Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY0397

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-07-2006
Datum publicatie
05-07-2006
Zaaknummer
200507743/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 december 2004 heeft de gemeenteraad van Utrecht, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 5 oktober 2004, het bestemmingsplan "Hoek Overste den Oudenlaan" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2006/179
M en R 2007, 74 met annotatie van K.D. Jesse
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200507743/1.

Datum uitspraak: 5 juli 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting "Stichting Stedenbouwkundig Herstel Utrecht" en de vereniging "Bewoners Overleg City Project", beide gevestigd te Utrecht,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Utrecht,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 9 december 2004 heeft de gemeenteraad van Utrecht, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 5 oktober 2004, het bestemmingsplan "Hoek Overste den Oudenlaan" vastgesteld.

Verweerder heeft bij besluit van 28 juni 2005, no. 2005REG001508i, beslist over de goedkeuring van het plan.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 3 september 2005, bij de Raad van State ingekomen op 5 september 2005, beroep ingesteld.

Bij brief van 1 december 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken van appellanten en verweerder ontvangen. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 april 2006, waar appellanten, vertegenwoordigd door G. Cats en drs. C. van Oosten (hierna: Van Oosten), werkzaam bij het Bureau Rechtsbescherming te Utrecht, en verweerder, vertegenwoordigd door ing. P.A. Regter en J. de Rooij, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen. Voorts is de gemeenteraad, vertegenwoordigd door mr. M.A.A. Soppe, advocaat te Enschede, drs. S.G.R. de Boer, A.M.M. Baggen en W. van Gelder, ambtenaren van de gemeente, daar gehoord. Voorts is als partij gehoord de stichting "Nationale Stichting tot Exploitatie van Casinospelen in Nederland", vertegenwoordigd door mr. W.J.B. Claassen-Dales en ir. J.E.J. Dakhorst.

2.    Overwegingen

Ontvankelijkheid

2.1.    Het betoog van de gemeenteraad dat het beroep niet-ontvankelijk is, omdat Van Oosten, die het beroepschrift heeft ondertekend, niet tot het instellen van het beroep is gemachtigd, faalt. Uit het overgelegde uittreksel uit het handelsregister, gelezen in samenhang met artikel 8.1 van de statuten van de stichting "Stichting Stedenbouwkundig Herstel Utrecht", blijkt dat Van Oosten bevoegd is om namens de stichting beroep in te stellen. Voorts is een toereikende machtiging van de voorzitter en een ander bestuurslid van de vereniging "Bewoners Overleg City Project" overgelegd.

Overgangsrecht

2.2.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

Toetsingskader

2.3.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Bestemmingsplan

2.4.    Blijkens de plantoelichting is in het bestemmingsplan door middel van een voorlopige bestemming voorzien in een voorlopig gebruik van de grond als casino om, in afwachting van de verplaatsing van het Holland Casino naar het Stationsgebied, de voorzetting van de activiteiten van dit casino tijdelijk mogelijk te maken. Na verloop van vijf jaar na de vaststelling van het plan zal de voorlopige bestemming worden vervangen door de definitieve bestemming "Jaarbeursdoeleinden (J)", aldus de toelichting.

2.4.1.    Het plangebied ligt aan de westzijde van het Merwedekanaal en grenst aan het Stationsgebied, dat ten oosten van dat kanaal ligt. Het plangebied wordt gevormd door het bestaande terrein van het Holland Casino, gelegen op de hoek van de Overste den Oudenlaan en de Admiraal Helfrichlaan. Blijkens de toelichting sluit de in het plan voorziene definitieve bestemming zoveel mogelijk aan bij de omgeving van het plangebied, rekening houdend met de diverse ontwikkelingen.

Reikwijdte bestreden besluit

Standpunt van appellanten

2.5.    Appellanten stellen dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan, omdat daarmee wordt vooruitgelopen op de plannen voor het Stationsgebied. Zij vrezen dat de op vermaak gerichte plannen voor dat gebied zich tot het plangebied zullen gaan uitstrekken en achten het plan in zoverre in strijd met de Structuurvisie Utrecht 2015-2030, de Ruimtelijke visie Merwedekanaal en het Masterplan Stationsgebied.

Oordeel van de Afdeling

2.5.1.    Deze bezwaren zijn in wezen gericht tegen de plannen voor het Stationsgebied en dienen, aangezien in deze procedure uitsluitend het besluit tot goedkeuring van het bestemmingsplan "Hoek Overste den Oudenlaan" voorligt, thans buiten beschouwing te blijven.

Strategische milieubeoordeling

Standpunt van appellanten

2.6.    Voorts stellen appellanten dat ten onrechte geen milieubeoordeling, als bedoeld in de Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's (hierna: SMB-richtlijn), is uitgevoerd.

Oordeel van de Afdeling

2.6.1.    Daargelaten de vraag of een rechtstreeks beroep op de SMB-richtlijn kan worden gedaan, is de verplichting tot het uitvoeren van een milieubeoordeling, ingevolge artikel 13, derde lid, van de SMB-richtlijn, van toepassing op plannen en programma's waarvoor de eerste formele voorbereidende handeling plaatsvindt na 21 juli 2004, dan wel plannen en programma's waarvoor de eerste formele voorbereidende handeling vóór deze datum plaatsvindt en die later dan vierentwintig maanden na dat tijdstip worden aangenomen of ingediend ten behoeve van wetgeving. In aanmerking genomen dat de openbare kennisgeving van het ontwerp-bestemmingsplan op 30 juni 2004 heeft plaatsgevonden en het plan op 9 december 2004 is vastgesteld, is de SMB-richtlijn niet van toepassing, zodat hieruit geen verplichting voortvloeit een milieubeoordeling uit te voeren.

Milieueffectrapport

Standpunt van appellanten

2.7.    Appellanten stellen verder dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan, omdat het daaraan ten grondslag gelegde milieueffectrapport (hierna: MER) Holland Casino is gebaseerd op gegevens uit het MER 1e fase Stationsgebied, dat voor het Stationsgebied, waarvan het plangebied geen deel uitmaakt, is opgesteld. Voorts betogen zij dat in het MER Holland Casino enkel de milieugevolgen van de tijdelijke vestiging van het casino zijn beoordeeld en ten onrechte niet is bezien welke milieugevolgen de bestemming "Jaarbeursdoeleinden (J)" heeft.

Standpunt van verweerder

2.7.1.    Verweerder heeft het plan niet in strijd met het recht of een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft het goedgekeurd. Volgens verweerder heeft het gemeentebestuur bij de voorbereiding van het plan, voor zover dat op het gebruik van de grond als casino betrekking heeft, op juiste wijze invulling gegeven aan de plicht een MER te maken. Ter zitting heeft hij zich voorts op het standpunt gesteld dat voor de definitieve bestemming "Jaarbeursdoeleinden (J)" geen m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt, omdat geen sprake is van een toeristische of recreatieve voorziening, die jaarlijks meer dan 250.000 bezoekers trekt.

Vaststelling van de feiten

2.7.2.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.7.3.    Ingevolge artikel 5, onder A, sub 1, van de voorschriften zijn de op de plankaart voor "Casino" aangewezen gronden gedurende een periode van vijf jaar na de vaststelling van het bestemmingsplan bestemd voor een gebruik als casino.

   Ingevolge artikel 6, onder A, sub 1, zijn de op de plankaart voor "Jaarbeursdoeleinden (J)" aangewezen gronden na verloop van vijf jaar nadat het bestemmingsplan is vastgesteld bestemd voor Jaarbeursgebouwen en daarbij behorende kantoren.

   Ingevolge artikel 2, voor zover van belang, wordt onder Jaarbeursgebouwen verstaan gebouwen voor het bedrijfsmatig exploiteren van bedrijfshallen ten behoeve van veilingen, handelsbemiddeling, vakbeurzen en trademarkt.

2.7.4.    Ingevolge artikel 7.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer (hierna: Wm), gelezen in samenhang met artikel 2, eerste lid, van het Besluit milieueffectrapportage 1994, zoals gewijzigd bij Besluit van 7 mei 1999, (hierna: gewijzigd Besluit m.e.r. 1994) en bijlage-onderdeel C, onder 10.1, van dit besluit, voor zover hier van belang, is het opstellen van een milieueffectrapport voor de aanleg van een recreatieve of toeristische voorziening verplicht indien de activiteit betrekking heeft op een voorziening die 500.000 bezoekers of meer per jaar aantrekt. Deze verplichting is gekoppeld aan de vaststelling van het ruimtelijk plan dat als eerste in de mogelijke aanleg voorziet.

   Ingevolge artikel 7.4, eerste lid, van de Wm, gelezen in samenhang met artikel 2, tweede lid, van het gewijzigd Besluit m.e.r. 1994 en bijlage-onderdeel D, onder 10.1 van dit besluit, voor zover hier van belang, is de aanleg van een recreatieve of toeristische voorziening aangewezen als een activiteit ten aanzien waarvan een milieueffectbeoordeling verplicht is, indien de activiteit betrekking heeft op een voorziening die 250.000 bezoekers of meer per jaar aantrekt. Deze verplichting is gekoppeld aan de vaststelling van het ruimtelijk plan dat als eerste in de mogelijke aanleg voorziet.

   Blijkens de Nota van Toelichting bij het gewijzigd Besluit m.e.r. 1994 behoren tot deze voorzieningen onder andere grootschalige voorzieningen voor manifestaties, evenementen en tentoonstellingen.

   In de artikelen 7.12 tot en met 7.15 van de Wm is voorgeschreven hoe het MER moet worden voorbereid.

   Ingevolge artikel 7.16 van de Wm vinden de artikelen 7.12 tot en met 7.15 geen toepassing indien degene die het MER zou moeten maken, reeds beschikt over een MER, opgesteld overeenkomstig het bij of krachtens dat hoofdstuk bepaalde, en in dat MER als alternatief de activiteit is beschreven, waarop het besluit betrekking heeft, bij de voorbereiding waarvan het MER moet worden gemaakt.

2.7.5.    Bij besluit van 7 juli 1999 is met toepassing van de in artikel 17 van de WRO neergelegde vrijstellingsbevoegdheid, voor vijf jaar vergunning verleend voor de vestiging van het Holland Casino op de hoek van de Overste den Oudenlaan en de Admiraal Helfrichlaan, aan welke grond de bestemming "Industrie" was toegekend.

2.7.6.    Tussen partijen is niet in geding dat het plan als eerste in het gebruik van de grond als casino voorziet en dat voor deze voorziening, omdat deze jaarlijks meer dan 500.000 bezoekers trekt, het opstellen van een MER verplicht is.

2.7.7.    Ten behoeve van het bestemmingsplan is in opdracht van het gemeentebestuur het MER Holland Casino van 4 maart 2004 gemaakt. Daarbij is met toepassing van artikel 7.16 van de Wm de zogenoemde verkorte m.e.r.-procedure gevolgd. Het MER Holland Casino is een aanvulling op het MER 1e fase Stationsgebied, waarin met de definitieve vestiging van het casino rekening is gehouden.

   Volgens het toetsingsadvies van de Commissie voor de milieueffectrapportage van 3 mei 2004 geeft het MER Holland Casino een dusdanig inzicht in de milieueffecten van het casino dat het aan de besluitvorming ten grondslag kan worden gelegd.

2.7.8.    Blijkens het verhandelde ter zitting is de capaciteit van de locatie voldoende voor 560.000 bezoekers per jaar. Voorts is ter zitting komen vast te staan dat bij de voorbereiding van het plan geen onderzoek naar het aantal te verwachten bezoekers van de Jaarbeurs is gedaan.

Oordeel van de Afdeling

2.7.9.    Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat bij de voorbereiding van het onderhavige bestemmingsplan met toepassing van de in artikel 7.16 van de Wm neergelegde procedure gebruik kon worden gemaakt van de gegevens uit het reeds beschikbare MER 1e fase Stationsgebied. De activiteit, waarop het bestemmingsplan betrekking heeft, is in het MER 1e fase Stationsgebied beschreven, waarbij ten volle is ingegaan op de van een dergelijk casino te verwachten milieueffecten. Voorts is in het MER Holland Casino bezien in hoeverre de al beschikbare milieu-informatie uit het MER 1e fase Stationsgebied bruikbaar is voor het onderhavige bestemmingsplan. Aldus is in voldoende mate inzichtelijk gemaakt wat de gevolgen zijn voor het milieu van de vestiging van het casino op de in het plan voorziene locatie.

   Gelet op de ruimte die de Wm op dit punt laat, bestaat voorts geen grond voor het oordeel dat verweerder zich in dit geval niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen alternatieve locaties in beschouwing hoefden te worden genomen. Daarbij is van belang dat het hier om het tijdelijk als zodanig bestemmen van een reeds bestaande voorziening gaat. Voorts is voldoende aannemelijk gemaakt dat het Holland Casino binnen een afzienbare termijn naar het Stationsgebied zal worden verplaatst, zodat ook daarom een onderzoek naar alternatieve locaties niet in de rede ligt. Gelet op het vorenstaande is het plan in zoverre niet in strijd met artikel 7.2, eerste lid, van de Wm, in samenhang met artikel 2 van het gewijzigd Besluit m.e.r. 1994 en bijlage-onderdeel C, onder 10.1, van dit besluit en artikel 7.16 van de Wm vastgesteld.

2.7.10.    Het bestemmingsplan is het eerste ruimtelijk plan, als bedoeld in het gewijzigd Besluit m.e.r. 1994, dat voorziet in het gebruik van de grond als Jaarbeurs.

   De bestemmingsregeling voor deze grond, zoals neergelegd in artikel 6 van de voorschriften, gelezen in samenhang met artikel 2, rechtvaardigt niet de conclusie dat de bestemming "Jaarbeursdoeleinden (J)" geen activiteit mogelijk maakt die betrekking heeft op een toeristische of recreatieve voorziening die 500.000 bezoekers of meer per jaar aantrekt. Ook de verwijzing door verweerder naar de plantoelichting, voor zover daarin staat vermeld dat het houden van grote evenementen in de vorm van manifestaties van het toegestane gebruik is uitgesloten, is niet toereikend voor de conclusie dat sprake is van een voorziening, waarvan het aantal bezoekers de drempelwaarden, als genoemd in de bijlagen C en D, behorend bij het gewijzigd Besluit m.e.r. 1994, niet zal overschrijden. Aan de plantoelichting komt immers geen bindende betekenis toe. Voorts is in aanmerking genomen dat ten behoeve van de besluitvorming geen onderzoek naar het aantal te verwachten bezoekers is gedaan en de capaciteit van de locatie voldoende is om 560.000 bezoekers per jaar te ontvangen. De Afdeling merkt bovendien nog op dat ook indien het houden van grote evenementen in de vorm van manifestaties niet zou zijn toegestaan, dit niet uitsluit dat door het houden van andere evenementen, al dan niet in combinatie met elkaar, meer dan 250.000 respectievelijk 500.000 bezoekers of meer per jaar zullen worden aangetrokken. Het standpunt van verweerder dat de met de bestemming "Jaarbeursdoeleinden (J)" toegestane activiteiten niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig zijn, is dan ook niet deugdelijk gemotiveerd.

Luchtkwaliteit

Standpunt van appellanten

2.8.    Appellanten stellen in beroep voorts dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het bestemmingsplan, omdat niet aan de luchtkwaliteiteisen kan worden voldaan. Zij betwisten daartoe gemotiveerd de berekeningen die ten grondslag zijn gelegd aan de conclusie van verweerder dat de grenswaarden voor de jaargemiddelde concentraties van stikstofdioxide en zwevende deeltjes als gevolg van het gebruik van de grond als casino niet worden overschreden.

Standpunt van verweerder

2.8.1.    Verweerder heeft het plan niet in strijd met het Besluit luchtkwaliteit 2005 (hierna: Blk 2005) geacht en heeft het goedgekeurd. Volgens het bestreden besluit heeft een herberekening van de gegevens uit de tabellen van het MER Holland Casino uitgewezen dat de jaargemiddelde concentraties van stikstofdioxide en zwevende deeltjes de grenswaarden niet overschrijden.

Vaststelling van de feiten

2.8.2.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.8.3.    Ingevolge artikel 7, eerste lid, van het Blk 2005, welk besluit met terugwerkende kracht tot 4 mei 2005 in werking is getreden, nemen bestuursorganen bij de uitoefening van bevoegdheden dan wel bij de toepassing van wettelijke voorschriften die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, de in paragraaf 2 genoemde grenswaarden voor onder meer stikstofdioxide en zwevende deeltjes in acht.

   Ingevolge artikel 7, tweede lid, aanhef en onder c, van het Blk 2005, voor zover hier van belang, wordt hier in ieder geval de bevoegdheid als bedoeld in artikel 28 van de WRO onder begrepen.

    Ingevolge artikel 7, derde lid, aanhef en onder a, van het Blk 2005 kunnen bestuursorganen de bevoegdheden, bedoeld in het eerste lid, in afwijking van dat lid, mede uitoefenen indien de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van de uitoefening van die bevoegdheden per saldo verbetert of tenminste gelijk blijft.

   Ingevolge artikel 15, eerste lid, onder b, van het Blk 2005 geldt voor stikstofdioxide een grenswaarde van 40 microgram per m³ als jaargemiddelde concentratie, uiterlijk op 1 januari 2010, en een grenswaarde van 200 microgram per m³ als uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal achttien maal per kalenderjaar mag worden overschreden.

   Ingevolge artikel 20 van het Blk 2005 gelden voor zwevende deeltjes de volgende grenswaarden: 40 microgram per m³ als jaargemiddelde concentratie en 50 microgram per m³ als vierentwintig-uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal vijfendertig maal per kalenderjaar mag worden overschreden.

2.8.4.    Zoals hiervoor is overwogen, is bij besluit van 7 juli 1999 met toepassing van de in artikel 17 van de WRO neergelegde vrijstellingsbevoegdheid voor een termijn van vijf jaar vergunning verleend voor de vestiging van het Holland Casino op de hoek van de Overste den Oudenlaan en de Admiraal Helfrichlaan. Omdat die termijn in 2004 zou verstrijken, is, zoals blijkt uit de plantoelichting, het bestemmingsplan vastgesteld teneinde de voortzetting van de activiteiten van het casino van een planologische basis te voorzien.

2.8.5.    Volgens het MER Holland Casino blijkt uit onderzoek naar de luchtkwaliteit dat voor verschillende wegen rondom het casino sprake is van een overschrijding van de grenswaarden voor stikstofdioxide en zwevende deeltjes. Indien rekening wordt gehouden met een groter aantal casinobezoekers dan waarvan in het MER 1e fase Stationsgebied was uitgegaan, zullen de intensiteit en daarmee ook de immissie en emissie op de Overste den Oudenlaan in de huidige situatie met 20% en in 2010 met 12% toenemen. Op de overige wegen, waaronder de Admiraal Helfrichlaan, zal een toename met 25%, respectievelijk 10% plaatsvinden, aldus het MER Holland Casino.

   Ten behoeve van de behandeling van het beroep tegen de verlening van een vergunning, als bedoeld in de Wm, voor het oprichten en in werking hebben van het Holland Casino is op 13 juli 2005 het rapport "Luchtrapportage Holland Casino" opgesteld. Volgens dat rapport is sprake van een overschrijding van de grenswaarde voor de vierentwintig-uurgemiddelde concentratie van zwevende deeltjes met meer dan 35 maal per kalenderjaar en leiden de extra bezoekers in 2004 tot een beperkte toename van die overschrijding. Het overzicht van de berekende blootstellingsconcentraties ter plaatse van de Overste den Oudenlaan geeft voorts aan dat in 2004, ook indien geen rekening met de aanwezigheid van het casino wordt gehouden, de jaargemiddelde concentratie stikstofdioxide 41 microgram per m³ bedraagt.

    Na het nemen van het bestreden besluit zijn in opdracht van het Holland Casino aan de hand van nieuwe inzichten betreffende het berekenen van de luchtkwaliteit de gevolgen van het plan opnieuw berekend. Deze berekeningen zijn neergelegd in het rapport "Berekening luchtkwaliteit Holland Casino Utrecht" van 30 maart 2006 van Syncera B.V..

Oordeel van de Afdeling

2.8.6.    De conclusie in het bestreden besluit dat de in het Blk 2005 gestelde grenswaarden als gevolg van het gebruik van de grond als casino niet worden overschreden, dan wel dat het niet bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit in het gebied, kan de toetsing in rechte niet doorstaan. In het besluit is niet gemotiveerd uiteengezet waarop die conclusie is gebaseerd. Blijkens het MER Holland Casino kon ten tijde van het nemen van het bestreden besluit niet anders worden geconcludeerd dan dat de ingevolge het Blk 2005 geldende grenswaarde voor de vierentwintig-uurgemiddelde concentratie van zwevende deeltjes, alsmede de per 1 januari 2010 voor stikstofdioxide geldende jaargemiddelde grenswaarde als gevolg van het plan zullen worden overschreden. Dat niet aan de in het Blk 2005 gestelde grenswaarden kan worden voldaan, blijkt voorts uit het rapport "Luchtrapportage Holland Casino".

   Het rapport "Berekening luchtkwaliteit Holland Casino Utrecht" van Syncera B.V. betreft meer dan alleen een nadere toelichting op onderzoeken die een rol hebben gespeeld bij het nemen van het bestreden besluit en dateert van kort voor de zitting. Dit kan in deze procedure niet meer worden gebruikt om het bestreden besluit alsnog van een deugdelijke motivering te voorzien.

   Het beroep is gegrond. Gelet hierop en op de in overweging 2.7.10. opgenomen conclusie dient het bestreden besluit om vermelde redenen wegens strijd met het bepaalde in artikel 3:46 van de Awb te worden vernietigd.

Proceskostenveroordeling

2.9.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Utrecht van 28 juni 2005, no. 2005REG001508i;

III.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Utrecht tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Utrecht aan appellanten onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IV.    gelast dat de provincie Utrecht aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 276,00 (zegge: tweehonderdzesenzeventig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, Voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. M.A.A. Mondt-Schouten, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.L. Frenkel, ambtenaar van Staat.

w.g. Scholten-Hinloopen    w.g. Frenkel

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2006

206.