Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY0355

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-07-2006
Datum publicatie
05-07-2006
Zaaknummer
200600169/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 september 2005, heeft het college van burgemeester en wethouders van Thorn (hierna: het college) het wijzigingsplan "1e herziening Stadsgezicht Thorn 2002 - plan Casino" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2006/8
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200600169/1.

Datum uitspraak: 5 juli 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend respectievelijk gevestigd te Thorn,

en

het college van gedeputeerde staten van Limburg,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 20 september 2005, heeft het college van burgemeester en wethouders van Thorn (hierna: het college) het wijzigingsplan "1e herziening Stadsgezicht Thorn 2002 - plan Casino" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 8 november 2005, no. 2005/50856, beslist over de goedkeuring van het wijzigingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 5 januari 2006, bij de Raad van State ingekomen op 6 januari 2006, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 3 februari 2006.

Bij brief van 8 maart 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Voor afloop van het vooronderzoek zijn reacties op het beroepschrift ontvangen van het college, appellanten en [partij], die als partij tot het geding is toegelaten. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 juni 2006, waar verweerder, vertegenwoordigd door mr. P.F. Winkels, ambtenaar van de provincie, is verschenen. Voorts zijn als partij gehoord het college, vertegenwoordigd door H.J.A. Delissen, ambtenaar van de gemeente, en [partij] in persoon en vertegenwoordigd door mr. I.J. Verbaan. Appellanten zijn niet verschenen.

2.    Overwegingen

Ontvankelijkheid

2.1.    [partij] stelt in zijn reactie dat de door appellanten ingediende beroepsgronden niet-ontvankelijk moeten worden verklaard, omdat zij bij het college geen zienswijzen hebben ingediend.

De Afdeling overweegt dat artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, noch enige andere wettelijke regeling vereist dat voorafgaand aan het beroep tegen een besluit tot goedkeuring van een wijzigingsplan zienswijzen worden ingediend bij het college. Het betoog van [partij] faalt derhalve.

Toetsingskader

2.2.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een wijzigingsplan. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, voor zover hier relevant, kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het plan kan worden gewijzigd binnen bij het plan te bepalen grenzen. Bij de beslissing omtrent goedkeuring van het wijzigingsplan dient verweerder te toetsen of aan de bij het bestemmingsplan gegeven wijzigingsvoorwaarden is voldaan. Ingevolge artikel 11, vierde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust daarnaast op verweerder de taak om te bezien of het plan binnen de bij het bestemmingsplan bepaalde grenzen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Tevens heeft verweerder erop toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan overigens niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Het plan

2.3.    Het plan betreft een wijziging van het bestemmingsplan "Stadsgezicht Thorn 2002" en voorziet in de bouw van een vrijstaande woning op het perceel [locatie] te Thorn.

Het standpunt van appellanten

2.4.    Appellanten stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Appellanten stellen dat ten onrechte geen archeologisch onderzoek heeft plaatsgevonden, nu in de planvoorschriften als wijzigingsvoorwaarde is gesteld dat uit een ingesteld bodemonderzoek is gebleken dat de bodem geschikt is voor het gebruik als woondoeleinden.

Voorts stellen zij dat ten onrechte toepassing is gegeven aan de wijzigings-bevoegdheid, omdat geen rekening is gehouden met hun bedrijfsbelangen. Zo is in het plan geen acht geslagen op de bestaande vergunningrechten krachtens de Wet milieubeheer van de paukenfabriek op het aangrenzende perceel [locatie 1]. Dat perceel is nog steeds in gebruik ten behoeve van de paukenfabriek, nu ter plaatse opslag van materialen en de stalling van voertuigen plaatsvindt. Voorts blijkt uit het plan niet of wordt voldaan aan de geluidsgrenswaarden. Appellanten wijzen in dit verband op het Besluit detailhandel en ambachts-bedrijven milieubeheer (hierna: Besluit Detam). Tevens dient volgens de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG-brochure) een afstand van zeker 100 meter tot de paukenfabriek (een categorie 3-bedrijf) in acht te worden genomen. Appellanten stellen dat mitsdien ter plaatse van de voorziene woning geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd.

Ten slotte stellen appellanten dat ten onrechte niet is onderzocht of eventuele plannen door de aanwezigheid van de voorziene woning worden belemmerd.

Het standpunt van verweerder

2.5.    Verweerder heeft geen reden gezien het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft het goedgekeurd.

Hij stelt dat het plan voldoet aan de wijzigingsvoorwaarden in artikel 2.03 van de voorschriften van het bestemmingsplan en dat deze geen betrekking hebben op een archeologisch onderzoek. Voorts stelt hij dat door een melding de milieuvergunning is komen te vervallen en dat de paukenfabriek sinds enige tijd elders is gevestigd. Tevens is door appellanten een bouwvergunning aangevraagd voor de vestiging van een supermarkt op het desbetreffende perceel.

Verder merkt verweerder op dat de omgeving van de gronden van appellanten is omringd door woningbouw, waarvan een bestaande woning op gelijke afstand tot de voormalige fabriek staat als de voorziene woning.

Vaststelling van de feiten

2.6.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.6.1.    Aan de in geding zijnde gronden is in het bestemmingsplan "Stadsgezicht Thorn 2002" de bestemming "Erf -E-" toegekend. Ingevolge artikel 2.03, eerste en tweede lid, van de voorschriften bij dat plan (hierna: de planvoorschriften), zijn de gronden aangewezen voor "Erf -E-" bestemd voor tuin en zijn op deze gronden uitsluitend toegelaten het bouwen van bijgebouwen en andere bouwwerken behorende bij eengezinshuizen en zakenpanden (…).

   Ingevolge artikel 2.03, zesde lid, van de planvoorschriften zijn burgemeester en wethouders bevoegd de bestemming "Erf -E-" te wijzigen in de bestemming "Woondoeleinden -W-", met dien verstande dat - voor zover van belang -:

   b.    uit een ingesteld bodemonderzoek is gebleken dat de bodem geschikt is voor het gebruik als woondoeleinden;

   e.    ten aanzien van het perceel [locatie] ten hoogste één woning mag worden gebouwd.

2.6.2.    Het college stelt in het besluit tot vaststelling van het plan dat het plan voldoet aan de bepalingen van het bestemmingsplan.

De plantoelichting vermeldt dat het plangebied is gelegen binnen de bebouwde kom en is aangewezen als zogenoemde 30 km-zone. Mitsdien is het gebied niet gezoneerd in de zin van de Wet geluidhinder en heeft er geen akoestisch onderzoek plaatsgevonden. Verder wordt gesteld dat het uitgevoerde bodemonderzoek geen belemmeringen bevat voor de woonfunctie.

2.6.3.    Appellanten zijn eigenaren van het perceel [locatie 1], waar zich het gebouw van de voorheen ter plaatse gevestigde paukenfabriek bevindt. De productietak van de paukenfabriek is inmiddels verplaatst naar een bedrijventerrein in de omgeving. Het fabrieksgebouw wordt gebruikt voor de opslag van materialen en de stalling van voertuigen ten behoeve van de paukenfabriek.

Appellanten beogen ter plaatse een supermarkt te vestigen en hebben daartoe een bouwvergunning aangevraagd.

De percelen in de directe omgeving van het plangebied zijn in het bestemmingsplan bestemd voor wonen (en detailhandel), tuin en verblijfsgebied (voetpaden, straten, wegen, terrassen en pleinen).

2.6.4.    De geluidsvoorschriften behorende bij de milieuvergunning gelden ingevolge artikel 7, eerste lid, van het Besluit Detam nog drie jaar na het tijdstip van het van toepassing worden van dit besluit.

Het oordeel van de Afdeling

2.7.    Met het bestaan van de door verweerder goedgekeurde wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan mag de aanvaardbaarheid van de nieuwe bestemming binnen het gebied waarop de wijzigingsbevoegdheid betrekking heeft in beginsel als een gegeven worden beschouwd, indien is voldaan aan de bij het bestemmingsplan gestelde wijzigingsvoorwaarden. Dit neemt echter niet weg dat het bij het vaststellen van een wijzigingsplan gaat om een bevoegdheid en niet om een plicht. Het feit dat aan de in een bestemmingsplan opgenomen wijzigingsvoorwaarden is voldaan, laat de plicht van verweerder onverlet om in de besluitvorming omtrent de goedkeuring van een wijzigingsplan na te gaan of uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening, gelet op de betrokken belangen, wijziging van de oorspronkelijke bestemming is gerechtvaardigd.

2.7.1.    Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het door appellanten bedoelde archeologisch onderzoek geen voorwaarde voor toepassing van de wijzigingsbevoegdheid betreft, nu op grond van de planvoorschriften slechts wordt vereist dat uit een ingesteld bodemonderzoek is gebleken dat de bodem geschikt is voor het gebruik als woondoeleinden.

2.7.2.    Wat betreft de stelling van appellanten dat onvoldoende rekening is gehouden met de paukenfabriek en de ten gevolge daarvan geldende voorschriften, overweegt de Afdeling dat bij de afweging van de belangen geen rekening behoefde te worden gehouden met de milieuvergunning van de paukenfabriek, de geluidsvoorschriften op grond van het Besluit Detam en de in de VNG-brochure genoemde aan te houden afstand vanwege een paukenfabriek, nu de productietak van de paukenfabriek is verplaatst naar een bedrijventerrein in de omgeving. Voorts is niet bestreden dat de verkoop en reparatie van muziekinstrumenten, waarvoor op 9 september 2003 een melding op grond van het Besluit Detam is gedaan, eveneens zijn verplaatst. De huidige tijdelijke opslag kan niet worden beschouwd als het in werking hebben van een paukenfabriek en heeft bovendien een beperktere ruimtelijke uitstraling dan een paukenfabriek. Tevens is de milieuvergunning van rechtswege vervallen.

   Voorts is gesteld noch gebleken dat het gebruik van de bebouwing voor een supermarkt, dan wel voor andere mogelijke toekomstige ontwikkelingen door de voorziene woning zal worden belemmerd. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het plangebied is gelegen in een reeds bestaand woongebied in de kern van Thorn en dat met het plan slechts één woning kan worden toegevoegd. Ook wordt door de bouw van de woning als voorzien in het plan de afstand van de bedrijfsbebouwing tot de dichtstbijzijnde woningen niet verkleind.

   Ten slotte ziet de Afdeling in hetgeen appellanten hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt had moeten stellen dat het plan leidt tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van de voorziene woning.

2.7.3.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan. Het beroep is ongegrond.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel    w.g. Soede

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2006

270-516.