Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY0350

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-07-2006
Datum publicatie
05-07-2006
Zaaknummer
200508929/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 januari 2005 heeft de gemeenteraad van Venhuizen (thans: Drechterland), op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 4 januari 2005, het bestemmingsplan "Buitengebied 2004" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200508929/1.

Datum uitspraak: 5 juli 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], waarvan de vennoten zijn [vennoot A], wonend te [woonplaats], en [vennoot B], wonend te [woonplaats], en [vennoot C] en [vennoot D], beiden wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 27 januari 2005 heeft de gemeenteraad van Venhuizen (thans: Drechterland), op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 4 januari 2005, het bestemmingsplan "Buitengebied 2004" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 13 september 2005, kenmerk 2005-8591, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 2 november 2005, bij de Raad van State ingekomen per faxbericht op dezelfde dag, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 1 december 2005.

Bij brief van 12 januari 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

[partijen] hebben te kennen gegeven als partij aan het geding te willen deelnemen. Zij zijn hiertoe op grond van artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in de gelegenheid gesteld.

Voor afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van [partijen] alsmede van het college van burgemeester en wethouders van Drechterland. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 juni 2006, waar appellanten, vertegenwoordigd door [vennoot A], [vennoot B] en mr. L.C.A.C. Hoogewerf, advocaat te Hoorn, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. F.W.J. van der Steen, advocaat te Den Haag, zijn verschenen. Voorts zijn als partij gehoord de gemeenteraad van Drechterland, vertegenwoordigd door H. Medema, ambtenaar van de gemeente, en [partijen], beiden in persoon.

2.    Overwegingen

Overgangsrecht

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

Toetsingskader

2.2.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Awb rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

   De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Het plan

2.3.    Het plan voorziet in een actuele planologische regeling voor het buitengebied van de voormalige gemeente Venhuizen.

Het standpunt van appellanten

2.4.    Appellanten stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan plandelen met de bestemmingen "Agrarische doeleinden" en "Bebouwing voor agrarische doeleinden (Aa)" voor de percelen [locatie 2] en [locatie 1]. Voorts stellen zij dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan artikel 9, tweede en vierde lid, van de planvoorschriften.

2.4.1.    Zij voeren daartoe aan dat het plan ten onrechte niet voorziet in de mogelijkheid ten behoeve van de bedrijfsvoering op de gronden ten westen en zuidwesten van de woning [locatie 1] een schuur te bouwen en booggaaskassen te plaatsen. Ten onrechte is volgens hen volstaan met een bebouwingsvak voor het perceel [locatie 2] en de woning [locatie 1]. In het vorige plan was het bebouwingsvak toegekend aan het perceel van appellanten. Ten onrechte heeft verweerder een groot belang toegekend aan de bouwvergunning voor een loods op het perceel [locatie 2]; deze vergunning is nog niet geëffectueerd. Verder wijzen appellanten erop dat de gemeenteraad bij de vaststelling van het plan wel heeft voorzien in wijziging van de bebouwingsvakken voor de percelen Westerkerkweg 78, Elbaweg 49, Wijmers 16A en Wijmers 17.

2.4.2.    Appellanten voeren voorts aan dat in de booggaaskassen op de huidige plaats ook kan worden voorzien door ter plaatse een bebouwingsvak toe te kennen dan wel artikel 9, tweede en vierde lid, van de planvoorschriften aan te passen. De vrees van de gemeenteraad voor precedentwerking achten zij ongegrond. Gelet op uitlatingen van een medewerker van de gemeente en het feit dat niet handhavend is opgetreden tegen de kassen zijn zij van mening dat zij erop mogen vertrouwen dat de booggaaskassen ter plaatse kunnen blijven staan.

Het standpunt van verweerder

2.5.    Verweerder heeft geen reden gezien de plandelen en het planvoorschrift in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft hieraan goedkeuring verleend. Het aan het plan ten grondslag gelegde beleid inzake concentratiegebieden acht hij in overeenstemming met het streekplan. De aanwezigheid van een woning betekent volgens hem niet dat daarbij dan ook een afzonderlijk bebouwingsvak voor agrarische bedrijfsbebouwing hoort. Wat betreft de in 2002 en 2003 geplaatste booggaaskassen stelt hij zich op het standpunt dat van verworven rechten geen sprake is, nu daarvoor geen bouwvergunning is verleend.

Vaststelling van de feiten

2.6.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.6.1.    De woning [locatie 1] wordt bewoond door [vennoot C] en [vennoot D]. Deze woning bevindt zich binnen het plandeel met de bestemming "Bebouwing voor agrarische doeleinden (Aa)". De aldus bestemde gronden hebben een oppervlakte van één hectare waarvan de woning met bijbehorende gronden ter grootte van 500 m² deel uitmaakt. De overige gronden met deze bestemming, nader aangeduid als [locatie 2], zijn in gebruik bij het fruitteeltbedrijf van [partijen].

   Aan de plandelen die zien op gronden ten westen en zuidwesten van de woning is de bestemming "Agrarische doeleinden" toegekend. Op deze gronden bevinden zich twee booggaaskassen.

   De bedrijfsvoering van [appellanten] ziet op het veredelen van tulpensoorten. Deze activiteiten zijn in 1994 hobbymatig gestart. Het bedrijf is op 1 januari 2003 opgericht.

2.6.2.    Ingevolge artikel 8, eerste lid, onder a, sub 1, van de planvoorschriften zijn de gronden met de bestemming "Bebouwing voor agrarische doeleinden (Aa)" met inachtneming van artikel 4, artikel 35 ("Beschermingszone waterkering") en artikel 36 ("Bescherming cultuurhistorische waarden") bestemd voor de uitoefening van reële en volwaardige agrarische bedrijven met de daarbij behorende bouwwerken, waaronder (agrarische) bedrijfswoningen en (agrarische) bedrijfsgebouwen.

   Ingevolge artikel 8, tweede lid, onder b, van de planvoorschriften mag per bebouwingsvak ten hoogste één agrarische bedrijfswoning worden gebouwd, tenzij anders op de kaart staat aangegeven.

   Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de gronden met de bestemming "Agrarische doeleinden" met inachtneming van artikel 4, artikel 35 ("Beschermingszone waterkering") en artikel 36 ("Bescherming cultuurhistorische waarden") bestemd voor de uitoefening van reële en volwaardige agrarische bedrijven met de daarbij behorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en open terreinen.

   Ingevolge artikel 9, tweede lid, onder a, van de planvoorschriften is het plaatsen of geplaatst hebben van boog- en gaaskassen toegestaan:

1. voor zover de gronden zijn gelegen binnen het concentratiegebied gedurende zes aaneengesloten maanden per kalenderjaar;

2. voor zover de gronden zijn gelegen buiten het concentratiegebied gedurende zes aaneengesloten maanden per kalenderjaar op een afstand niet groter dan 300 meter gemeten vanaf de hoofdvestiging;

3. […].

   Ingevolge artikel 9, vierde lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften kan het college van burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het tweede lid, onder a, sub 1 en 2, voor het gedurende acht aaneengesloten maanden geplaatst houden van boog- en gaaskassen, mits de economische noodzaak hiertoe door een bedrijfsplan is aangetoond.

   Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder t, van de planvoorschriften wordt onder concentratiegebied verstaan het op de kaart aangegeven gebied waarbinnen voor de agrarische bedrijfsontwikkeling extra ruimte wordt gegeven bestaande uit de mogelijkheid voor nieuwvestiging van agrarische bedrijven en op sommige onderdelen ruimere bebouwingsmogelijkheden voor agrarische bedrijven.

2.6.3.    De plandelen bevinden zich niet in een gebied dat is aangeduid als concentratiegebied.

2.6.4.    In de plantoelichting is vermeld dat in het bestemmingsplan "Landelijk gebied 1983, eerste herziening" uit 1993 een richting is ingeslagen met het aangeven van concentratiegebieden voor de nieuwvestiging dan wel wijziging in/van verschillende agrarische bedrijfstypen. Daarvoor is een gebied, globaal gelegen ten oosten van de Meeweg en ten noorden van de Leekerweg, aangegeven. Daarbij zijn de vestigingsmogelijkheden in de andere gebieden geschrapt. Bij het aanwijzen van de concentratiegebieden heeft het landschappelijke aspect een belangrijke rol gespeeld. Het toentertijd ingezette beleid wordt in het voorliggende bestemmingsplan in beginsel voortgezet.

   Het verwezenlijken van gaaskassen/-schermen is volgens de plantoelichting van invloed op de openheid van het gebied, waardoor een nadere regeling gewenst is. In het concentratiegebied voor agrarische bedrijven is een nadere regeling voor boog- en gaaskassen niet nodig. Deze bedrijfsactiviteit is tijdelijk en ondergeschikt aan het intensievere gebruik van het gebied. Buiten het concentratiegebied speelt het belang van de openheid van het gebied een grote rol. Ook in dit gebied zijn boog- en gaaskassen toegestaan met de restrictie dat deze niet op een grotere afstand dan 300 meter gemeten vanaf de hoofdvestiging mogen worden verwezenlijkt. Buiten het teeltseizoen zijn boog- en gaaskassen hier niet toegestaan.

2.6.5.    In het streekplan Ontwikkelingsbeeld Noord-Holland Noord van 25 oktober 2004 zijn grote delen van het buitengebied van de voormalige gemeente Venhuizen aangewezen als uitsluitingsgebied vanwege de aanwezigheid van stiltegebieden en de provinciale ecologische hoofdstructuur. Alleen rond de kernen Hem en Venhuizen is het buitengebied als zoekgebied aangeduid. In uitsluitingsgebieden is het beleid van het provinciebestuur gericht op het behoud van het landelijke gebied en de versterking van de aanwezige waarden van natuur en landschap. De in het bestemmingsplan aangegeven concentratiegebieden liggen in de zoekgebieden rond Hem en Venhuizen.

2.6.6.    In het vorige bestemmingsplan was aan de percelen [locatie 2] en [locatie 1] een agrarisch bouwperceel toegekend op dezelfde plaats als in het thans voorliggende plan.

2.6.7.    Bij besluit van 29 april 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van de voormalige gemeente Venhuizen aan [een der partijen] bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een loods op het perceel [locatie 2].

Het oordeel van de Afdeling

2.6.8.    De Afdeling acht het gemeentelijke en provinciale beleid voor zover dat ziet op het behoud van de openheid van het landschap en de aanwijzing van gebieden waar agrarische bedrijfsontwikkelingen mogelijk kunnen worden geacht, niet onredelijk. Evenmin acht zij onredelijk de aan het bestemmingsplan ten grondslag gelegde systematiek om bestaande volwaardige agrarische bedrijven buiten een concentratiegebied een bebouwingsvak van in beginsel één hectare te bieden met daarbij de mogelijkheid van de bouw van in beginsel één bedrijfswoning.

   Een verruiming in westelijke richting van het in het plan neergelegde bebouwingsvak ter plaatse van de percelen [locatie 2] en [locatie 1] zou leiden tot een bebouwingsvak groter dan één hectare en daarmee tot ruimere bebouwingsmogelijkheden. Dit zou bovendien neerkomen op een nieuwvestiging van een agrarisch bedrijf buiten een concentratiegebied. Verweerder heeft zich in dat verband in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het tulpenveredelingsbedrijf in planologisch opzicht niet als een bestaand bedrijf kan worden aangemerkt. Hij heeft daarbij kunnen betrekken dat, gelet op de ontstaansgeschiedenis, de woning [locatie 1] in planologisch opzicht gerelateerd dient te worden aan het agrarische gebruik van het perceel [locatie 2]. Dit was ook het uitgangspunt van het vorige bestemmingsplan. Daarbij heeft verweerder ook rekening kunnen houden met de rechten die [een der partijen] kan ontlenen aan de bouwvergunning voor een loods op dat perceel. Dat deze vergunning niet direct is geëffectueerd doet daar niet aan af. Verweerder heeft voorts in redelijkheid kunnen stellen dat de juridische afsplitsing van de woning [locatie 1] geen zelfstandige aanspraak op agrarische bebouwingsmogelijkheden geeft. Verweerder heeft de verruiming van het bebouwingsvak in westelijke richting dan ook terecht in strijd geacht met het vorenbedoelde beleid en de bestemmingsplansystematiek.

   Een verschuiving van het bebouwingsvak in westelijke richting met behoud van de oppervlakte van één hectare zou leiden tot een verkleining van het bebouwingsvak voor de gronden van [partijen]. Ter zitting hebben appellanten aangegeven dit niet met hun beroep te beogen. Overigens heeft verweerder ook deze mogelijkheid terecht in strijd geacht met het gemeentelijke en provinciale beleid en de aan het bestemmingsplan ten grondslag gelegde systematiek om de reden dat ook daarmee sprake is van nieuwvestiging van een agrarisch bedrijf buiten een concentratiegebied.

   Voor zover appellanten subsidiair stellen dat het plan ter plaatse van beide booggaaskassen in een bebouwingsvak zou moeten voorzien dan wel dat artikel 9, tweede en vierde lid, van de planvoorschriften dienovereenkomstig zou moeten worden aangepast heeft verweerder zich met de gemeenteraad terecht op het standpunt gesteld dat ook deze mogelijkheden om eerder genoemde redenen in strijd zijn met het gemeentelijke en provinciale beleid. Daarbij komt nog dat een algemene aanpassing van een planvoorschrift ertoe zou kunnen leiden dat ook elders in het plangebied buiten concentratiegebieden en bebouwingsvakken tot al dan niet permanente plaatsing van booggaaskassen zal kunnen worden overgegaan.

2.6.9.    In hetgeen appellanten voor het overige hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder in redelijkheid aanleiding had moeten zien van het vorenbedoelde beleid en de bestemmingsplansystematiek af te wijken.

   Wat betreft het beroep op het vertrouwensbeginsel overweegt zij dat in het algemeen geen rechten kunnen worden ontleend aan toezeggingen die zijn gedaan of informatie die is gegeven door niet terzake beslissingsbevoegden. De bevoegdheid tot het vaststellen van een bestemmingsplan berust niet bij ambtenaren, maar bij de gemeenteraad. De gemeenteraad heeft bij het ontbreken van een aan hem toe te rekenen toezegging of mededeling, dan ook niet om deze reden in strijd met het vertrouwensbeginsel besloten.

   Ook aan de omstandigheid dat niet direct na plaatsing van de booggaaskassen tot handhaving daarvan is overgegaan, kunnen appellanten niet het vertrouwen ontlenen dat het plan in een dienovereenkomstige bouwmogelijkheid zou moeten voorzien. Ook het gegeven dat een beslissing omtrent handhaving in verband met de bestemmingsplanprocedure is aangehouden, kan niet leiden tot het oordeel dat het plan ter plaatse van de booggaaskassen in een bouwmogelijkheid moest voorzien. Overigens is gebleken dat inmiddels wel wordt gehandhaafd.

   Ten aanzien van de door appellanten gemaakte vergelijking met planregeling voor de percelen Westerkerkweg 78, Elbaweg 49, Wijmers 16A en Wijmers 17 overweegt de Afdeling dat niet is gebleken dat die situaties zodanig overeenkomen met de thans aan de orde zijnde situatie, dat verweerder om deze reden niet heeft mogen instemmen met het plan. In het geval van appellanten moet worden uitgegaan van nieuwvestiging terwijl het in de door appellanten genoemde gevallen gaat om bestaande bedrijven die in één hand zijn en het bebouwingsvak al voor de bedrijfsvoering gebruiken.

2.6.10.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

   In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan de plandelen en het planvoorschrift.

   Het beroep is ongegrond.

Proceskostenveroordeling

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, Voorzitter, en mr. A. Kosto en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Bechinka, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Ettekoven    w.g. Bechinka

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2006

371.