Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY0344

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-07-2006
Datum publicatie
05-07-2006
Zaaknummer
200507929/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 augustus 2004 heeft het dagelijks bestuur van het waterschap De Dommel (hierna: het dagelijks bestuur) aan appellant onder oplegging van een dwangsom gelast een hekwerk, beplanting en een slagboom te verwijderen.

Wetsverwijzingen
Waterschapswet
Waterschapswet 61
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 5:32
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2006, 260 met annotatie van A. van Hall
JOM 2009/216
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200507929/1.

Datum uitspraak: 5 juli 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/60 van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 29 juli 2005 in het geding tussen:

appellant

en

het dagelijks bestuur van het waterschap De Dommel.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 11 augustus 2004 heeft het dagelijks bestuur van het waterschap De Dommel (hierna: het dagelijks bestuur) aan appellant onder oplegging van een dwangsom gelast een hekwerk, beplanting en een slagboom te verwijderen.

Bij besluit van 3 december 2004 heeft het dagelijks bestuur het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 29 juli 2005, verzonden op 1 augustus 2005, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 9 september 2005, bij de Raad van State ingekomen op 12 september 2005, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 7 oktober 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 1 november 2005 heeft het dagelijks bestuur van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 mei 2006, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. P.L.J.M. van Dun, advocaat te Tilburg, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. B.N. Heuer en ing. J.H.T. van der Helm, ambtenaren van het waterschap, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 61, eerste lid, van de Waterschapswet is het waterschapsbestuur bevoegd tot toepassing van bestuursdwang.

   Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt de bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang uitgeoefend door het dagelijks bestuur, indien toepassing van bestuursdwang dient tot handhaving van regels welke het waterschapsbestuur uitvoert.

   Ingevolge artikel 5:32 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kan een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

   Ingevolge artikel 12, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Keur oppervlaktewateren 1998 van het waterschap De Dommel (hierna: de Keur), voor zover hier van belang, is het verboden om binnen een afstand van vier meter uit de insteek van legger-wateren hekwerken, afrasteringen en andere bouwconstructies, inrichtingen of voorwerpen te hebben, te bouwen, te plaatsen of aan te leggen en bomen, heesters of struiken te hebben of te planten.

2.2.    Bij besluit van 3 december 2004 heeft het dagelijks bestuur zijn besluit van 11 augustus 2004 tot oplegging van een last onder dwangsom gehandhaafd. De last strekt tot verwijdering van een hekwerk, beplanting en een slagboom, die zijn aangebracht langs legger-watergang RS 203. Het dagelijks bestuur heeft de last gebaseerd op overtreding van het bepaalde in artikel 12, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Keur.

2.3.    Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat genoemde bepaling uit de Keur niet onverbindend is. Zijns inziens heeft de rechtbank miskend dat de bepaling een onevenredig zware inbreuk op zijn eigendomsrecht inhoudt.

2.4.    Dit betoog faalt. Ingevolge artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM) kunnen beperkingen worden aangebracht ten aanzien van het recht op ongestoord genot van eigendom. Deze bepaling laat de toepassing van wetten die noodzakelijk kunnen worden geacht om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang onverlet. De beperkingen in het gebruik die voortvloeien uit het bepaalde in artikel 12 van de Keur zijn gesteld in het algemeen belang en houden beperkingen in als bedoeld in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. De rechtbank heeft zulks terecht ook overwogen. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het met het oog op het kunnen verrichten van onderhoud aan een watergang vrijhouden van een strook van vier meter uit de insteek van die watergang niet onevenredig zwaar te achten is. Dat deze alleen tezamen met een regeling omtrent schadeloosstelling toegelaten zou zijn, zoals appellant heeft betoogd, valt dan ook niet in te zien. Van betekenis is in dat verband dat de Keur aan het dagelijks bestuur de bevoegdheid geeft om van het bepaalde in artikel 12 ontheffing te verlenen. De rechtbank heeft de bepaling terecht verbindend geacht.

2.5.    Vast staat dat is gehandeld in strijd met artikel 12, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Keur, zodat het dagelijks bestuur bevoegd was terzake handhavend op te treden.

   Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.    

2.6.    Aan appellant is niet met toepassing van artikel 16 van de Keur ontheffing verleend van het in artikel 12 neergelegde verbod. Voorts heeft het dagelijks bestuur zich op het standpunt gesteld dat het verlenen van een ontheffing alleen mogelijk is, indien hetgeen is aangebracht geen belemmering vormt voor het plegen van onderhoud. Daarvan is, aldus het dagelijks bestuur, hier geen sprake. Op voorhand kan dit standpunt niet onjuist worden geacht, zodat ook niet kan worden gesproken van een situatie waarbij concreet uitzicht bestaat op legalisatie.

2.7.    Anders dan appellant betoogt, vloeit uit de omstandigheid dat onderhoud slechts éénmaal per jaar hoeft te geschieden, niet voort dat handhavend optreden onevenredig zou zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen. Het dagelijks bestuur heeft zich in dit verband op het standpunt kunnen stellen dat het onderhoud in alle omstandigheden, dus ook bij onvoorziene omstandigheden en calamiteiten, moet kunnen worden uitgevoerd en dat ook groot onderhoud met daarbij passend onderhoudsmaterieel moet kunnen worden ingezet. Ook anderszins kan, anders dan appellant stelt, niet worden geoordeeld dat het handhavend optreden onevenredig zou zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen.

2.8.    Voorts betoogt appellant tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel heeft verworpen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het door appellant genoemde geval niet met zijn situatie op één lijn is te stellen. Ter zitting is komen vast te staan dat er in het door appellant genoemde geval voldoende ruimte is om het maaisel en de specie te deponeren en dat langs het hekwerk geen beplanting aanwezig is, waardoor het zicht op de watergang tijdens het maaien niet belemmerd wordt, zodat het onderhoud daar op de gebruikelijke wijze kan plaatsvinden. Met de rechtbank is de Afdeling dan ook van oordeel dat er geen sprake is van gelijke gevallen.

2.9.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek    w.g. Bindels

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2006

85-515.