Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY0356

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-07-2006
Datum publicatie
05-07-2006
Zaaknummer
200600315/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 februari 2005 heeft verweerder aan appellante krachtens artikel 15.20 van de Wet milieubeheer een vergoeding toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200600315/1.

Datum uitspraak: 5 juli 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [plaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 22 februari 2005 heeft verweerder aan appellante krachtens artikel 15.20 van de Wet milieubeheer een vergoeding toegekend.

Bij besluit van 22 november 2005, verzonden op 1 december 2005, heeft verweerder het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar, onder toekenning van een vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand, ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 januari 2006, beroep ingesteld.

Bij brief van 13 maart 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn van de zijde van appellante nadere stukken ontvangen. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 juni 2006. Daar zijn  appellante, vertegenwoordigd door mr. S.J.R.M. Beusink en door haar [bestuurders] en verweerder, vertegenwoordigd door D.M.A.A. Oostvogels, ambtenaar van de provincie en A. Raap, ambtenaar van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu, verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Artikel 15.20, eerste lid, van de Wet milieubeheer, voor zover hier van belang, luidt:

   "Indien degene tot wie een beschikking is gericht krachtens artikel 8.25, eerste lid, onder a, zich ten gevolge daarvan voor kosten ziet gesteld dan wel schade lijdt, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoren te blijven, kent het gezag dat de beschikking in eerste aanleg heeft gegeven hem, voor zover op ander wijze in een redelijke vergoeding niet is of kan worden voorzien, op zijn verzoek dan wel uit eigen beweging een naar billijkheid te bepalen vergoeding toe".

   Artikel 8.25, eerste lid, onder a, voor zover hier van belang, luidt:

   "Het bevoegd gezag kan een vergunning voor een inrichting geheel of gedeeltelijk intrekken indien de inrichting ontoelaatbare nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt".

2.2.    Bij het besluit van 22 februari 2005 is appellante € 543.937,-- toegekend wegens de intrekking van de haar verleende vergunning, voor zover het de opslag en het bewerken van professioneel vuurwerk betreft.

2.3.    Appellante betoogt dat verweerder, door aan te nemen dat 20% van haar bedrijfsresultaat uit professioneel vuurwerk aan het bezigen van vuurwerk op locatie was toe te rekenen en daarom bij de vaststelling van de vergoeding niet in aanmerking dient te worden genomen, heeft miskend dat het bezigen van vuurwerk op locatie uit niet meer bestaat, dan het afsteken door vrijwilligers van in de inrichting samengestelde vuurwerkpakketten en die activiteit geen zelfstandige inkomsten opleverde. Zij verwijst verder naar twee volgens haar vergelijkbare gevallen, waarin bij de vaststelling van de vergoeding geen aftrek heeft plaatsgevonden in verband met het bezigen van vuurwerk op locatie. Door het toepassen van die aftrek is verweerder er volgens appellante ten onrechte vanuit gegaan dat haar resterende bedrijfsinkomsten uit de [locatie] te [plaats] hoger zijn dan het normbedrag, waaronder de hoogte van de vergoeding zou zijn gebaseerd op de aanname van gehele bedrijfsbeëindiging op die locatie.

2.3.1.    Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat - samengevat  weergegeven - de intrekking van de vergunning geen voor de toe te kennen vergoeding relevante gevolgen heeft gehad voor het voortzetten van het bezigen van vuurwerk op locatie door appellante en onaannemelijk is dat zij geen inkomsten uit deze activiteit genoot. Hij is er op grond van vergelijkbare  gevallen in de provincie Gelderland, waarin aangenomen is dat die activiteit  inkomsten opleverde, vanuit gegaan dat 20 % van het bedrijfsresultaat van appellante met professioneel vuurwerk aan het bezigen van vuurwerk op locatie was toe rekenen.

2.3.2.    Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat appellante haar stelling dat met het bezigen van vuurwerk op locatie geen zelfstandige inkomsten werden verworven niet aannemelijk heeft gemaakt. De boekhouding verschaft daarvoor onvoldoende inzicht in de afzonderlijke activiteiten van appellante. Ook anderszins heeft zij dat niet aannemelijk gemaakt. Hetgeen appellante over de inzet van vrijwilligers heeft verklaard, is onvoldoende om te oordelen dat verweerder moest aannemen dat het bezigen van vuurwerk op locatie een bedrijfsactiviteit was die geen invloed op het bedrijfsresultaat had. Het aftrekpercentage dat verweerder voorts aan de hand van de omstandigheden van dit geval in aanmerking genomen heeft voor die activiteit, is lager dan het percentage dat in andere gevallen in de branche is toegepast. Hetgeen appellante in beroep heeft aangevoerd leidt niet tot het oordeel dat verweerder daartoe in redelijkheid niet kon komen.  Uitgaande van dit aftrekpercentage, blijft het resterende inkomen van de vennoten boven het hiervoor bedoelde normbedrag. Het betoog van appellanten faalt.

2.4.    Appellante betoogt voorts dat aan de vergoeding ten onrechte de ontbindende voorwaarde is verbonden dat de opslag en bewerking van professioneel vuurwerk binnen 5 jaar na 1 maart 2003 op de [locatie] te [plaats], noch op enige andere locatie wordt hervat. Volgens haar strookt deze beperking van de uitoefening van haar bedrijfsactiviteiten niet met de Circulaire schadevergoeding.

2.4.1.    De hoogte van de vergoeding die is toegekend ter compensatie van het beëindigen van het bewerken en opslaan van professioneel vuurwerk als gevolg van de gedeeltelijke intrekking van de vergunning voor de [locatie] te [plaats] is gebaseerd op het te verwachten omzetverlies gedurende 5 jaar. De bestreden voorwaarde strekt er toe dat de toegekende vergoeding wordt teruggevorderd, indien die activiteiten binnen 5 jaar worden hervat of naar elders verplaatst, waardoor het omzetverlies zou kunnen worden beperkt. Zij houdt aldus geen verbod op die activiteiten in. Het aangevoerde geeft geen grond voor het oordeel dat verweerder deze voorwaarde niet in redelijkheid heeft kunnen stellen. Ook dit betoog faalt.

2.5.    Het beroep is ongegrond.

2.6.     Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. Th.G. Drupsteen en mr. T.M.A. Claessens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. drs. M.A.G.  Stolker, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb    w.g. Stolker

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2006

157.