Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY0364

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-07-2006
Datum publicatie
05-07-2006
Zaaknummer
200507037/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 juli 2005 heeft verweerder, voor zover hier van belang, voor een periode van 10 jaar een vergunning onder voorschriften aan [vergunninghoudster] verleend als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren voor het lozen via de gemeentelijke riolering van afvalstoffen, schadelijke of verontreinigde stoffen afkomstig van het bedrijf van vergunninghoudster gelegen aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 1 augustus 2005 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200507037/1.

Datum uitspraak: 5 juli 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Heineken Nederland B.V.", gevestigd te Amsterdam;

2.    de vereniging "Samenwerkingsverband De Rietvelden/De Vutter/Rivu" en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "De Bossche Containerterminal B.V.", beide gevestigd te 's-Hertogenbosch, en Sligro Food Group Nederland B.V., gevestigd te Veghel,

appellanten,

en

het dagelijks bestuur van het waterschap Aa en Maas,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 8 juli 2005 heeft verweerder, voor zover hier van belang, voor een periode van 10 jaar een vergunning onder voorschriften aan [vergunninghoudster] verleend als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren voor het lozen via de gemeentelijke riolering van afvalstoffen, schadelijke of verontreinigde stoffen afkomstig van het bedrijf van vergunninghoudster gelegen aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 1 augustus 2005 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellante sub 1 bij brief van 9 augustus 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, en appellanten sub 2 bij brief van 7 september 2005, bij de Raad van State ingekomen op 12 september 2005, beroep ingesteld. Appellante sub 1 heeft haar beroep aangevuld bij brief van 30 augustus 2005.

Bij brief van 21 maart 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 9 maart 2006. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van partijen. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 mei 2006, waar appellante sub 1, vertegenwoordigd door mr. drs. H.A. Pasveer, advocaat te 's-Hertogenbosch, ir. G.W. Lassche en dr. C.C.F.M. Thillart, appellanten sub 2, vertegenwoordigd door mr. J.E. Lenglet, advocaat te 's-Hertogenbosch, en mr. H.M.H. van der Steen, en verweerder, vertegenwoordigd door C.W.M. Emmen en F.J.M. Berendsen, ambtenaren van het waterschap, zijn verschenen.

Voorts zijn als partij gehoord vergunninghoudster, vertegenwoordigd door mr. H.G.M. van der Westen, advocaat te Eindhoven, A. Vreeswijk en ing. J. Bos.

2.    Overwegingen

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten, op dit geding van toepassing blijft.

   Op 1 december 2005 zijn de wet van 16 juli 2005, houdende wijziging van de Wet milieubeheer en de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Stb. 2005, 432), en het besluit van 8 oktober 2005, houdende wijziging van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (Stb. 2005, 527), in werking getreden. Nu het bestreden besluit vóór 1 december 2005 is genomen, moet dit worden beoordeeld aan de hand van het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wet en dit besluit.

2.2.    Verweerder heeft gesteld dat van appellanten sub 2 de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "De Bossche Containerterminal B.V."(hierna: Containerterminal) en de besloten vennootschap "Sligro Foodgroup Nederland B.V."(hierna: Sligro) geen bedenkingen tegen het ontwerp van het besluit hebben ingediend en dat het beroep van de vereniging "Samenwerkingsverband De Rietvelden/ De Vutter/ Rivu" (hierna: de vereniging) niet ontvankelijk is voor zover dat zich keert tegen de aard en samenstelling van het bluswater en de capaciteit en afsluitbaarheid van het rioolstelsel.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, gelezen in samenhang met artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer – zoals dat destijds luidde – kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a. degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b. de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c. degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d. belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

De Afdeling overweegt dat van appellanten sub 2, de appellanten Containerterminal en Sligro in het geheel geen bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. De vereniging heeft de gronden ten aanzien van de aard en samenstelling van het bluswater en de capaciteit en afsluitbaarheid van het rioolstelsel niet als bedenkingen ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Verder is het bepaalde onder b en c hier niet van toepassing. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan deze appellanten redelijkerwijs niet kan worden verweten op deze punten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Uit het vorenstaande volgt dat de beroepen van Containerterminal en Sligro en het beroep van de vereniging, voor zover dat zich keert tegen de aard en samenstelling van het bluswater en de capaciteit en afsluitbaarheid van het rioolstelsel, niet ontvankelijk zijn.

2.3.    Appellante sub 1 en appellanten sub 2, voor zover ontvankelijk, (hierna: appellanten) voeren aan dat de aanvragen van vergunninghoudster om een milieuvergunning en om onderhavige vergunning onvoldoende zijn gecoördineerd omdat verweerder in tegenstelling tot het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant is uitgegaan van een bestaand bedrijfsrioleringsstelsel in plaats van de aanleg van een nieuw bedrijfsrioleringsstelsel.

2.3.1.    Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting stelt de Afdeling vast dat verweerder met het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant over de onderlinge samenhang van beide vergunningen overleg heeft gevoerd met het oog op een inhoudelijke afstemming van de te verlenen vergunningen op elkaar. In hetgeen appellanten aanvoeren, ziet de Afdeling, mede gelet op het deskundigenbericht, geen aanleiding voor het oordeel dat de aanvragen om beide vergunningen onvoldoende gecoördineerd in behandeling zijn genomen. Zowel bij het verlenen van de milieuvergunning als ook bij het verlenen van de onderhavige vergunning is, anders dan appellanten menen, uitgegaan van de aanleg van een nieuw bedrijfsrioleringsstelsel. Van enige relevante discrepantie tussen de aannames van verweerder en gedeputeerde staten van Noord-Brabant omtrent het bedrijfsrioleringsstelsel is de Afdeling niet gebleken. De beroepsgrond faalt.

2.4.    Appellanten voeren voor het overige aan dat verweerder ten onrechte geen eisen heeft gesteld aan de capaciteit van de zuiveringstechnische voorzieningen. Een enkele verwijzing door verweerder naar de NEN 7089 achten zij onvoldoende.

2.4.1.    Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de aan de vergunning verbonden lozingseisen niet kunnen worden gehaald als niet overeenkomstig NEN 7089 wordt gehandeld. In zoverre heeft verweerder dan ook geen aanleiding gezien om in dat kader nadere voorschriften aan de vergunning te verbinden.

2.4.2. Uit voorschrift 1 en bijlage II (lozingsschema) van de vergunning volgt dat de lozing van de afvalwaterstromen alleen via slibvangputten en olie/benzine-afscheiders mag plaatsvinden. Uit de aanvraag volgt dat de zuiveringstechnische voorzieningen conform NEN 7089 moeten worden uitgevoerd. In de aanvraag staan de waterstromen, inclusief hun debiet, aangegeven die op het vuilwaterriool uitkomen. In het deskundigenbericht wordt geconcludeerd dat de vergunning op adequate wijze regelt dat lozing uitsluitend dient plaats te vinden via genoemde zuiveringstechnische voorzieningen conform het normblad NEN 7089. In dit normblad worden de meest recente inzichten daaromtrent omschreven waardoor genoemde voorzieningen kunnen worden aangemerkt als de best uitvoerbare techniek in deze situatie. Er zijn geen redenen op grond waarvan betwijfeld zou moeten worden of de voorzieningen in de praktijk kunnen worden gerealiseerd. Gezien het vorenoverwogene is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de lozingseisen zoals verbonden aan de vergunning voldoende duidelijk en toereikend zijn. De beroepsgrond faalt.

2.5.    De beroepen zijn, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart de beroepen van De Bossche Containerterminal B.V. en Sligro Food Group Nederland B.V. en het beroep van de vereniging Samenwerkingsverband De Rietvelden/ De Vutter/ RIVU, voor zover dat zich keert tegen de aard en samenstelling van het bluswater en de capaciteit en afsluitbaarheid van het rioolstelsel, niet-ontvankelijk;

II.    verklaart de beroepen van appellante sub 1 en appellanten sub 2 voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, Voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en drs. H. Borstlap, Leden, in tegenwoordigheid van mr. E.D.A.M. Zegveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll    w.g. Zegveld

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2006

43-495.