Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY0381

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-07-2006
Datum publicatie
05-07-2006
Zaaknummer
200510470/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 juli 2004 heeft de raad van de gemeente Haarlemmermeer (hierna: de raad) een voorkeursrecht als bedoeld in artikel 2 van de Wet voorkeursrecht gemeenten (hierna: de Wvg) gevestigd op aan appellant toebehorende gronden in het gebied "A-4 zone West".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2006/2156
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200510470/1.

Datum uitspraak: 5 juli 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. Awb 05/641 van de rechtbank Haarlem van 23 november 2005 in het geding tussen:

appellant

en

de raad van de gemeente Haarlemmermeer.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 1 juli 2004 heeft de raad van de gemeente Haarlemmermeer (hierna: de raad) een voorkeursrecht als bedoeld in artikel 2 van de Wet voorkeursrecht gemeenten (hierna: de Wvg) gevestigd op aan appellant toebehorende gronden in het gebied "A-4 zone West".

Bij besluit van 23 december 2004 heeft de raad het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 november 2005, verzonden op 25 november 2005, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 december 2005, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 6 februari 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 7 maart 2006 heeft de raad van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 mei 2006, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. E.M. van Zelm, advocaat te De Bilt en mr. C.H.D.J.M. van Duin, en de raad, vertegenwoordigd door mr. E.C. Berkouwer, advocaat te Haarlem en mr. M.P. van der Plaats, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wvg, voor zover hier van belang, kunnen bij besluit van de gemeenteraad gronden, begrepen in een bestemmingsplan, worden aangewezen als gronden waarop de artikelen 10-24, 26 en 27 van toepassing zijn.

   Ingevolge het tweede lid, voor zover hier van belang, komen voor een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid alleen in aanmerking de gronden, waaraan bij het bestemmingsplan een niet-agrarische bestemming is toegedacht en waarvan het gebruik afwijkt van dat plan.

2.2.    De gronden van appellant zijn reeds eerder in aanwijzingen ingevolge de Wvg betrokken geweest. Grondslag voor het onderhavige, op 1 juli 2004 gevestigde, voorkeursrecht is het op dezelfde datum door de raad vastgestelde bestemmingsplan "Bestemmingsplan Hoofddorp A4-zone west" (hierna: het bestemmingsplan).

2.3.    Het betoog van appellant dat een voorkeursrecht niet voor onbepaalde tijd kan worden gevestigd en dat handhaving van het voorkeursrecht niet langer noodzakelijk is, zodra een bestemmingsplan onherroepelijk is, is door de rechtbank terecht verworpen. De Wvg kent verschillende grondslagen voor de vestiging van een voorkeursrecht, afhankelijk van het stadium waarin de besluitvorming op het gebied van de ruimtelijke ordening verkeert, waarbij de duur van het voorkeursrecht mede van die grondslag afhankelijk is. Een op basis van artikel 2 van de Wvg gevestigd voorkeursrecht als het onderhavige, geldt voor onbepaalde duur, tot het moment waarop de bestemming is verwezenlijkt. De omstandigheid dat het bestemmingsplan eraan in de weg staat dat daarmee strijdige activiteiten op de betrokken gronden kunnen worden ontwikkeld, maakt niet dat voor het voortduren van een voorkeursrecht geen aanleiding meer is. Dat voorkeursrecht is er immers voor bedoeld om prijsopdrijving door grondspeculatie tegen te gaan en de gemeente gelet daarop een voorrangspositie te geven bij de verwerving van de grond.

2.4.    Anders dan appellant betoogt is de uitspraak van deze Afdeling van 1 maart 2006, inzake no. 200503572/1, waarbij het goedkeuringsbesluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland inzake het bestemmingsplan gedeeltelijk is vernietigd, voor dit geschil niet relevant. Die uitspraak doet er niet aan af dat aan de in artikel 2, tweede lid, van de Wvg genoemde voorwaarden is voldaan, zodat de raad bevoegd was op de gronden van appellant het onderhavige voorkeursrecht te vestigen.

2.5.    Het betoog van appellant dat het onderhavige voorkeursrecht strijdig is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, moet worden verworpen. De Afdeling verwijst in dit verband naar hetgeen dienaangaande is overwogen in haar uitspraak van 21 augustus 2002 in zaak no. 200102420/1. In aanmerking genomen de aan de raad toekomende beoordelingsvrijheid, is er voorts geen grond voor het oordeel dat de raad bij afweging van de belangen van appellant tegen de met de vestiging van het voorkeursrecht te dienen belangen niet tot handhaving van het voorkeursrecht heeft kunnen besluiten.

2.6.     Ook faalt het betoog van appellant dat de handhaving van het voorkeursrecht in strijd zou zijn met de artikelen 82 en 87 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap. Aan de voorwaarden voor toepassing van deze artikelen is niet voldaan.

2.7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. F.P. Zwart en mr. H.G. Lubberdink, Leden, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Haverkamp, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek    w.g. Haverkamp

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2006

306-514.