Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY0380

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-07-2006
Datum publicatie
05-07-2006
Zaaknummer
200601494/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 april 2004 heeft de Minister van Buitenlandse Zaken (hierna: de minister) het verzoek van appellant om inzage in de stukken die ten grondslag hebben gelegen aan het in het kader van een asielprocedure opgemaakt individueel ambtsbericht van 10 december 2003 ingewilligd met uitzondering van enkele passages.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200601494/1.

Datum uitspraak: 5 juli 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/1664 van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 15 december 2005 in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Buitenlandse Zaken.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 7 april 2004 heeft de Minister van Buitenlandse Zaken (hierna: de minister) het verzoek van appellant om inzage in de stukken die ten grondslag hebben gelegen aan het in het kader van een asielprocedure opgemaakt individueel ambtsbericht van 10 december 2003 ingewilligd met uitzondering van enkele passages.

Bij besluit van 22 april 2005 heeft de minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij mondelinge uitspraak van 15 december 2005, waarvan het proces-verbaal is verzonden op 11 januari 2006, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 22 februari 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 27 februari 2006 heeft de minister van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 juni 2006, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. P.C.T.M. van Eeuwijk, werkzaam bij het ministerie, is verschenen. Appellant is met bericht niet verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 10, tweede lid, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob)- voor zover hier van belang - blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege voorzover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:

(…)

d. inspectie, controle en toezicht door bestuursorganen;

(…)

e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;

(…)

g. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.

2.2.    Bij besluit van 22 april 2005 heeft de minister zijn weigering gehandhaafd om een aantal passages uit de stukken die ten grondslag hebben gelegen aan het individuele ambtsbericht dat is opgemaakt in het kader van de asielaanvragen van appellanten, openbaar te maken. Daarbij heeft hij zich beroepen op belangen van bronbescherming, bescherming van methoden en technieken en kennisniveau waarvan bij het onderzoek is uitgegaan en ter voorkoming van onevenredig nadeel.

2.3.    Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte slechts heeft geoordeeld dat de minister bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid openbaarmaking van alle onderliggende stukken van het individueel ambtsbericht heeft kunnen weigeren, terwijl de vraag of een ander dan het openbaarheidsbelang zich voordoet door de rechtbank integraal dient te worden beoordeeld. Voorts voert appellant aan dat de rechtbank in het kader van de integrale beoordeling nader diende te motiveren waarom de belangen van appellant en de Nederlandse gemeenschap bij openbaarmaking niet zwaarder wegen dan de belangen van de minister.

2.4.    Dit betoog faalt. De rechtbank heeft, na van de niet aan appellant verstrekte passages kennis te hebben genomen, overwogen dat de belangen waar op de minister zich heeft beroepen in dit geval aan de orde zijn. Anders dan appellant betoogt, heeft zij op dit punt derhalve een integrale toets niet achterwege gelaten. Appellant gaat er ten onrechte van uit dat een dergelijke integrale toets zich ook dient uit te strekken tot het bestuurlijk oordeel over de vraag of het openbaarheidsbelang meer of minder zwaar weegt dan de andere in de Wob genoemde belangen. De rechterlijke toetsing van dat oordeel wijkt echter niet af van de toetsing overeenkomstig het tweede lid van artikel 3:4 van de Awb. Bij die toetsing dient het uitgangspunt van de Wob - openbaarheid is de regel - zwaar te wegen.

2.5.    Ook de Afdeling stelt, na met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb kennis te hebben genomen van de niet aan appellant verstrekte tekstpassages, vast dat de belangen waarop de minister zich heeft beroepen, in dit geval aan de orde zijn.

   Evenals de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de minister bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid het belang van bescherming van de bronnen en van de methoden en technieken van onderzoek, mede met het oog op toekomstig onderzoek, zwaarder heeft kunnen laten wegen dan het belang van openbaarmaking van de passages waaruit onder meer de werkwijze van de vertrouwenspersoon blijkt, zodat openbaarmaking van die passages terecht is geweigerd.

2.6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Haverkamp, ambtenaar van Staat.

w.g. Bijloos    w.g. Haverkamp

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2006

306-440.