Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY0348

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-07-2006
Datum publicatie
05-07-2006
Zaaknummer
200506714/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluiten van 28 februari 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (hierna: het college) onder anderen appellant op grond van artikel 14, eerste lid van de Woningwet, aangeschreven tot het treffen van de voorzieningen, zoals genoemd in de bijlage I bij deze brieven, aan de panden Celsiusstraat 121 en 121 t/m 127. Daarbij heeft het college aangezegd dat indien de noodzakelijke voorzieningen niet op de gestelde datum zijn getroffen deze met toepassing van bestuursdwang door de gemeente zullen worden getroffen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200506714/1.

Datum uitspraak: 5 juli 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nos. AWB 04/3544 en 04/3545 van de rechtbank 's-Gravenhage van 24 juni 2005 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.

1.    Procesverloop

Bij besluiten van 28 februari 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (hierna: het college) onder anderen appellant op grond van artikel 14, eerste lid van de Woningwet, aangeschreven tot het treffen van de voorzieningen, zoals genoemd in de bijlage I bij deze brieven, aan de panden Celsiusstraat 121 en 121 t/m 127. Daarbij heeft het college aangezegd dat indien de noodzakelijke voorzieningen niet op de gestelde datum zijn getroffen deze met toepassing van bestuursdwang door de gemeente zullen worden getroffen.

Bij besluit van 3 maart 2003 heeft het college appellant op grond van artikel 14, eerste lid van de Woningwet, aangeschreven tot het treffen van de voorzieningen, zoals genoemd in de bijlage I bij deze brief, aan de panden Celsiusstraat 113 t/m 119. Daarbij heeft het college aangezegd dat indien de noodzakelijke voorzieningen niet op de gestelde datum zijn getroffen deze met toepassing van bestuursdwang door de gemeente zullen worden getroffen.

Bij besluiten van 20 juli 2004 heeft het college het tegen de besluiten van 28 februari 2003 en 3 maart 2003 door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 juni 2005, verzonden op 27 juni 2005, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) de daartegen door appellant ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 1 augustus 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 20 september 2005 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 april 2006, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. S. Jankie, advocaat te Den Haag, en het college, vertegenwoordigd door mr. P.M. Meerman, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Woningwet, worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur uit het oogpunt van veiligheid, gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en milieu technische voorschriften gegeven omtrent het bouwen van woningen, woonketen, woonwagens en andere gebouwen.

    Ingevolge artikel 2, tweede lid, worden voorts bij of krachtens de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur uit het oogpunt van veiligheid, gezondheid en bruikbaarheid voorschriften gegeven omtrent de staat van bestaande woningen, woonketen en woonwagens en van bestaande andere gebouwen.

    Ingevolge artikel 14, eerste lid, voorzover thans van belang, schrijft het college, indien een woning wegens strijd met de in artikel 2, eerste lid, bedoelde voorschriften of uit anderen hoofde noodzakelijke voorzieningen behoeft dan wel wegens strijd met de in artikel 2, tweede lid, bedoelde voorschriften voorzieningen behoeft, degene die als eigenaar of uit anderen hoofde tot het treffen van de voorzieningen bevoegd is, aan binnen een door hem te bepalen termijn de door hem aan te geven voorzieningen te treffen.

2.2.    De rechtbank heeft terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de in geding zijnde woningen wegens strijd met de in artikel 2, tweede lid, van de Woningwet bedoelde voorschriften voorzieningen behoefden waardoor het college op grond van artikel 14, eerste lid, van de Woningwet verplicht was appellant aan te schrijven om de vereiste voorzieningen te treffen. Daarbij heeft het college ingevolge artikel 26 van de Woningwet bij de aanschrijving kunnen aanzeggen dat indien de noodzakelijke voorzieningen niet op de gestelde datum zijn getroffen deze met toepassing van bestuursdwang door de gemeente zullen worden getroffen.

    Anders dan appellant betoogt kan aan de verplichting van het college om appellant aan te schrijven om de vereiste voorzieningen te treffen niet afdoen dat de woningen zijn gelegen in een renovatiegebied en dat door appellant is voldaan aan de subsidievoorwaarden zoals die zijn gesteld door de gemeente Den Haag (hierna: de gemeente), nu daarmee de strijdigheid met de in artikel 2, tweede lid, van de Woningwet bedoelde voorschriften niet is weggenomen.

   Derhalve was het college bevoegd om handhavend op te treden op de wijze waarop het dit heeft gedaan.

2.3.    Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.4.    Het betoog van appellant, samengevat weergegeven, dat het college niet tot handhavend optreden mocht overgaan omdat hij reeds geruime tijd met Woningbeheer in onderhandeling was over het uitvoeren van de renovatiewerkzaamheden, hetgeen vertragingen opliep door conflicten van Woningbeheer met de aannemer en het architectenbureau en dat hij tijdig de subsidieaanvragen heeft ingediend, kan niet slagen. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen heeft appellant gedurende enkele jaren de tijd gehad om in eigen beheer het noodzakelijke onderhoud aan de woningen te plegen. Reeds in 2000 is appellant erop gewezen dat het gebied waarin de woningen zijn gelegen is aangewezen voor woningonderhoud. Niet in geschil is dat door de gemeente fouten zijn gemaakt bij de behandeling van de door de Vereniging Van Eigenaren op 31 oktober 2001 ingediende subsidieaanvraag, maar appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat die de oorzaak zijn geweest van het niet tijdig treffen van de voorzieningen. Bij brieven van 10 februari 2003 en 12 februari 2003 is appellant, die tot dan toe niet had geparticipeerd in de door Woningbeheer te treffen voorzieningen, formeel in de gelegenheid gesteld het onderhoud alsnog op vrijwillige basis uit te voeren alvorens het college tot aanschrijving en aanzegging van bestuursdwang zou overgaan. Bij brief van 25 februari 2003 heeft de architect de plannen en de uiteindelijke subsidieaanvraag doorgestuurd naar de gemeente. De subsidie is alsnog aan appellant toegekend en voorts is het college aan appellant tegemoet gekomen door niet de kosten voor bestuursdwang in rekening te brengen. Dat neemt echter niet weg dat het college appellant heeft kunnen en moeten aanschrijven tot het treffen van de voorzieningen die na ommekomst van de gestelde termijn nog niet door appellant getroffen waren.

2.5.    De rechtbank heeft, anders dan appellant betoogt, terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het feit dat de aanschrijvingen tot gevolg hebben gehad dat de hypotheekaanvraag van appellant ter financiering van de renovatiewerkzaamheden door zijn hypotheekbank niet zijn gehonoreerd moet worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid op grond waarvan het college niet tot handhavend optreden mocht overgaan, nu het college daarmee niet bij voorbaat rekening hoefde te houden en appellant dit gevolg zelf had kunnen voorkomen door tijdig aan zijn verplichtingen te voldoen.

2.6.    Gelet op het vorenstaande is geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 21, derde lid, van de Woningwet, waarin de gemeente is gehouden tot toekenning van schadevergoeding.

2.7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, Voorzitter, en mr. W. van den Brink en mr. T.M.A. Claessens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. Scholten-Hinloopen    w.g. Lodder

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2006

17-444.