Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY0374

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-07-2006
Datum publicatie
05-07-2006
Zaaknummer
200507507/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 augustus 2004 heeft raad van de gemeente Bathmen, thans gemeente Deventer, (hierna: de raad) appellant een schadevergoeding als bedoeld in artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) toegekend van € 5000,-- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van indienen van het verzoek tot de algehele voldoening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200507507/1.

Datum uitspraak: 5 juli 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/796 van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 19 juli 2005 in het geding tussen:

appellant

en

de raad van de gemeente Deventer.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 26 augustus 2004 heeft raad van de gemeente Bathmen, thans gemeente Deventer, (hierna: de raad) appellant een schadevergoeding als bedoeld in artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) toegekend van € 5000,-- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van indienen van het verzoek tot de algehele voldoening.

Bij besluit van 23 december 2004 heeft de raad het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 juli 2005, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 25 augustus 2005, per fax bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 14 oktober 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij ongedateerde brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 november 2005, heeft de raad van de gemeente Deventer van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 april 2006, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. H.H. van Steijn, advocaat te Deventer, en de raad van de gemeente Deventer, vertegenwoordigd door L.B. van Dam, ambtenaar bij de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 49 van de WRO, zoals dit luidde ten tijde hier van belang en voor zover hier van belang, kent de gemeenteraad, voor zover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van een bestemmingsplan schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

2.2.    Bij de beoordeling van een verzoek om planschadevergoeding dient te worden bezien of sprake is van een wijziging van het planologische regime waardoor een belanghebbende in een nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge waarvan hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient een vergelijking te worden gemaakt tussen de beweerdelijk schadeveroorzakende planologische maatregel en het voordien geldende planologische regime. Daarbij is wat betreft het oude planologische regime niet de feitelijke situatie van belang, doch hetgeen op grond van dat regime maximaal kon worden gerealiseerd, ongeacht de vraag of verwezenlijking daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.

2.3.    Appellant is eigenaar van het perceel plaatselijk bekend [locatie] te [plaats], gelegen oostelijk van de Braakmanssteeg. Hij exploiteert op het perceel een agrarisch bedrijf met ongeveer 55 melkkoeien en bewoont ter plaatse een bedrijfwoning. Appellant heeft verzocht om vergoeding van schade ten gevolge van het van kracht worden van het bestemmingsplan "Buitengebied 1994", omdat op grond daarvan ten westen en zuidwesten van zijn perceel, aan de overzijde van de Braakmanssteeg, een nieuwe camping planologisch mogelijk is geworden. De raad heeft appellant een planschadevergoeding van € 5000,-- toegekend en het daartegen gerichte bezwaar ongegrond verklaard.

2.4.    In het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied Bathmen 1976", voor zover thans van belang, was het perceel van appellant bestemd als "Agrarisch gebied met landschappelijke waarde A", op grond waarvan, ter plaatse van een op de plankaart aangeduid bouwblok, agrarische bedrijfsbebouwing was toegestaan. Buiten het bouwblok waren slechts melkstallen en schuilgelegenheden met maximale bouwhoogten van 4,40 meter onderscheidenlijk 2,75 meter, alsmede veldschuren zonder hoogtebeperking toegestaan.

   De gronden waarop de nieuwe camping kan worden gerealiseerd (hierna: het kampeerterrein) waren in dit bestemmingsplan, voor zover thans van belang, bestemd als "Agrarisch gebied", op grond waarvan op een minimale afstand van ongeveer 65 meter zuidwestelijk van het perceel, ter plaatse van een op de plankaart aangeduid bouwblok, agrarische bedrijfsbebouwing was toegestaan met voor hooibergen en silo's een maximale bouwhoogte van 16,5 meter, voor torensilo's een maximale bouwhoogte van 33 meter, voor bedrijfswoningen een maximale goothoogte van 4,95 meter en voor overige bedrijfsbebouwing een maximale bouwhoogte van 11 meter. Buiten het agrarisch bouwblok waren, op ongeveer 60 meter van het perceel, melkstallen en schuilgelegenheden met maximale bouwhoogten van 4,40 meter, onderscheidenlijk 2,75 meter, alsmede veldschuren zonder hoogtebeperking toegestaan.

   Ingevolge het bestemmingsplan "Buitengebied 1994", dat door de raad op 20 oktober 1994 is vastgesteld, door het college van gedeputeerde staten bij besluit van 26 april 1995 is goedgekeurd en daarna in rechte onaantastbaar is geworden, voor zover thans van belang, is het perceel van appellant bestemd voor "Agrarisch gebied met landschapswaarden" met de aanduiding van een bouwperceel. Op ongeveer 40 tot ongeveer 100 meter ten westen en zuidwesten van het perceel is het kampeerterrein bestemd voor "Recreatieve doeleinden Rc" en aldus voor een camping voor tenten, toercaravans, kampeerauto's en stacaravans. Het kampeerterrein mag voor 22% worden bebouwd met bouwwerken ten dienste van de bestemming, waaronder één bedrijfswoning met bijgebouwen, met een maximale goothoogte van 4,40 meter en een maximale bouwhoogte van 11 meter. De gronden tussen het perceel van appellant en het kampeerterrein zijn bestemd voor "Agrarisch gebied met landschapswaarden", op grond waarvan uitsluitend andere bouwwerken met een maximale bouwhoogte van 2 meter zijn toegestaan.

2.5.    De raad heeft het verzoek ter advisering voorgelegd aan de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: SAOZ). Deze stelt in haar advies van oktober 2003 (hierna: SAOZ-advies) dat het nieuwe bestemmingsplan geen planologisch nadeel betekent voor de bedrijfsvoering van appellant maar wel de waarde van zijn bedrijfswoning nadelig beïnvloedt, omdat van de nieuwe camping, vanwege het intensievere gebruik op een geringere afstand van de woning, meer hinder valt te verwachten dan van de vorige, agrarische, bestemming. De SAOZ heeft dit planologisch nadeel getaxeerd op € 5000,--. De raad heeft appellant overeenkomstig het SAOZ-advies schadevergoeding toegekend.

   Appellant heeft in reactie op het SAOZ-advies, voorafgaande aan het primaire besluit, een brief van H.W.H. Haaxman van Haaxman-Willemsen bedrijfsmakelaars B.V. (hierna: Haaxman) van 29 april 2004 in procedure gebracht, waarin is gesteld dat het perceel ten gevolge van het bestemmingsplan "Buitengebied 1994" met 10% in waarde is gedaald. Haaxman heeft, in reactie op de beslissing op bezwaar, zijn standpunt nader toegelicht bij brief van 6 juni 2005.

2.6.    De rechtbank heeft - kort weergegeven - overwogen dat de bestemmingswijziging voor het kampeerterrein voor appellant een nadeel oplevert in de vorm van toegenomen hinder en verminderd uitzicht. In het SAOZ-advies is volgens de rechtbank terecht vastgesteld dat het gewijzigde planologische regime niet tot schade leidt voor de exploitatiemogelijkheden van het bedrijf van appellant. Mede in aanmerking genomen dat op het kampeerterrein slechts een betrekkelijk kleinschalige camping is toegestaan, achtte de rechtbank de door de SAOZ berekende schade van € 5000,-- niet onredelijk. Een nadere onderbouwing van deze berekening achtte de rechtbank niet nodig. De rechtbank was voorts van oordeel dat Haaxman zijn conclusie dat het perceel ten gevolge van de planologische wijziging 10% minder waard is geworden, onvoldoende heeft onderbouwd.

2.7.    Appellant betoogt dat de rechtbank onvoldoende heeft onderkend dat door de bestemmingswijziging voor het kampeerterrein de verkeershinder in de omgeving van het perceel is toegenomen en dat de nieuwe camping een nadelige planologische uitstraling heeft op het perceel, waardoor de waarde van het perceel is gedaald. Hij voert verder aan dat in het SAOZ-advies onvoldoende inzichtelijk is gemaakt volgens welke methode de verrekening van planologische voor- en nadelen heeft plaatsgevonden en dat de rechtbank onvoldoende waarde heeft gehecht aan de opvatting van Haaxman.

2.8.    Dit betoog faalt. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat appellant ten gevolge van het nieuwe bestemmingsplan "Buitengebied 1994", mede in aanmerking genomen het betrekkelijk kleinschalige karakter van de toegestane camping, alleen planologisch nadeel lijdt in de vorm van waardevermindering van de bedrijfswoning door toegenomen verkeershinder en vermindering van uitzicht. In hetgeen appellant heeft aangevoerd kunnen geen aanknopingspunten worden gevonden voor het oordeel dat hij ten gevolge van de bestemmingswijziging meer verkeershinder of ander planologisch nadeel zal ondervinden. Een nadere onderbouwing van de door de SAOZ getaxeerde waardedaling heeft de rechtbank terecht in dit geval niet nodig geacht. De rechtbank heeft verder terecht geoordeeld dat aan de brieven van Haaxman geen betekenis kan toekomen, omdat de conclusies daarin onvoldoende zijn onderbouwd.

   Gelet hierop kan niet worden geoordeeld dat de SAOZ de waardedaling van € 5000,00 onvoldoende heeft onderbouwd dan wel onjuist heeft begroot. De rechtbank heeft dan ook met juistheid overwogen dat de raad het SAOZ-advies aan zijn besluit ten grondslag heeft mogen leggen.

2.9.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. F.P. Zwart en mr. B.J. van Ettekoven, Leden, in tegenwoordigheid van mr. D. Haan, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek    w.g. Haan

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2006

27-507.