Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY0338

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-07-2006
Datum publicatie
05-07-2006
Zaaknummer
200600453/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 oktober 2004 heeft appellant sub 1 (hierna: het college) geweigerd aan [wederpartij A] vrijstelling te verlenen voor het gebruik als architectenbureau van een deel van een nog te bouwen woning op het perceel, kadastraal bekend gemeente Amersfoort, sectie […], nummer […], gelegen aan de Elgarstraat te Amersfoort, kavelnummer […] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200600453/1.

Datum uitspraak: 5 juli 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1.    het college van burgemeester en wethouders van Amersfoort,

2.    [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. SBR 05/453 van de rechtbank Utrecht van 30 november 2005 in het geding tussen:

[wederpartij A] en [wederpartij B], wonend te [woonplaats]

en

appellant sub1.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 12 oktober 2004 heeft appellant sub 1 (hierna: het college) geweigerd aan [wederpartij A] vrijstelling te verlenen voor het gebruik als architectenbureau van een deel van een nog te bouwen woning op het perceel, kadastraal bekend gemeente Amersfoort, sectie […], nummer […], gelegen aan de Elgarstraat te Amersfoort, kavelnummer […] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 18 januari 2005 heeft het college het daartegen door [wederpartij A] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 30 november 2005, verzonden op 7 december 2005, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen door [wederpartij A] en [wederpartij B] (hierna: [wederpartijen]) ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd, het bezwaar alsnog gegrond verklaard, het besluit van het college van 12 oktober 2004 herroepen en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van de bestreden beslissing op bezwaar.

Tegen deze uitspraak hebben het college bij brief van 12 januari 2006, bij de Raad van State ingekomen op 16 januari 2006, en appellant sub 2 bij brief van 13 januari 2006, bij de Raad van State ingekomen op 16 januari 2006, hoger beroep ingesteld. Het college heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brief van 21 januari 2006. Appellant sub 2 heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brief van 14 februari 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 14 maart 2006 heeft [wederpartijen] een reactie ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ingediend door [wederpartijen]. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 mei 2006, waar het college, vertegenwoordigd door mr. T.P. Grünbauer, ambtenaar van de gemeente en appellant sub 2, in persoon, bijgestaan door mr. A. Vinkenborg,  zijn verschenen.

Voorts zijn als partij gehoord [wederpartijen], beiden in persoon verschenen, bijgestaan door mr. H.A. Samuels Brusse-van der Linden, advocaat te Utrecht.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen.

   Ingevolge artikel 20, eerste lid, aanhef en onder e, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (hierna: Bro), komt voor de toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO in aanmerking een wijziging in het gebruik van opstallen in de bebouwde kom, mits het aantal woningen gelijk blijft en het gebruik niet meer omvat dan een bruto-vloeroppervlakte van 1500 m².

2.2.    Op grond van het geldende bestemmingsplan "Plan van uitbreiding voor Randenbroek" is de bouw van woningen ter plaatse niet toegestaan. Op 4 mei 2004 heeft het college met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling verleend voor de bouw van in totaal negen woningen verdeeld over verschillende kavels. In artikel B, onder 6, van de voorschriften behorende bij dit vrijstellingsbesluit is, voor zover thans van belang, het volgende opgenomen:

"Burgemeester en wethouders zijn bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in lid 1, voor het toestaan van een aan een woning gebonden beroep of bedrijf in een woning en de daarbij behorende aan- en uitbouwen en bijgebouwen met dien verstande dat:

a. onder een aan huis gebonden beroep wordt verstaan een beroep of bedrijf, dat door de bewoner in een woning wordt uitgeoefend en dat is gericht op het verlenen van diensten en/of het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie verenigbaar is;

b. de bebouwde oppervlakte van de woning en de daarbij behorende aan- en uitbouwen en bijgebouwen, die voor het beroep of bedrijf wordt benut, maximaal 75 m² bedraagt;

c. het gebruik geen nadelige invloed heeft op de normale afwikkeling van het verkeer en geen onevenredige toename van de parkeerbehoefte veroorzaakt."

2.3.    De Afdeling stelt voorop dat de toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO is vereist om de door [wederpartijen] gewenste gebruiksmogelijkheid van de met een inmiddels onherroepelijke vrijstelling op te richten woning te kunnen realiseren. De Afdeling overweegt voorts dat de door het college bij het vrijstellingsbesluit van 4 mei 2004 vastgestelde voorschriften als beleid in de zin van artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) ter zake van de bevoegdheid tot toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO juncto artikel 20 van het Bro dienen te worden aangemerkt.

2.4.    Het betoog van het college dat het aan het bestreden besluit tevens de voorschriften van het "Facet-bestemmingsplan Gebruiksbepalingen en Seksinrichtingen" ten grondslag heeft gelegd, heeft het ter zitting ingetrokken, zodat dit betoog geen verdere bespreking behoeft.

2.5.    Appellanten komen op tegen het oordeel van de rechtbank dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat vrijstelling niet kan worden verleend nu bij het architectenbureau naast de bewoners van de woning ook twee tot drie andere personen werkzaam zullen zijn. Partijen houdt aldus verdeeld de vraag of de zinsnede "door de bewoner" als bedoeld in artikel B, onder 6, sub a, van genoemde beleidsvoorschriften met zich brengt dat het in dienst nemen van werknemers in beginsel aan het verlenen van vrijstelling in de weg staat.

2.5.1.     Anders dan de rechtbank beantwoordt de Afdeling deze vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

Uitgangspunt van het door het college voorgestane planologische beleid is, naar uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken, dat percelen die bestemd zijn voor woondoeleinden hun woonfunctie moeten blijven behouden en dat dit ook heeft te gelden voor de onderhavige situatie, waarin door middel van de verleende vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO woningen worden gerealiseerd. Met het onderhavige voorschrift wordt weliswaar beoogd een uitzondering op dit beleid te maken, maar dit dan slechts in beperkte mate teneinde te voorkomen dat het woonklimaat in een straat of een wijk wijzigt ten gevolge van het steeds toestaan dat in een woning een beroep of bedrijf met meerdere personeelsleden wordt uitgeoefend. Dat het college aan de toegestane uitzondering een restrictieve uitleg geeft, in die zin dat uitsluitend door de bewoner ter plaatse een beroep of bedrijf mag worden uitgeoefend, acht de Afdeling in het licht van het door het college voorgestane beleid en ter voorkoming van ongewenste precedentwerking niet onjuist of onredelijk.

De enkele omstandigheid dat in het voorschrift niet ook het woord "uitsluitend" is opgenomen, is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen.

2.6.    De hoger beroepen zijn gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het bij de rechtbank door [wederpartijen] ingestelde beroep alsnog ongegrond verklaren, nu hetgeen overigens door [wederpartijen] in beroep is aangevoerd niet de conclusie wettigt dat het college bijzondere omstandigheden aanwezig had moeten achten om in afwijking van artikel B, onder 6, sub a, van de beleidsvoorschriften als hiervoor uitgelegd, niettemin vrijstelling te verlenen.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

2.8.    Redelijke toepassing van artikel 43, eerste lid, van de Wet op de Raad van State brengt met zich dat het door appellant sub 2 betaalde griffierecht door de Secretaris van de Raad van State aan hem wordt terugbetaald.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart de hoger beroepen gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 30 november 2005, SBR 05/453;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

IV.    bepaalt dat de Secretaris van de Raad van State het door appellant sub 2 voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 207,00 (zegge: tweehonderdzeven euro) terugbetaald.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak    w.g. Steinebach-de Wit

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2006

328-444.