Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY0402

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-07-2006
Datum publicatie
05-07-2006
Zaaknummer
200508147/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 september 2004 heeft de Minister van Verkeer en Waterstaat (hierna: de Minister) geweigerd appellant een ontheffing te verlenen voor het gebruik van bus- en vluchtstroken op de A6 en de A27 in het beheersgebied van de dienstkring Lelystad-Randmeren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200508147/1.

Datum uitspraak: 5 juli 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats], handelend onder de naam Eco Mobility Services,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/275 van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 9 augustus 2005 in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Verkeer en Waterstaat.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 15 september 2004 heeft de Minister van Verkeer en Waterstaat (hierna: de Minister) geweigerd appellant een ontheffing te verlenen voor het gebruik van bus- en vluchtstroken op de A6 en de A27 in het beheersgebied van de dienstkring Lelystad-Randmeren.

Bij besluit van 10 januari 2005 heeft de Minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar gegrond verklaard, voor wat het gebruik van busbanen betreft en voor het overige ongegrond.

Bij uitspraak van 9 augustus 2005, verzonden op 15 augustus 2005, heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 21 september 2005, bij de Raad van State ingekomen op 22 september 2005, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 30 januari 2006 heeft de Minister van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 mei 2006, waar appellant in persoon en de Minister, vertegenwoordigd door mr. J.W. Oosting, werkzaam bij het Directoraat-Generaal Rijkswaterstaat, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna: het RVV 1990) wordt in dit besluit en de daarop berustende bepalingen verstaan onder:

b.     autobus: motorvoertuig, ingericht voor het vervoer van meer dan acht personen, de bestuurder daaronder niet begrepen;

j.     busbaan: rijbaan waarop het woord "BUS" of "LIJNBUS" is aangebracht;

k.     busstrook: door doorgetrokken of onderbroken strepen gemarkeerd gedeelte van de rijbaan waarop het woord "BUS" of "LIJNBUS" is aangebracht;

v.     lijnbus: motorvoertuig, gebezigd voor het verrichten van openbaar vervoer in de zin van de Wet peronenvervoer 2000.

       Ingevolge artikel 43, derde lid, van het RVV 1990 is het de weggebruikers, behoudens in noodgevallen, verboden op een autosnelweg of autoweg gebruik te maken van de vluchtstrook, de vluchthaven of de berm.

       Ingevolge artikel 81 van het RVV 1990 mogen busbanen en busstroken waarop het woord "BUS" is aangebracht slechts worden gebruikt door bestuurders van een lijnbus en bestuurders van een autobus. Busbanen en busstroken waarop het woord "LIJNBUS" is aangebracht mogen slechts worden gebruikt door bestuurders van een lijnbus.

       Ingevolge artikel 87 van het RVV 1990 kan door het bevoegd gezag ontheffing worden verleend van onder meer artikel 43 en de verkeerstekens genoemd in onder meer artikel 81.

2.2.    Appellant drijft een onderneming voor ongeregeld personenvervoer per touringcar en taxi. Hij is voornemens om vervoer per touringcar aan te bieden voor het woon-werkverkeer van Almere naar Amsterdam. Bij besluit van 6 september 2004 heeft de Minister hem vergunning voor collectief personenvervoer als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Wet personenvervoer 2000 verleend voor het verrichten van besloten busvervoer.

2.3.    In geding is de weigering van de Minister om ten behoeve van het voorgenomen personenvervoer per touringcar ontheffing te verlenen van het verbod om gebruik te maken van vluchtstroken en lijnbusbanen en -stroken.

2.4.    Appellant heeft aangevoerd dat de rechtbank er ten onrechte vanuit is gegaan dat de Minister terughoudend gebruik maakt van de mogelijkheid om ontheffing te verlenen voor het rijden op de lijnbusbaan of -strook. Anders dan de Minister heeft doen voorkomen, is volgens appellant de openstelling van de lijnbusbaan voor shuttlebussen en personenwagens gedurende de periode van werkzaamheden aan de Gaasperdammerweg, ten gevolge waarvan ernstige verkeershinder werd verwacht, niet een tijdelijke maatregel geweest. De werkzaamheden zijn inmiddels voltooid, maar de personenauto's gebruikt door [partij] mogen nog steeds gebruik maken van de lijnbusbaan. Van een terughoudend gebruik is dan ook geen sprake, aldus appellant.

2.4.1.    [partij] is een project, waarbij in een aantal luxe personenauto's dagelijks forensen naar en van hun werk in Amsterdam worden gebracht. Voor het gebruik van de lijnbusbaan door auto's van [partij] heeft de Minister geen ontheffing verleend, omdat hij deze auto's beschouwt als lijnbussen in de zin van het RVV 1990 en ontheffing derhalve niet nodig is.

   Daargelaten of deze aan de auto's van [partij] gegeven kwalificatie juist is, moet worden geoordeeld dat in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen grond kan worden gevonden voor het oordeel dat de Minister niet het beleid voert om slechts in uitzonderingssituaties ontheffing te verlenen voor het rijden op een lijnbusbaan. Nu de Minister geen ontheffing ten behoeve van [partij] heeft verleend, kan appellant aan het gebruik van de lijnbusbaan door [partij] geen aanspraak ontlenen op een ontheffing als bedoeld in artikel 87 van het RVV 1990. Het betoog slaagt derhalve niet.

2.5.    Appellant bestrijdt verder het oordeel van de rechtbank dat het beleid van de Minister ten aanzien van het gebruik van vluchtstroken niet onredelijk is te achten. Volgens hem veronderstelt de rechtbank ten onrechte dat met het stellen van het criterium dat alleen openbaar vervoer voor ontheffing van het verbod van artikel 43, derde lid, van het RVV 1999 in aanmerking kan komen, voldoende verbetering van bereikbaarheid wordt bereikt zonder de verkeersveiligheid in gevaar te brengen. Uit de plannen van de Minister voor rekeningrijden en de aanleg van snelwegen door natuurgebieden blijkt dat die bereikbaarheid nog niet voldoende is, aldus appellant.

2.5.1.     In de aangevallen uitspraak is overwogen dat het onderscheid dat de Minister maakt tussen openbaar en besloten collectief personenvervoer een redelijk en objectief gerechtvaardigd onderscheid is. Het levert naar het oordeel van de rechtbank een objectief criterium op omdat het van toepassing is op allen die ontheffing vragen voor het rijden op de vluchtstrook. Gezien de noodzaak tot het verbeteren van de bereikbaarheid van de Randstad en economische centra met het openbaar vervoer, acht de rechtbank het toegepaste criterium voorts redelijk. Zij acht het criterium deugdelijk en geschikt, omdat daardoor naar haar oordeel verondersteld mag worden dat voldoende verbetering van bereikbaarheid wordt bereikt zonder de verkeersveiligheid in gevaar te brengen.

2.5.2.    De Afdeling onderschrijft dit oordeel van de rechtbank. Door lijnbussen bij filevorming toe te laten op vluchtstroken, wordt de bereikbaarheid van de economische centra en de regelmaat van het openbaar vervoer binnen de Randstad bevorderd. De Minister is gebleken dat hierdoor de verkeersveiligheid niet in gevaar wordt gebracht, mits is voldaan aan een aantal voorwaarden, waaronder de beperking van het aantal bussen tot ongeveer 30 per uur en de voorwaarde dat vluchtstroken alleen bij zeer ernstige congesties worden gebruikt. Dat de Minister daarnaast ook andere mogelijkheden onderzoekt om de bereikbaarheid van de economische centra te vergroten, betekent niet dat ten aanzien van het gebruik van de vluchtstroken een onredelijk beleid wordt gevoerd. Het belang van de verkeersveiligheid staat aan een ongelimiteerd gebruik van vluchtstroken in de weg en er is geen grond voor het oordeel dat de Minister het aantal bussen dat per uur van een vluchtstrook gebruik mag maken, met het oog op die veiligheid, niet mag beperken tot ongeveer 30. Er is evenmin grond voor het oordeel dat de Minister het belang van een goede doorstroming van het openbaar vervoer niet heeft mogen laten prevaleren boven het belang van ander - zakelijk - verkeer. Het betoog van appellant slaagt derhalve niet.  

2.6.    Appellant bestrijdt voorts het oordeel van de rechtbank dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden die nopen tot afwijking van het beleid. Hij heeft in dat verband aangevoerd dat de Minister in afwijking van zijn beleid ook personenauto's van [partij] op vluchtstroken toelaat.

2.6.1.    De Minister heeft gesteld dat het [partij] project is opgezet als proef om te bezien of de verkeersintensiteit kan worden verbeterd. Onderdeel van deze proef is dat auto's van [partij] op de vluchtstrook worden toegelaten.

2.6.2.    Het door appellant voorgenomen vervoer kan niet op een lijn worden gesteld met het [partij] project, reeds omdat [partij] een proef betreft. De Afdeling heeft voorshands onvoldoende reden om aan te nemen dat deze proef, die volgens de Minister op 31 december 2006 eindigt, van onbeperkte duur zal zijn. De Afdeling sluit overigens niet uit dat het vervoer dat [partij] aanbiedt, anders dan appellant heeft betoogd, openbaar vervoer in de zin van de Wet personenvervoer 2000 is. In ieder geval is dit vervoer nauw gelieerd aan het openbaar vervoer, nu het project mede door de concessiehouder, Connexxion, wordt vormgegeven. In zoverre verschilt dit vervoer ook van dat waarop de aanvraag van appellant betrekking heeft.

   In hetgeen appellant heeft aangevoerd bestaat daarom geen grond voor het oordeel dat de rechtbank niet tot de conclusie heeft kunnen komen dat de Minister niet gehouden was van zijn beleid af te wijken. Het betoog van appellant slaagt niet.      

2.7.     Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. Ch.W. Mouton, Leden, in tegenwoordigheid van mr. Y.C. Visser, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak    w.g. Visser

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2006

148.