgehaald de namen van degenen die als vaste plaatshouder niet ten minste eenmaal per twee weken een plaats op de markt innemen, met dien verstande dat onder het niet innemen tevens wordt verstaan het voortijdig verlaten van de markt, een en ander tenzij door burgemeester en wethouders anders wordt bepaald.

   Ingevolge artikel 16, eerste lid, moet een staanplaats door de houder ervan persoonlijk worden ingenomen; hij mag deze derhalve niet aan een ander afstaan of in gebruik geven.

   Ingevolge artikel 29, aanhef en onder a, zijn burgemeester en wethouders bevoegd om de inschrijving op de lijsten als bedoeld in artikel 5 voor één of meer marktdagen voorwaardelijk of onvoorwaardelijk te schorsen, dan wel de op die lijsten vermelde namen voorwaardelijk of onvoorwaardelijk door te halen van degene die het bepaalde bij of krachtens de Marktverordening (het reglement daaronder begrepen) overtreedt.

2.2.    De naam van appellant is doorgehaald, omdat hij volgens het college niet voldoet aan het vereiste van persoonlijke plaatsbezetting.

2.3.    Appellant heeft aangevoerd dat de rechtbank een te beperkte uitleg geeft aan de term "persoonlijk staanplaats innemen". Naar zijn mening behoeft de staanplaatshouder niet zichtbaar op de staanplaats aanwezig te zijn.  

2.3.1.    De rechtbank heeft overwogen dat appellant zich zichtbaar dient op te stellen op zijn staanplaats. Zij volgt het college in zijn standpunt dat geen sprake meer is van persoonlijke plaatsvervulling indien appellant voornamelijk plaatsneemt in een achter de staanplaats geparkeerde auto en de feitelijke exploitatie grotendeels aan anderen overlaat. Daaraan kan volgens de rechtbank niet afdoen dat appellant vanuit deze geparkeerde auto ook nog wel - verkoopondersteunende -  werkzaamheden verricht.

2.3.2.    Zoals het college heeft uiteengezet, is de staanplaatsregeling in de Marktverordening en het Reglement ingegeven door het anciënniteitsbeginsel, dat inhoudt dat staanplaatshouders met een ouder recht doorstromen naar de betere plaatsen op de markt. Met het vereiste dat een staanplaats persoonlijk moet worden bezet, wordt beoogd te voorkomen dat staanplaatshouders zich aan dit systeem onttrekken door hun plaats af te staan aan anderen, bijvoorbeeld hun kinderen. Staanplaatshouders mogen zich ingevolge het Reglement ook niet zonder toestemming van het college laten vervangen.

   Gelet op het doel van artikel 16, eerste lid, van de Verordening, heeft het college zich op het standpunt mogen stellen dat een redelijke uitleg van deze bepaling met zich brengt dat de feitelijke exploitatie van de staanplaats in handen moet zijn van de houder ervan. Daaraan is niet voldaan indien de staanplaatshouder niet zichtbaar op de staanplaats aanwezig is, maar gedurende langere tijd verblijft in de cabine of in een auto in de buurt van de kraam.

   Het betoog slaagt derhalve niet.

2.4.    Appellant betoogt voorts tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte is uitgegaan van de juistheid van de aan het besluit tot doorhaling ten grondslag liggende rapportages van dienstdoende marktmeesters. De stukken bieden onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat de rapportages op onzorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen. Ook de verklaringen van de marktmeesters M.G.M. Meeuwsen en A.M. Klapwijk ter zitting van de Afdeling duiden op een zorgvuldige handelwijze. Zij hebben verklaard dat zij op een marktdag vele malen controles uitvoerden en bij het niet aantreffen van appellant even later teruggingen om opnieuw na te gaan of hij aanwezig was. De verklaringen ter zitting van de Afdeling van [gemachtigden] zijn niet in tegenspraak met de waarnemingen van de marktmeesters. Zij hebben verklaard dat zij appellant naar de markt brachten, dan wel er op toezagen dat hij werd gebracht, en dat twee van hen, zelf staanplaatshouders, op de zaterdagmarkt geregeld controleerden of appellant het goed maakte. Deze verklaringen doen op zichzelf niet af aan de constatering van de marktmeesters dat appellant herhaaldelijk niet, althans niet zichtbaar in de kraam aanwezig was en de staanplaats feitelijk door anderen werd ingenomen.        

2.5.    Uit het vorenstaande volgt dat het college terecht heeft geconcludeerd dat appellant herhaaldelijk niet heeft voldaan aan zijn verplichting tot persoonlijke plaatsvervulling. Het college was dan ook bevoegd om zijn naam met toepassing van artikel 29, aanhef en onder a, van het Reglement door te halen.

   De Afdeling deelt het oordeel van de rechtbank dat het college bij afweging van de betrokken belangen voldoende rekening heeft gehouden met de belangen van appellant. Daarbij merkt de Afdeling op dat het besluit tot doorhaling van zijn naam, anders dan appellant kennelijk meent, geen punitieve sanctie is. Met deze maatregel wordt niet beoogd appellant leed toe te voegen, maar om een einde te maken aan de inbreuk op het stelsel van toewijzing van staanplaatsen.

2.6.    De Afdeling overweegt ten slotte dat het besluit tot doorhaling van de naam van appellant, anders dan de rechtbank heeft overwogen, niet de intrekking van de aan appellant verleende vergunning behelst. In zoverre worden de overwegingen van de rechtbank dan ook niet overgenomen.

2.7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, met verbetering van de gronden waarop deze rust.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. Ch.W. Mouton, Leden, in tegenwoordigheid van mr. Y.C. Visser, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak    w.g. Visser

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 juli 2006

148.