Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY3652

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-07-2006
Datum publicatie
12-07-2006
Zaaknummer
200510421/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 maart 2004 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Zeeburg van de gemeente Amsterdam (hierna: het dagelijks bestuur) appellante onder aanzegging van bestuursdwang gelast het aan de Ertskade in het Oostelijk Havengebied van Amsterdam afgemeerde bedrijfsvaartuig […] uit de wateren van het stadsdeel Zeeburg te verwijderen en verwijderd te houden vóór 1 mei 2004.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200510421/1

Datum uitspraak: 12 juli 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04/4465 en 05/3831 van de rechtbank Amsterdam van 10 november 2005 in het geding tussen:

appellante

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Zeeburg van de gemeente Amsterdam.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 30 maart 2004 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Zeeburg van de gemeente Amsterdam (hierna: het dagelijks bestuur) appellante onder aanzegging van bestuursdwang gelast het aan de Ertskade in het Oostelijk Havengebied van Amsterdam afgemeerde bedrijfsvaartuig […] uit de wateren van het stadsdeel Zeeburg te verwijderen en verwijderd te houden vóór 1 mei 2004.

Bij besluit van 24 augustus 2004 heeft het dagelijks bestuur het tegen de aanzegging bestuursdwang door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 13 oktober 2004 heeft het dagelijks bestuur de aanvraag van appellante om een ligplaatsvergunning voor het bedrijfsvaartuig […] aan de Ertskade t/o 95 afgewezen.

Bij besluit van 19 juli 2005 heeft het dagelijks bestuur het tegen de weigering van een ligplaatsvergunning door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 november 2005, verzonden op 14 november 2005, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het tegen het besluit van 19 juli 2005 door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het tegen het besluit van 24 augustus 2004 door appellante ingestelde beroep heeft de rechtbank bij diezelfde uitspraak gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante, voorzover daarbij haar beroep tegen het besluit van 19 juli 2005 ongegrond is verklaard, bij brief van 22 december 2005, bij de Raad van State ingekomen op 23 december 2005, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 20 januari 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 22 februari 2006 heeft het dagelijks bestuur van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van zowel appellante als van het dagelijks bestuur. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 mei 2006, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. H.A. Sarolea, advocaat te Amsterdam, en [directeur] van appellante, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. E.G. Blees, mr. J.A. Stekelenburg, werkzaam bij het stadsdeel, en R. Staal, werkzaam bij de dienst Binnenwaterbeheer Amsterdam, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Appellante bestrijdt primair het oordeel van de rechtbank dat haar beroep op het vertrouwensbeginsel rechtens niet kan worden gehonoreerd. Zij betoogt dat zij voor een ligplaatsvergunning voor de […] aan de Ertskade op ligplaatsnummer 6 dan wel de voor de ligplaats "om de hoek" in aanmerking komt. Daartoe heeft appellante onder meer gewezen op een aantal gesprekken die tussen haar directeur en medewerkers van de dienst Binnenwaterbeheer Amsterdam (hierna: de dienst Binnenwaterbeheer) hebben plaatsgevonden en waarvan de bevindingen zijn vastgelegd in een rapport van 7 maart 2002, alsmede op een getuigenverklaring van W. Spoelstra, medewerker bij het gemeentelijk havenbedrijf.

2.1.1.    Dit betoog faalt. Niet is uitgesloten gezien de stukken en het verhandelde ter zitting, waaruit volgt dat partijen in het verleden veelvuldig overleg hebben gepleegd en oplossingen hebben gezocht voor problemen als gevolg van hun conflicterende belangen, dat bij appellante de hoop of verwachting is gaan leven dat de […] aan de Ertskade op nummer 6 dan wel "om de hoek" kon worden afgemeerd, maar dat is iets anders dan een uitdrukkelijke ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging van de zijde van het dagelijks bestuur dat aan appellante aldaar een ligplaatsvergunning is of zal worden verleend, waaraan zij het dagelijks bestuur in rechte zou kunnen houden. Van zodanige toezegging is in dit geval niet gebleken.

In dit verband acht de Afdeling mede van belang dat het appellante reeds vanaf de signalering van de […] aan de Ertskade (op ligplaats nummer 1) door de dienst Binnenwaterbeheer in november 2000 en het daarop uitgegane voornemen bestuursdwang van 6 juli 2001 duidelijk moest zijn dat verlening van een ligplaatsvergunning aan de Ertskade niet in het vooruitzicht lag, waar destijds reeds aan appellante te kennen was gegeven dat (een groot deel van) de Ertskade als een nieuwe locatie voor woonboten zou worden ingericht en de […] een bedrijfsvaartuig is.

   Anders dan appellante, kwalificeert de Afdeling de uitkomst van het door appellante aangehaalde overleg tussen haar directeur en de dienst Binnenwaterbeheer, waarin is afgesproken dat de […] kon worden verlegd naar de ligplaats "om de hoek" van de Ertskade en toen dit later niet mogelijk bleek in verband met het ontbreken van afmeermogelijkheden aldaar, naar de ligplaats op nummer 6 aan de Ertskade, dan ook niet anders dan als een tijdelijke noodoplossing ten voordele van appellante. Evenmin leest de Afdeling in de brief van 17 september 2001 van appellante aan de dienst Binnenwaterbeheer een bevestiging van een toezegging van deze dienst dat de […] ligplaats was vergund, reeds omdat hieruit blijkt dat louter een afspraak is gemaakt tot het verleggen en verhalen van het schip en dat het vergunnen van een ligplaats is besproken noch toegezegd.

   De Afdeling onderschrijft derhalve de conclusie van de rechtbank dat appellante zich niet met succes op het vertrouwensbeginsel kan beroepen.

2.2.    Subsidiair betoogt appellante dat de overweging van de rechtbank dat het dagelijks bestuur ten onrechte in de besluitvorming niet heeft beoordeeld of de door de […] uit te oefenen werkzaamheden of activiteiten watergebonden zijn, als bedoeld in artikel 2.7, derde lid, van de Verordening op de Haven en het Binnenwater 1995, ten onrechte niet heeft geleid tot vernietiging van de beslissing op bezwaar vanwege een motiveringsgebrek. Dit betoog faalt reeds omdat, zelfs indien sprake zou zijn van watergebonden activiteiten in het geval van de […], hetgeen hier in het midden kan blijven, dit ingevolge het op grond van het Besluit Instelling beëindiging vergunningverlening bedrijfsvaartuigen binnenstad en Havenatlasgebied van 17 december 1996 geldende stand-still beleid niet zou kunnen leiden tot vergunningverlening. De rechtbank heeft de beslissing op bezwaar van 19 juli 2005 dan ook terecht niet vernietigd om die reden.

2.3.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, voorzover aangevallen.

2.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Broodman, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Altena    w.g. Broodman

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 juli 2006

391.