Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY3648

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-07-2006
Datum publicatie
12-07-2006
Zaaknummer
200604062/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 mei 2006 heeft verweerder, voor zover thans van belang, aan verzoeker een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 10.1, derde lid, van de Wet milieubeheer, voorschrift F11 van de milieuvergunning en artikel 25, eerste lid, van de Afvalstoffenverordening gemeente Waterland 2004.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 5:32
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 10.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2006, 52K
JOM 2009/857
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200604062/1.

Datum uitspraak: 3 juli 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

en

college van burgemeester en wethouders van Waterland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 8 mei 2006 heeft verweerder, voor zover thans van belang, aan verzoeker een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 10.1, derde lid, van de Wet milieubeheer, voorschrift F11 van de milieuvergunning en artikel 25, eerste lid, van de Afvalstoffenverordening gemeente Waterland 2004.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt.

Bij brief van 27 mei 2006, bij de Raad van State ingekomen op 31 mei 2006, heeft verzoeker de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 19 juni 2006, waar verzoeker, bijgestaan door mr. L.M. van den Ende, advocaat te Purmerend, en verweerder, vertegenwoordigd door A.C. Arkesteijn-Dijksman, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    De aan verzoeker opgelegde last behelst dat uiterlijk 2 juni 2006 balen rottend hooi en bermmaaisel van zijn weilanden worden verwijderd en dat in totaal 916 balen van 165 kilogram bermmaaisel, dat door verweerder is aangemerkt als een afvalstof afkomstig van derden, uit de inrichting wordt afgevoerd naar een erkende afvalverwerker.

2.2.    Verzoeker stelt dat hij nimmer 916 balen bermmaaisel heeft geaccepteerd, doch dat sprake is van een partij natuurhooi dat is bedoeld om zijn dieren bij te voederen.

   Voorts voert hij aan dat de last om zo spoedig mogelijk doch uiterlijk 2 juni 2006 het bermmaaisel en hooi van zijn weilanden te hebben verwijderd, in strijd is met de Flora- en faunawet. De werkzaamheden moeten plaatsvinden in een kwetsbaar natuurgebied en kunnen leiden tot verstoring van zeldzame weidevogels. Hij verzoekt daarom de aan deze last verbonden begunstigingstermijn te verlengen tot 1 augustus 2006.

2.3.    De Voorzitter neemt aan dat verweerder, gezien de staat en de omvang van het hooi en bermmaaisel, op goede gronden heeft kunnen besluiten tot de gedwongen verwijdering daarvan van de weilanden en tot afvoer van 916 balen bermmaaisel naar een erkend afvalverwerker. De  gestelde begunstigingstermijn kan toereikend worden geacht om de last uit te kunnen voeren.

   Ter zitting is aannemelijk geworden dat de last om rottend hooi en bermmaaisel van de weilanden te verwijderen tijdens het broedseizoen, dat loopt van 15 maart tot 15 juli, verstoring van weidevogels kan veroorzaken. Daarmee is in de begunstigingstermijn geen rekening gehouden. In zoverre ziet de Voorzitter, mede gelet op het standpunt van verweerder ter zitting, aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening ten aanzien van de afvoer vanaf de weilanden. Gelet echter op de onderlinge samenhang in de last tussen de afvoer vanaf de weilanden en vanuit de inrichting, ziet de Voorzitter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen ten aanzien van de gehele last.

2.4.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Waterland van 8 mei 2006, 54203/i05.04263/r06.00022, wat de afloop van de begunstigingstermijn betreft;

II.    treft de voorlopige voorziening dat de begunstigingstermijn eindigt op 31 juli 2006;

III.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Waterland tot vergoeding van bij verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Waterland aan verzoeker onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IV.    gelast dat de gemeente Waterland aan verzoeker het door hem voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.A.G. Stolker, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen    w.g. Stolker

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2006

157-456.