Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY0365

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-07-2006
Datum publicatie
05-07-2006
Zaaknummer
200600135/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 mei 2005 heeft verweerder het verzoek van appellant om krachtens de Wet milieubeheer handhavend op te treden tegen het zonder milieuvergunning in werking hebben van een skybeamer door [vergunninghoudster] ten behoeve van haar inrichting op het perceel [locatie] te [plaats] afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.1
Wet milieubeheer 8.40
Besluit detailhandel en ambachtsbedrijven milieubeheer
Besluit detailhandel en ambachtsbedrijven milieubeheer 2
Besluit detailhandel en ambachtsbedrijven milieubeheer 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 1001237
Omgevingsvergunning in de praktijk 2006/2699
Milieurecht Totaal 2006/5490
JM 2006/101
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200600135/1.

Datum uitspraak: 5 juli 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Voorst,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 17 mei 2005 heeft verweerder het verzoek van appellant om krachtens de Wet milieubeheer handhavend op te treden tegen het zonder milieuvergunning in werking hebben van een skybeamer door [vergunninghoudster] ten behoeve van haar inrichting op het perceel [locatie] te [plaats] afgewezen.

Bij besluit van 23 november 2005, verzonden op dezelfde datum, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 2 januari 2006, bij de Raad van State ingekomen op 4 januari 2006, beroep ingesteld.

Bij brief van 13 februari 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 mei 2006, waar appellant in persoon en bijgestaan door F. Pieters en W. Schmidt, en verweerder, vertegenwoordigd door T.C. Janssen, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door mr. F.J.M. Kobossen, advocaat te Deventer.

2.    Overwegingen

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

2.2.    Ingevolge artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer is het verboden zonder daartoe verleende vergunning een inrichting:

a. op te richten;

b. te veranderen of de werking daarvan te veranderen;

c. in werking te hebben.

   Ingevolge het tweede lid van dit artikel, voor zover hier van belang, geldt het verbod niet met betrekking tot inrichtingen, behorende tot een categorie die bij een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 8.40, eerste lid, is aangewezen.

   Ingevolge artikel 8.40, eerste lid, van de Wet milieubeheer, voor zover hier van belang, kunnen bij algemene maatregel van bestuur met betrekking tot daarbij aangewezen categorieën van inrichtingen regels worden gesteld, die nodig zijn ter bescherming van het milieu.

   Daaraan is, voor zover hier van belang, toepassing gegeven in het Besluit detailhandel en ambachtsbedrijven milieubeheer (hierna: het Besluit).

   Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit is dit besluit van toepassing op een inrichting die uitsluitend of in hoofdzaak bestemd is voor het verkopen of verhuren aan particulieren van roerende zaken, met uitzondering van binnenlandse en buitenlandse wettige betaalmiddelen.

   Ingevolge artikel 3 van het Besluit is dit besluit niet van toepassing op een inrichting als bedoeld in artikel 2, indien in de inrichting een of meer van de in het eerste en het tweede lid van artikel 3 genoemde activiteiten plaatsvinden. Dit geldt voor een aantal van deze activiteiten eerst wanneer deze een omvang hebben waarbij een nader omschreven capaciteitsgrens wordt overschreden.

   Ingevolge bijlage 2, behorende bij het Besluit, onder B, paragraaf 1.5 in voorschrift 1.5.1 wordt de verlichting van gebouwen en open terrein van de inrichting dan wel ten behoeve van reclamedoeleinden, zodanig uitgevoerd dat directe lichtinstraling op lichtdoorlatende openingen in gevels of daken van woningen wordt voorkomen.    

2.2.1.    Appellant voert aan dat de inrichting als gevolg van het in werking hebben van de skybeamer niet meer kan worden aangemerkt als een inrichting als bedoeld in het Besluit. Volgens appellant ontbreekt een rechtstreeks verband tussen het in werking hebben van een skybeamer en detailhandel. Derhalve is volgens appellant door het in werking hebben van de skybeamer de gehele inrichting vergunningplichtig op grond van de Wet milieubeheer.

2.2.2.    In dit geschil is onbestreden dat de inrichting - een detailhandel in kleding -, zonder de skybeamer, uitsluitend of in hoofdzaak bestemd is voor, voor zover relevant, het verkopen van roerende zaken aan particulieren, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit. Naar het oordeel van de Afdeling is de skybeamer niet van zodanige betekenis voor de inrichting dat genoemde bepaling niet langer van toepassing is. Hierbij wordt opgemerkt dat, anders dan appellant stelt, niet is vereist, dat er een rechtstreeks verband is tussen de detailhandel en de skybeamer, in die zin dat de detailhandel niet in werking kan zijn zonder dat de skybeamer in werking is.

   De stukken en het verhandelde ter zitting bieden geen aanknopingspunten om ervan uit te gaan, dat één van de in artikel 3 van het Besluit genoemde uitzonderingsgronden van toepassing zijn. De door appellant aangevoerde (mogelijke) negatieve effecten van een skybeamer op het ecosysteem en de negatieve effecten op de verkeersveiligheid, op zowel lokale wegen als op de autosnelweg A1, leiden niet tot een ander oordeel.

       Het vorenoverwogene brengt met zich dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld, dat de inrichting, met de skybeamer, nog steeds kan worden aangemerkt als een inrichting als bedoeld in artikel 2 van het Besluit en dat daarom voor de inrichting geen vergunning krachtens de Wet milieubeheer is vereist. Derhalve faalt deze beroepsgrond.

2.3.    Verder voert appellant aan dat de skybeamer lichthinder tot gevolg heeft.

2.3.1.    Verweerder heeft aangegeven dat zij niet hebben kunnen onderzoeken of er daadwerkelijk sprake is van een (on)aanvaardbare lichthinder, omdat de skybeamer vanaf 27 april 2005 tot omstreeks november 2005 niet meer in werking is geweest in verband met het verminderde effect vanwege seizoensinvloeden.

2.3.2.    De Afdeling stelt vast dat appellant op 12 november 2004 een verzoek om handhaving heeft ingediend. Derhalve had verweerder vanaf die datum de tijd om te onderzoeken of de gestelde lichthinder zich verdraagt met het Besluit. Aangezien verweerder dit heeft nagelaten is het bestreden besluit in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.4.    Het beroep is gegrond. De bestreden beslissing op bezwaar dient te worden vernietigd.

2.5.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Voorst van 23 november 2005, kenmerk vrom-2005-3552;

III.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Voorst tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 299,15 (zegge: tweehonderdnegenennegentig euro en vijftien cent); het dient door de gemeente Voorst aan appellant onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IV.    gelast dat de gemeente Voorst aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 138,00 (zegge: honderdachtendertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd    w.g. Melse

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2006

191-518.