Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY0383

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-07-2006
Datum publicatie
05-07-2006
Zaaknummer
200510324/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 december 2003 heeft het bureau rechtsbijstandvoorziening van de raad voor rechtsbijstand te 's-Gravenhage (hierna: het bureau) het verzoek van appellant om vaststelling van de vergoeding voor de op basis van een toevoeging verrichte rechtsbijstand afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200510324/1.

Datum uitspraak: 5 juli 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Den Haag,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04/4503 van de rechtbank 's-Gravenhage van 3 november 2005 in het geding tussen:

appellant

en

de raad voor rechtsbijstand te 's-Gravenhage.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 17 december 2003 heeft het bureau rechtsbijstandvoorziening van de raad voor rechtsbijstand te 's-Gravenhage (hierna: het bureau) het verzoek van appellant om vaststelling van de vergoeding voor de op basis van een toevoeging verrichte rechtsbijstand afgewezen.

Bij besluit van 8 september 2004 heeft de raad voor rechtsbijstand te 's-Gravenhage (hierna: de raad) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 november 2005, verzonden op 4 november 2005, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 16 december 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 22 februari 2006 heeft de raad van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting aan de orde gesteld op 11 mei 2006. Partijen zijn met bericht niet verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Op 15 december 2003 heeft appellant bij het bureau een verzoek om vaststelling van de vergoeding ingediend voor de rechtsbijstand die door hem is verleend op basis van een op 6 augustus 1997 verstrekte toevoeging. Vaststaat dat de rechtsbijstand, waarvoor de toevoeging is verstrekt, is beëindigd op 26 november 1997.

2.2.    Het bureau heeft het verzoek om vaststelling van de vergoeding afgewezen op de grond dat de aanspraak op vergoeding is verjaard, omdat op het moment dat appellant zijn verzoek indiende meer dan vijf jaren waren verstreken gerekend vanaf het moment dat de werkzaamheden waren beëindigd. Dit besluit is genomen overeenkomstig het door de raad gevoerde beleid, zoals neergelegd in het Handboek Vergoedingen (hierna: het Handboek), supplement januari 2002, waarin op p. 8 is vermeld: "Verzoeken om vaststelling van de vergoeding kunnen tot een beschikking leiden dat geen vaststelling en uitbetaling meer kan plaatsvinden omdat sprake is van verjaring van de aanspraak op vergoeding. Declaraties die betrekking hebben op toevoegingen waarin de rechtsbijstand tenminste 5 jaar voor de datum van ontvangst is beëindigd, zijn verjaard. De periode van 5 jaren begint op 31 december van het jaar waarin de rechtsbijstand werd beëindigd en de vergoeding opeisbaar werd".

2.3.    De rechtbank heeft zich aangesloten bij het oordeel van de Afdeling in haar uitspraak van 4 februari 2000 in zaak no. H01.99.0474 (AB 2000, 82) dat voormeld beleid niet onredelijk of anderszins onrechtmatig is en geoordeeld dat de in bezwaar gehandhaafde weigering van het bureau om tot vaststelling van de vergoeding over te gaan, die met dat beleid in overeenstemming is, in stand kan blijven.

2.4.     In hoger beroep voert appellant aan dat de rechtbank ten onrechte zijn betoog heeft gepasseerd dat hij de verjaring van zijn aanspraak op vergoeding heeft gestuit als bedoeld in artikel 3:317 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: het BW), door op 30 december 2001 en op 31 december 2002 een verzoek om vaststelling van de vergoeding in te dienen bij het bureau. De rechtbank heeft, mede gelet op jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep, volgens appellant ten onrechte geoordeeld dat de verjaringsbepalingen uit het BW in bestuursrechtelijke verhoudingen zoals de onderhavige, niet van toepassing zijn. Appellant betoogt voorts dat de rechtbank de uitspraak van de Afdeling van 4 februari 2000 niet bij haar oordeel had moeten betrekken, nu in die zaak van stuitingshandelingen geen sprake was en deze uitspraak in zoverre een andere situatie betrof. Appellant voert ten slotte aan dat de aangevallen uitspraak in strijd is met artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) en artikel 1, van het Eerste Protocol bij het EVRM.

2.5.    Zoals de Afdeling reeds in meergenoemde uitspraak van 4 februari 2000 heeft overwogen moet, gezien het wettelijk systeem, waarin vergoedingen als de onderhavige op aanvraag van de rechtsbijstandverlener door het bureau worden vastgesteld, de onder 2.2 geciteerde passage uit het Handboek zo worden verstaan dat het aanvragen van de vaststelling van een vergoeding wordt gebonden aan een termijn van vijf jaren na beëindiging van de rechtsbijstand en dat bij overschrijding van die termijn geen vergoeding wordt toegekend. De Afdeling ziet geen aanleiding om anders dan voorheen te oordelen dat de raad niet in redelijkheid tot vaststelling van dit beleid heeft kunnen komen.

2.6.    Hoewel vaststaat dat appellant in ieder geval op 31 december 2002, derhalve binnen de termijn, een aanvraag tot vaststelling van de vergoeding heeft ingediend, is die aanvraag wegens onvolledigheid buiten behandeling gesteld nadat appellant tevergeefs in de gelegenheid was gesteld de aanvraag aan te vullen. De raad heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat in het feit dat appellant reeds eerder een onvolledige aanvraag heeft ingediend geen reden kan worden gevonden om in afwijking van het beleid appellant alsnog in staat te stellen na ommekomst van de termijn een volledige aanvraag in te dienen. Daaraan kan niet afdoen hetgeen over verjaring en stuiting van de verjaring is bepaald in de artikelen 3:306 en volgende van het BW. Die bepalingen hebben betrekking op opeisbare vorderingen, waarvan in het onderhavige geval eerst sprake zou zijn wanneer het bureau de aanvraag had ingewilligd. Dat de Centrale Raad van Beroep in de door appellant genoemde uitspraak van 30 maart 2004, zaaknummer 02/42 AAW (www.rechtspraak.nl) overwegingen wijdt aan verjaring en stuiting is evenmin relevant voor de onderhavige zaak, nu in die zaak, anders dan hier, wel sprake was van een opeisbare vordering uit onverschuldigde betaling.

2.7.    Voor zover de afwijzing van het verzoek van appellant om de vergoeding vast te stellen waarop hij aanspraak kan doen gelden een inbreuk vormt op het in artikel 1, van het Eerste Protocol bij het EVRM omschreven recht, is deze inbreuk naar het oordeel van de Afdeling gerechtvaardigd. Deze steunt op tevoren kenbaar gemaakte schriftelijke regels, neergelegd in het Handboek, welke regels voorts een legitiem doel dienen, te weten het behoud van een redelijk overzicht op de besteding van publieke middelen. Er zijn geen omstandigheden gesteld of gebleken op grond waarvan geoordeeld moet worden dat appellant door de afwijzing van de aanvraag op basis van deze regels op een zodanig onevenredige wijze is getroffen dat geen sprake zou zijn van een "fair balance" tussen diens belang en de belangen gediend met het stellen van de onderhavige termijn. Niet valt in te zien waarom appellant na de tijdig ingediende onvolledige aanvraag niet in staat was deze alsnog binnen de gestelde termijn aan te vullen.

Van schending van artikel 1 van het Eerste Protocol is geen sprake.

2.8.    Wat betreft het betoog van appellant inzake artikel 6 van het EVRM overweegt de Afdeling dat het enkele feit dat appellant het niet eens is met de uitspraak van de rechtbank niet kan leiden tot de conclusie dat sprake is van schending van dit artikel.

2.9.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Haverkamp, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Altena    w.g. Haverkamp

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2006

306-512.