Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY0407

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-07-2006
Datum publicatie
05-07-2006
Zaaknummer
200507813/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 augustus 2005 heeft verweerder aan [vergunninghouders]een vergunning, als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer, verleend voor een veehouderij, gelegen op de percelen [locatie 1 en 2] te Aalten. Dit besluit is op 25 augustus 2005 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 7.35
Wet milieubeheer 8.4
Wet arbeid vreemdelingen
Wet arbeid vreemdelingen 3
Wet arbeid vreemdelingen 7
Wet stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden
Wet stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2006/2430
JM 2006/121 met annotatie van Bokelaar
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200507813/1.

Datum uitspraak: 5 juli 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting "Stichting Natuur en Milieu Aalten", gevestigd te Aalten,

en anderen,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 10 augustus 2005 heeft verweerder aan [vergunninghouders]een vergunning, als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer, verleend voor een veehouderij, gelegen op de percelen [locatie 1 en 2] te Aalten. Dit besluit is op 25 augustus 2005 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 5 september 2005, bij de Raad van State ingekomen op 6 september 2005, beroep ingesteld.

Bij brief van 27 oktober 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 maart 2006, waar appellanten, vertegenwoordigd door [gemachtigde], werkzaam bij de stichting "Stichting Natuur en Milieu Aalten", bijgestaan door ir. A.K.M. van Hoof, en verweerder, vertegenwoordigd door drs. ing. C. den Hertog, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn als partij gehoord vergunninghouders, vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis.

2.    Overwegingen

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat de bij deze wetten doorgevoerde wetswijzigingen niet van toepassing zijn op het huidige geding.

   Op 1 december 2005 zijn de wet van 16 juli 2005, houdende wijziging van de Wet milieubeheer en de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Stb. 2005, 432), en het besluit van 8 oktober 2005, houdende wijziging van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (Stb. 2005, 527), in werking getreden. Nu het bestreden besluit vóór 1 december 2005 is genomen, moet dit worden beoordeeld aan de hand van het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wet en dit besluit.

2.2.    Bij het bestreden besluit heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer een revisievergunning verleend voor het houden van 200 melkkoeien, 121 stuks vrouwelijk jongvee, 1 paard, 15 pauwen, 10 damherten, 5.760 vleesvarkens (Groen Label BB 99.02.070 en BB 96.10.042-V1; biologische luchtwasser, hokoppervlak groter dan 0,8 m2), 1.280 vleesvarkens (Groen Label BB 99.06.076; chemische luchtwasser, hokoppervlak maximaal 0,8 m2 en 5.013 vleesvarkens (Groen Label BB 99.06.076; chemische luchtwasser, hokoppervlak groter dan 0,8 m2) en verder voor onder meer het hygiëniseren van mest, het maken van brijvoer en voor het opslaan van bijproducten, mengvoer, droge voerproducten, brandstoffen, reinigingsmiddelen, diergeneesmiddelen, zuren en kunst- en dierlijke mest.

   Voor de inrichting is eerder bij besluit van 30 mei 1995 krachtens de Wet milieubeheer een revisievergunning verleend voor onder meer het houden van 135 melk- en kalfkoeien, 19 stuks jongvee, 16 zoogkoeien, 1 paard, 15 pauwen, 10 damherten, 7.000 vleesvarkens (Groen Label BB 93.11.011/A 95.04.24; hokoppervlak maximaal 0,8 m2) en 4.500 vleesvarkens (Groen Label BB 93.11.011/A 95.04.24 met luchtwassysteem, hokoppervlak groter dan 0,8 m2). Vast staat dat deze vergunning van rechtswege is vervallen voor zover het de laatstgenoemde 4.500 vleesvarkens betreft.

2.3.    Appellanten voeren aan dat het milieu-effectrapport (hierna: het MER) niet voldoet omdat daarin de aspecten ammoniak en stankhinder te beperkt zijn bezien. Wat ammoniak betreft, is volgens appellanten ten onrechte volstaan met een toets aan de hand van de Wet ammoniak en veehouderij (hierna: de Wav). Appellanten voeren aan dat de bouwvergunningen die nodig zijn voor de realisering van de bij voornoemde vergunning uit 1995 vergunde veranderingen niet zijn verleend, zodat verweerder er bij zijn beoordeling aan de hand van artikel 7 van de Wav ten onrechte van is uitgegaan dat die vergunning in werking is getreden. Zij wijzen op artikel 3, vierde lid, van de Wav, waaruit volgens hen volgt dat deze wet in dit geval voor de beoordeling van de ammoniakemissie van de aangevraagde activiteiten en de gevolgen daarvan niet het exclusieve beoordelingskader vormt en dat bij de beoordeling daarvan rekening moet worden gehouden met hetgeen uit een MER hieromtrent volgt. Nu in het onderhavige geval in het MER geen aandacht is besteed aan de gevolgen van de ammoniakemissie op andere natuurgebieden dan alleen de gebieden die ingevolge de Wav als kwetsbaar worden aangemerkt, is het MER, bezien in het licht van artikel 3, vierde lid, van de Wav, volgens hen in zoverre zinledig.

   Wat het aspect stankhinder betreft is volgens appellanten in het MER ten onrechte volstaan met een toets aan de Wet stankemissie in landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden (hierna: de Wet stankemissie). Overigens is volgens appellanten in het MER uitgegaan van een te lage inschatting van de geuremissie afkomstig uit de brijvoerinstallatie en van het hygiëniseren van mest.

2.3.1.    Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wav betrekt het bevoegd gezag bij beslissingen inzake de vergunning voor de oprichting of verandering van een veehouderij de gevolgen van ammoniakemissie uit de tot de veehouderij behorende dierenverblijven uitsluitend op de wijze die is aangegeven bij of krachtens de artikelen 4 tot en met 7.

   Ingevolge artikel 3, vierde lid, van de Wav geldt het eerste lid - onverminderd artikel 7 - niet bij het nemen van een besluit als bedoeld in artikel 7.35 van de Wet milieubeheer met betrekking tot een veehouderij, bij de voorbereiding waarvan krachtens hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer een milieu-effectrapport dient te worden gemaakt.

2.3.2.    In het MER is het aspect ammoniak bezien aan de hand van het beoordelingskader van de Wav. Blijkens de stukken zijn, anders dan appellanten veronderstellen, voor de realisering van de bij de vergunning uit 1995 vergunde veranderingen geen bouwvergunningen nodig, zodat de vergunning uit 1995 in werking is getreden. Onder deze omstandigheid wordt, blijkens de stukken, voldaan aan de voorwaarden van artikel 7 van de Wav. Dit leidt ertoe dat, anders dan appellanten veronderstellen, uit artikel 3, vierde lid, van de Wav, in samenhang met artikel 7 van de Wav, volgt dat de gevraagde vergunning niet in verband met de gevolgen van de ammoniakemissie uit de tot de inrichting behorende dierenverblijven kon worden geweigerd. In zoverre kon in dit geval in het MER, wat het aspect ammoniak betreft, worden volstaan met een toets aan de hand van het beoordelingskader van de Wav.

   De vanwege het in werking zijn van de inrichting te duchten stankhinder is, anders dan appellanten veronderstellen, in het MER niet slechts bezien aan de hand van de Wet stankemissie, maar ook aan de hand van de Richtlijn veehouderij en stankhinder 1996 en de brochure Veehouderij en Hinderwet 1985, en aan de hand van het Gelders geurbeleid. De beroepsgrond mist in zoverre feitelijke grondslag. Voor het overige is door appellanten niet aannemelijk gemaakt dat in het MER is uitgegaan van een te lage inschatting van de geuremissie afkomstig uit de brijvoerinstallatie en van het hygiëniseren van mest.

   Er is, gezien het vorenstaande, alsmede gelet op de omstandigheid dat de Commissie voor de milieu-effectrapportage in haar toetsingsadvies van 20 december 2004 over het MER heeft geoordeeld dat daarin de essentiële informatie aanwezig is, geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat het MER op voornoemde punten toereikend is.

2.4.    Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel, zoals dat vóór 1 december 2005 luidde, worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voor zover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

   Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

   Bij de toepassing van artikel 8.10, eerste lid, en artikel 8.11, zoals dat vóór 1 december 2005 luidde, van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.5.    Appellanten betogen dat het bestreden besluit zich niet verdraagt met het Besluit luchtkwaliteit 2005. Zij voeren aan dat niet zeker is dat de grenswaarde voor de vierentwintig-uurgemiddelde concentratie voor zwevende deeltjes niet reeds meer dan 35 maal per jaar wordt overschreden.

2.5.1.    In artikel 7, eerste lid, van het Besluit luchtkwaliteit 2005 is, voor zover hier van belang, bepaald dat bestuursorganen bij de uitoefening van bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, de in paragraaf 2 genoemde grenswaarden voor zwevende deeltjes in acht moeten nemen.

   In artikel 20 van het Besluit luchtkwaliteit 2005 is, voor zover hier van belang, een grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van zwevende deeltjes (PM10) gesteld van 40 microgram per kubieke meter, en een grenswaarde voor de vierentwintig-uurgemiddelde concentratie van 50 microgram per kubieke meter, waarbij geldt dat deze maximaal vijfendertig maal per kalenderjaar mag worden overschreden.

2.5.2.    Niet in geschil is dat de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van zwevende deeltjes in acht wordt genomen. Blijkens het bestreden besluit wordt de grenswaarde voor de vierentwintig-uurgemiddelde concentratie van zwevende deeltjes in de directe omgeving van de inrichting, ook met het in werking zijn van de bij het bestreden besluit vergunde inrichting, niet meer dan 35 maal per kalenderjaar overschreden. Appellanten hebben geen argumenten naar voren gebracht die aanleiding geven om te twijfelen aan de juistheid van de gegevens die verweerder bij zijn berekeningen heeft gebruikt. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de door appellanten in dit verband overgelegde nadere stukken geen betrekking hebben op gegevens over de directe omgeving van de inrichting. Ook overigens is niet gebleken dat de berekeningen van verweerder, en de uitkomsten daarvan, onjuist zouden zijn. Daarom moet worden geconcludeerd dat het Besluit luchtkwaliteit 2005 in zoverre niet in de weg staat aan vergunningverlening.

2.6.    Appellanten stellen dat de geluidgrenswaarden die zijn gesteld in de aan de vergunning verbonden voorschriften niet naleefbaar zijn. Zij voeren aan dat er in het van de aanvraag deel uitmakende akoestisch rapport van 20 augustus 2004, nummer 03-046, van het adviesbureau "Adviesbureau Van der Boom" (hierna: het rapport), ten onrechte van is uitgegaan dat de stalventilatoren van de varkensstallen in de avond- en nachtperiode altijd met een lager toerental draaien dan in de dagperiode. Vooral tijdens warme perioden in de zomer zullen de ventilatoren volgens appellanten ook 's avonds en 's nachts op volle toeren moeten draaien. Verder is volgens hen in het rapport het geschreeuw van varkens en biggen en het geluid van de motoren van vrachtwagens tijdens het laden en lossen, alsmede het geluid van manoeuvrerende bestel- en personenauto's op het terrein van de inrichting, ten onrechte niet meegenomen. Ook is in het rapport het tonale karakter van het geluid van de laad- en loslift van de vrachtwagens miskend. Ten slotte voeren appellanten aan dat in het rapport is uitgegaan van onjuiste gegevens omtrent de duur van het lossen van biggen en de afvoer van mest.

2.6.1.    Ingevolge voorschrift 2.1 mag het langtijdgemiddeld geluidniveau veroorzaakt door geluidbronnen binnen de inrichting ter plaatse van de gevels van enige niet tot de inrichting behorende woning van derden of andere geluidgevoelige bestemming niet meer bedragen dan 40 dB(A), 35 dB(A) en 30 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.

   Ingevolge voorschrift 2.2 mag het maximale geluidniveau veroorzaakt door geluidbronnen binnen de inrichting ter plaatse van de gevels van enige niet tot de inrichting behorende woning van derden of andere geluidgevoelige bestemming niet meer bedragen dan 70 dB(A), 65 dB(A) en 60 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.

2.6.2.    Hetgeen appellanten aanvoeren omtrent het in het rapport gehanteerde toerental van de stalventilatoren, biedt geen grond voor het oordeel dat als gevolg van het in werking zijn van de bij het bestreden besluit vergunde ventilatoren niet voldaan kan worden aan de gestelde geluidgrenswaarden.

   Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat in het rapport als uitgangspunt is gehanteerd, dat in de stallen A en B in de inrichting de ventilatoren gedurende de avond- en de nachtperiode draaien op respectievelijk 70 en 50 procent van het maximale toerental gedurende de dagperiode, uitgaande van een warme zomerdag. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting zijn de stallen A en B de ziekenboeg van de inrichting, zodat dit uitgangspunt de Afdeling niet onaannemelijk voorkomt. Voor alle overige stallen is er in het rapport van uitgegaan dat de ventilatoren continu op een vast toerental draaien, zodat de beroepsgrond van appellanten in zoverre feitelijke grondslag mist.

   De Afdeling ziet voorts in hetgeen appellanten betogen omtrent het laden en lossen van respectievelijk vleesvarkens en biggen en de daarmee samenhangende geluidproductie, gelet op het rapport alsmede op de relatief korte duur van het gebruik van de laad- en loslift, de afgeschermde ligging van de laad- en losplaatsen en de afstand tussen deze laad- en losplaatsen en de dichtstbijgelegen woning op het perceel [locatie 3], geen grond voor het oordeel dat als gevolg van deze activiteiten niet kan worden voldaan aan de gestelde geluidgrenswaarden. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat in het rapport de geluidemissie, veroorzaakt door het laden en lossen is gemodelleerd op basis van geluidmetingen die ter plaatse zijn verricht tijdens het lossen van biggen, waarbij derhalve alle tijdens deze activiteit voorkomende geluiden zijn meegenomen. Het in het rapport gehanteerde uitgangspunt dat de geluidproductie van de bestel- en personenauto's op het terrein van de inrichting verwaarloosbaar is, acht de Afdeling, onder meer gelet op het karakter van inrichting, niet onaannemelijk. In het rapport is als uitgangspunt gehanteerd dat het lossen van biggen steeds 1,5 uur duurt. Dit stemt overeen met hetgeen in de aanvraag hierover is vermeld, zodat de beroepsgrond in zoverre feitelijke grondslag mist. In het rapport is er verder van uitgegaan dat het afvoeren van mest uit de inrichting 30 minuten per dag duurt, terwijl deze activiteit volgens de aanvraag 3 uur per dag in beslag neemt. Uit door verweerder overgelegde stukken, die door appellanten op dit punt niet zijn bestreden, volgt echter dat ook indien wordt uitgegaan van een duur van 3 uur per dag, wordt voldaan aan de gestelde geluidgrenswaarden. Deze beroepsgrond faalt.

2.7.    Appellanten voeren aan dat realisering van de bij het bestreden besluit vergunde veranderingen van de inrichting zullen leiden tot visuele hinder en aantasting van landschappelijke waarden.

   De vraag of zich visuele hinder of aantasting van landschappelijke waarden voordoet komt primair aan de orde in het kader van planologische regelingen. Daarnaast blijft in het kader van vergunningverlening krachtens de Wet milieubeheer ruimte voor een aanvullende milieuhygiënische toets. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat zich niet zodanige visuele hinder dan wel aantasting van landschappelijke waarden voordoet dat dit zou moeten leiden tot het weigeren van de vergunning of tot het stellen van nadere voorschriften.

2.8.    Appellanten betogen dat het bestreden besluit in strijd is met de Richtlijn 96/61 van de Raad van de Europese Unie van 24 september 1996 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (hierna: de IPPC-richtlijn).

   Zij voeren aan dat de aangevraagde en vergunde stalsystemen voor vleesvarkens, vanwege het hoge energieverbruik en het (met zuren) verontreinigde afvalwater, niet zijn gebaseerd op de beste beschikbare technieken volgens het "Reference Document on Best Available Techniques for Intensive Rearing of Poultry and Pigs" (hierna: het BREF-document). Verweerder is er volgens appellanten overigens ten onrechte vanuit gegaan dat de bestaande, te veranderen stallen pas in 2007 behoeven te voldoen aan de beste beschikbare technieken.

   Appellanten betogen dat door de bij het bestreden besluit vergunde activiteiten, wat stankhinder betreft, een belangrijke verontreiniging wordt veroorzaakt. De Wet stankemissie, op grond waarvan de gevraagde vergunning in dit geval niet in verband met stankhinder kan worden geweigerd, kan volgens hen ook in zoverre niet worden beschouwd als een correcte implementatie van de IPPC-richtlijn. Aan de vergunning zijn voorts niet de voorschriften verbonden die, wat stankhinder betreft, een hoog niveau van bescherming garanderen. Appellanten voeren aan dat toepassing van de Wet stankemissie, die volgens hen niet is gebaseerd op algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten, er toe kan leiden dat ernstige geurhinder optreedt, zodat moet worden geconcludeerd dat deze wet in zoverre niet is gericht op het bereiken van een hoog niveau van bescherming. In dit verband voeren zij ook aan dat toepassing van de Wet stankemissie kan leiden tot een verslechtering van de bescherming tegen stankemissie ten opzichte van het beoordelingskader van de Richtlijn veehouderij en stankhinder 1996 en de brochure Veehouderij en Hinderwet 1985. Verder is de stanknormering van de Wet stankemissie volgens hen soepeler dan het beleid op basis waarvan de geuremissie van andersoortige inrichtingen wordt beoordeeld. Zij voeren verder aan dat de Wet stankemissie, in strijd met de IPPC-richtlijn, geen beoordeling vergt van de cumulatie van stankhinder, zodat deze wet ook in zoverre niet kan worden beschouwd als een correcte implementatie van de IPPC-richtlijn. In het onderhavige geval leidt de toepassing van de Wet stankemissie er volgens appellanten toe dat de woning van [appellant] op het perceel [locatie 3] wordt blootgesteld aan ernstige geurhinder. Nu sprake is van een toename van de geuremissie uit de inrichting ten opzichte van de onderliggende vigerende vergunning, zou de gevraagde vergunning, indien het beoordelingskader van de Richtlijn veehouderij en stankhinder 1996 in samenhang met de brochure Veehouderij en Hinderwet 1985 zou worden gehanteerd, (deels) dienen te worden geweigerd. Verder is een aantal woningen in de omgeving van de inrichting, bezien aan de hand van het beoordelingskader van het rapport "Beoordeling cumulatie stankhinder door intensieve veehouderij" (Publicatiereeks Lucht 46; hierna: het cumulatierapport), cumulatief overbelast.

2.8.1.    Ingevolge artikel 12, tweede lid, van de IPPC-richtlijn treffen de Lid-Staten de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat een door de exploitant beoogde belangrijke wijziging in de exploitatie van de installatie in de zin van artikel 2, punt 10, niet geschiedt zonder een vergunning overeenkomstig deze richtlijn. De aanvraag van een vergunning en het besluit van de bevoegde autoriteiten moeten betrekking hebben op de delen van de installatie en de in artikel 6 opgesomde punten waarop de wijziging van invloed kan zijn. De desbetreffende voorschriften van de artikelen 3 en 6 tot en met 10 en artikel 15, leden 1, 2 en 4, zijn van overeenkomstige toepassing.

   Ingevolge artikel 2, aanhef en onder 3, wordt in de IPPC-richtlijn onder "installatie" verstaan: een vaste technische eenheid waarin een of meer van de in bijlage I genoemde activiteiten en processen alsmede andere daarmee rechtstreeks samenhangende activiteiten plaatsvinden, die technisch in verband staan met de op die plaats ten uitvoer gebrachte activiteiten en die gevolgen kunnen hebben voor de emissies en de verontreiniging.

   Ingevolge artikel 2, aanhef en onder 10, wordt in de IPPC-richtlijn verstaan onder:

a) 'wijziging van de exploitatie': een wijziging van de kenmerken of de werking, of een uitbreiding van de installatie die gevolgen voor het milieu kan hebben.

b) 'belangrijke wijziging': een wijziging in de exploitatie die volgens de bevoegde autoriteit negatieve en significante effecten kan hebben op mens of milieu. In de zin van deze definitie wordt elke wijziging of uitbreiding van een exploitatie geacht belangrijk te zijn, indien de wijziging of uitbreiding voldoet aan de in bijlage I genoemde drempelwaarden, voor zover deze bestaan.

   In artikel 9, derde lid, van de IPPC-richtlijn is bepaald dat de vergunning emissiegrenswaarden voor de verontreinigende stoffen bevat, met name die van bijlage III, die in significante hoeveelheden uit de betrokken installatie kunnen vrijkomen, gelet op hun aard en hun potentieel voor overdracht van verontreiniging tussen milieucompartimenten (water, lucht en bodem). Voorts is bepaald dat de vergunning, zo nodig, passende voorschriften bevat ter bescherming van bodem en grondwater, en maatregelen voor het beheer van de door de installatie voortgebrachte afvalstoffen. De grenswaarden kunnen volgens dit artikellid, zo nodig, worden aangevuld of vervangen door gelijkwaardige parameters of gelijkwaardige technische maatregelen. Voor de installaties van rubriek 6.6 van bijlage I wordt bij de overeenkomstig dit artikellid vastgestelde emissiegrenswaarden rekening gehouden met de aan die categorieën installaties aangepaste praktische regelingen.

   In artikel 9, vierde lid, van de IPPC-richtlijn is bepaald dat onverminderd artikel 10 de emissiegrenswaarden, de parameters en de gelijkwaardige technische maatregelen, bedoeld in het derde lid, zijn gebaseerd op de beste beschikbare technieken, zonder dat daarmee het gebruik van een bepaalde techniek of technologie wordt voorgeschreven, met inachtneming van de technische kenmerken en de geografische ligging van de betrokken installatie, alsmede de plaatselijke milieuomstandigheden. Voorts bepaalt dit artikellid dat de vergunningvoorwaarden in ieder geval de bepalingen bevatten betreffende de minimalisering van de verontreiniging over lange afstand of van de grensoverschrijdende verontreiniging en een hoog niveau van bescherming van het milieu in zijn geheel waarborgen.

   In artikel 9, achtste lid, van de IPPC-richtlijn is bepaald dat onverminderd de verplichting tot instelling van een vergunningprocedure overeenkomstig deze richtlijn de Lid-Staten voor bijzondere categorieën installaties bijzondere verplichtingen kunnen vaststellen in dwingende algemene voorschriften en niet in vergunningvoorwaarden, mits een geïntegreerde aanpak en een even hoog niveau van bescherming van het milieu in zijn geheel zijn gewaarborgd.

2.8.2.    De bij het bestreden besluit verleende vergunning heeft betrekking op het houden van onder meer 12.053 vleesvarkens. Deze dieren zullen worden gehuisvest in een nieuwe stal en in twee bestaande, te veranderen stallen. Vast staat dat de inrichting, vanwege voornoemd aantal vleesvarkens, gelet op artikel 1 van de IPPC-richtlijn in samenhang bezien met bijlage I, onder 6.6, aanhef en onder b, van de IPPC-richtlijn, onder de werkingssfeer van de IPPC-richtlijn valt. Wat de vleesvarkensstallen betreft is naar het oordeel van de Afdeling sprake van een vaste technische eenheid als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder 3, van de IPPC-richtlijn, zodat sprake is van één installatie in de zin van de IPPC-richtlijn. De Afdeling stelt verder vast dat het gaat om een bestaande installatie als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder 4, van de IPPC-richtlijn. Bij het bestreden besluit is vergunning verleend voor het veranderen van de inrichting door deze uit te breiden met onder meer 5.053 vleesvarkens. Nu deze uitbreiding voldoet aan de in bijlage I, onder 6.6, aanhef en onder b, van de IPPC-richtlijn, genoemde drempelwaarde, is sprake van een belangrijke wijziging in de exploitatie van de installatie als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder 10, onder b, van de IPPC-richtlijn.

   Uit het vorenstaande volgt dat behalve voor de aangevraagde nieuwe vleesvarkenstal, anders dan verweerder heeft verondersteld, ook voor de aangevraagde aanpassing van de bestaande vleesvarkensstallen slechts een vergunning mag worden verleend waarin emissiegrenswaarden zijn opgenomen, gebaseerd op de beste beschikbare technieken, die met onmiddellijke ingang gelden.

2.8.3.    De artikelen 8.10 en 8.11, tweede en derde lid, van de Wet milieubeheer (oud) bieden de ruimte om te beslissen op een aanvraag om een vergunning met toepassing van die wet, waarbij geldt dat de vergunning de emissiegrenswaarden en/of gelijkwaardige parameters of gelijkwaardige technische maatregelen bevat, die zijn gebaseerd op de beste beschikbare technieken en waarbij de technische kenmerken en de geografische ligging van de betrokken installatie en de plaatselijke milieuomstandigheden in acht zijn genomen.

2.8.4.    In juli 2003 is door de Europese Commissie het "Reference Document on Best Available Techniques for Intensive Rearing of Poultry and Pigs" (hierna: het BREF-document) bekend gemaakt. In dit BREF-document is onder meer bepaald welke stalsystemen voor vleesvarkens voldoen aan de eis van de beste beschikbare technieken in de zin van de IPPC-richtlijn.

   De bij het bestreden besluit verleende veranderingsvergunning heeft onder meer betrekking op het Groen Labelstalsysteem met nummer BB 99.06.076: chemisch luchtwassysteem met 95% emissiereductie en op het Groen Labelstalsysteem met nummers BB 99.02.070 en BB 96.10.042-V1: biologische luchtwasser 70%. Deze systemen - nageschakelde technieken ter beperking van de ammoniakemissie - komen wat de werking en de te behalen milieuvoordelen betreft respectievelijk overeen met de in het BREF-document opgenomen systemen 4.6.5.2 en 4.6.5.1. Verweerder heeft uiteengezet dat de systemen in dit geval kunnen worden beschouwd als de beste beschikbare technieken. Daarbij heeft hij onder meer gesteld dat het met deze systemen te behalen ammoniakvoordeel, te weten een reductie van de uitstoot met respectievelijk 95% en 70% in dit geval opweegt tegen de nadelen van de systemen, te weten een hoog energieverbruik en - voor het chemisch luchtwassysteem - het van het systeem afkomstige afvalwater. Ter beperking van de nadelige gevolgen voor het milieu van het energiegebruik en het afvalwater heeft verweerder voorschriften aan de vergunning verbonden. Appellanten hebben, gezien het vorenstaande, niet aannemelijk gemaakt dat, wat deze aspecten betreft, in dit geval niet aan de beste beschikbare technieken wordt voldaan. Er bestaat derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat de vergunde stalsystemen zijn gebaseerd op de beste beschikbare technieken.

2.8.5.    Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wet stankemissie betrekt het bevoegd gezag bij beslissingen inzake de vergunning voor het oprichten of veranderen van een veehouderij die geheel of gedeeltelijk is gelegen in een landbouwontwikkelingsgebied, verwevingsgebied of een extensiveringsgebied met het primaat natuur waarvoor een reconstructieplan is bekendgemaakt, de stankhinder uitsluitend op de wijze die is aangegeven bij of krachtens de artikelen 3 tot en met 6.

   Ingevolge artikel 2, tweede lid, van de Wet stankemissie geldt het eerste lid niet voor voorschriften die worden gesteld met toepassing van de artikelen 8.11, 8.44, 8.45 of 8.46 van de Wet milieubeheer.

   Vast staat dat de inrichting is gelegen in een gebied waarvoor ten tijde van het nemen van het bestreden besluit een reconstructieplan was bekendgemaakt. De emissie van stank uit de tot de inrichting behorende dierenverblijven en de mestverwerkingsinstallatie dient derhalve te worden beoordeeld aan de hand van de Wet stankemissie. Niet in geschil is dat de gevraagde vergunning op grond van deze wet niet vanwege de emissie van stank uit de tot de inrichting behorende dierenverblijven en mestverwerkingsinstallatie kan worden geweigerd.

2.8.6.    Gelet op artikel 9, achtste lid van de IPPC-richtlijn mogen voor bijzondere categorieën installaties bijzondere verplichtingen worden vastgesteld in dwingende algemene voorschriften en niet in vergunningsvoorwaarden, mits een geïntegreerde aanpak en een even hoog niveau van bescherming van het milieu in zijn geheel zijn gewaarborgd. De bepalingen van de Wet stankemissie kunnen, wat de preventie en de beperking van verontreiniging door geuremissie met inachtneming van de geografische ligging en de plaatselijke milieuomstandigheden betreft, als zodanig dwingende algemene voorschriften worden beschouwd indien bij de toepassing van deze bepalingen een geïntegreerde aanpak en een even hoog niveau van bescherming van het milieu in zijn geheel zijn gewaarborgd.

2.8.7.    De werkingssfeer van de Wet stankemissie is beperkt tot veehouderijen die zijn gelegen in een landbouwontwikkelingsgebied, een verwevingsgebied of een extensiveringsgebied met het primaat natuur waarvoor een reconstructieplan is bekendgemaakt. De bepalingen van de Wet stankemissie stellen voor deze specifieke categorie van inrichtingen ter voorkoming dan wel voldoende beperking van de geuremissie bijzondere verplichtingen, die erin bestaan dat - kort weergegeven - minimale afstanden dienen te worden aangehouden tussen de emissiepunten van een mestverwerkingsinstallatie of dierenverblijf in een inrichting en de buitenzijde van voor stank gevoelige objecten van verschillende categorieën in de omgeving daarvan. De minimaal aan te houden afstanden zijn afhankelijk van enerzijds de omvang van het veebestand en de wijze waarop de dieren in de inrichting worden gehouden en anderzijds van de categorie-indeling van het desbetreffende voor stank gevoelige object, die wordt bepaald aan de hand van de intensiteit en de wijze van het gebruik van het object alsmede van de ligging daarvan ten opzichte van andere bebouwingen en de aard van de omgeving. Verder biedt artikel 2, tweede lid, van de Wet stankemissie de mogelijkheid om met toepassing van artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer (oud), voorschriften te stellen ter (verdere) beperking van de stankemissie.

   De omstandigheid dat de bij het bestreden besluit verleende revisievergunning, ingeval de aanvraag zou zijn beoordeeld aan de hand van de Richtlijn veehouderij en stankhinder 1996 en de brochure Veehouderij en Hinderwet 1985 en het cumulatierapport, wegens enkelvoudige en cumulatieve overbelasting van een of meer voor stankgevoelige objecten (gedeeltelijk) zou hebben moeten worden geweigerd, is niet relevant, omdat uit de IPPC-richtlijn niet volgt dat een niveau van bescherming zou moeten worden gegarandeerd zoals dat is vervat in de Richtlijn veehouderij en stankhinder 1996, in combinatie met de brochure Veehouderij en Hinderwet 1985, en in het cumulatierapport. Evenmin kan worden volgehouden dat om die reden in dit geval een belangrijke verontreiniging wordt veroorzaakt. Verder overweegt de Afdeling dat, reeds omdat de hedonische waarde van de geuremissie van een veehouderij kan verschillen van de hedonische waarden van de geuremissie van andersoortige inrichtingen, een vergelijking van de stanknormering die volgt uit de bepalingen van de Wet stankemissie en de normering in het beleid aan de hand waarvan de geuremissie van andersoortige inrichtingen kan worden beoordeeld, in dit verband niet van betekenis is.

   De Afdeling ziet, gezien het vorenstaande, geen grond voor het oordeel dat de bepalingen van de Wet stankemissie niet een even hoog niveau van bescherming tegen stankhinder waarborgen, waarbij de geografische ligging van de inrichting alsmede de plaatselijke milieuomstandigheden in acht zijn genomen, als bij een beoordeling van de aanvraag, wat stankhinder betreft, uitsluitend aan de hand van de Wet milieubeheer. Verder verzet de Wet stankemissie, onder meer gelet op het feit dat deze de vergunningplicht ingevolge de Wet milieubeheer onverlet laat, zich niet tegen een geïntegreerde aanpak zoals die is voorgeschreven in de IPPC-richtlijn.

2.8.8.    Er is, gelet op al het vorenstaande, geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit zich niet zou verdragen met de IPPC-richtlijn.

2.9.    Het beroep is ongegrond.

2.10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, Voorzitter, en mr. P.C.E. van Wijmen en mr. W.D.M. van Diepenbeek, Leden, in tegenwoordigheid van mr. W.G. Timmerman, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Kreveld    w.g. Timmerman

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2006

431