Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY0333

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-07-2006
Datum publicatie
05-07-2006
Zaaknummer
200508877/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 oktober 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (hierna: het college) geweigerd appellant in te schrijven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens van Rotterdam.

Wetsverwijzingen
Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens
Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens 26
Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens 65
Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens 77
Wet op de identificatieplicht
Wet op de identificatieplicht 1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module GBA 2006/609
JB 2006/249
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200508877/1.

Datum uitspraak: 5 juli 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. 05/1906 van de rechtbank Rotterdam van 9 september 2005 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 21 oktober 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (hierna: het college) geweigerd appellant in te schrijven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens van Rotterdam.

Bij besluit van 30 maart 2005 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 september 2005, verzonden op 12 september 2006, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 24 oktober 2005, bij de Raad van State ingekomen op 25 oktober 2005, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 21 november 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 14 december 2005 heeft het college van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 mei 2006, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. drs. M.J.G. Schroeder, en het college, vertegenwoordigd door C.P. van Dis, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 26, eerste lid, van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna: de Wet GBA) wordt op grond van zijn aangifte van verblijf en adres degene die niet in een basisadministratie is ingeschreven, naar redelijke verwachting gedurende een half jaar ten minste twee derden van de tijd in Nederland verblijf zal houden en:

a. de Nederlandse nationaliteit bezit,

b. op grond van een wettelijke bepaling als Nederlander wordt behandeld, of

c. vreemdeling is en rechtmatig verblijf geniet als bedoeld in artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000,

ingeschreven in de basisadministratie van de gemeente waar hij zijn adres heeft.

   Ingevolge artikel 26, derde lid, van de Wet GBA geschiedt inschrijving niet dan nadat de identiteit van de betrokkene deugdelijk is vastgesteld.

   Ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Wet GBA is degene die naar redelijke verwachting gedurende een half jaar ten minste twee derden van de tijd in Nederland verblijf zal houden, verplicht zich binnen vijf dagen na de aanvang van zijn verblijf in persoon te melden bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar hij zijn woonadres heeft om daarbij schriftelijk aangifte van verblijf en adres te doen. Indien hij geen woonadres heeft, is hij verplicht een briefadres te  kiezen en dient hij zich binnen de gestelde termijn te melden bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar hij zijn briefadres heeft om de bedoelde aangifte te doen.

   Ingevolge artikel 77, eerste lid, van de Wet GBA is degene die ingevolge deze afdeling in persoon verschijnt bij het college van burgemeester en wethouders, verplicht desgevraagd met het oog op de vaststelling van zijn identiteit een op hem betrekking hebbend document over te leggen als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.

   Ingevolge artikel 1, aanhef en onder 2e, van de Wet op de identificatieplicht (hierna: de WID) worden als documenten waarmee in bij de wet aangewezen gevallen de identiteit van personen kan worden vastgesteld, aangewezen de documenten waarover een vreemdeling ingevolge de Vreemdelingenwet 2000 moet beschikken  ter vaststelling van zijn identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie.

2.2.    Aan de weigering appellant in te schrijven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, zoals gehandhaafd bij het besluit op bezwaar van 30 november 2005, heeft het college ten grondslag gelegd dat de identiteit van appellant niet deugdelijk kan worden vastgesteld.

2.3.    De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe, voor zover hier van belang, overwogen dat het in eerste instantie tot de plicht van het gemeentebestuur behoort om de identiteit van een persoon die zich wil inschrijven in de gemeentelijke basisadministratie deugdelijk vast te stellen, maar dat dat anders is indien het gaat om een vreemdeling zonder identiteitspapieren. In dat geval is het college blijkens de parlementaire geschiedenis ingevolge artikel 77 van de Wet GBA gehouden te vragen naar een document als bedoeld in artikel 1 van de WID, omdat het college anders de identiteit niet deugdelijk kan vaststellen en dan niet bevoegd is tot inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens over te gaan.

2.4.    Appellant voert aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen de vaststelling van de identiteit als bedoeld in artikel 26, derde lid, van de Wet GBA indien sprake is van een vreemdeling zonder documenten, niet door het college dient te geschieden. Hij betoogt tevens dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college ingevolge artikel 77, eerste lid, van de Wet GBA is gehouden tot het vragen naar een identiteitsdocument als bedoeld in artikel 1 van de WID. Hij stelt dat het college daartoe op grond van dat artikel niet verplicht is.

2.5.    Gelet op het systeem van de Wet GBA en in aanmerking genomen dat artikel 26 is opgenomen in hoofdstuk 2, afdeling 1, getiteld "De verplichtingen van het college van burgemeester en wethouders", betoogt appellant terecht dat het ingevolge artikel 26, derde lid, van de Wet GBA aan het college is om de identiteit deugdelijk vast te stellen en dat het college, mede gelet op het woord "desgevraagd" in artikel 77, eerste lid, van de Wet GBA, niet is gehouden om het onderzoek naar de identiteit te beperken tot het onderzoek of degene die zich wil inschrijven beschikt over een document als bedoeld in artikel 1 van de WID. Dit leidt evenwel niet tot gegrondverklaring van het hoger beroep. Nu appellant ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Wet GBA verplicht was zich in persoon te melden om aangifte te doen van zijn verblijf en adres was het college ingevolge artikel 77, eerste lid, van de Wet GBA weliswaar niet verplicht doch wel bevoegd hem te verzoeken met het oog op de vaststelling van zijn identiteit een document als bedoeld in artikel 1 van de WID over te leggen. Gelet hierop heeft het college bij de beantwoording van de vraag of de identiteit van appellant deugdelijk kan worden vastgesteld, in aanmerking mogen nemen dat appellant niet een dergelijk document heeft overgelegd.

   Dat appellant niet om overlegging van een identiteitsdocument is gevraagd onder uitdrukkelijke verwijzing naar artikel 77, eerste lid, van de Wet GBA maakt dat niet anders. Immers, blijkens het op dit punt niet bestreden advies van de Algemene bezwaarschriftencommissie van 2 maart 2005, dat aan de beslissing op bezwaar ten grondslag is gelegd, is appellant na de hoorzitting in de gelegenheid gesteld om meer duidelijkheid te geven over zijn identiteit. In de brief van de Algemene bezwaarschriftencommissie van 17 februari 2005 is appellant ter toelichting onder meer meegedeeld dat het college zich op het standpunt stelt dat het in beginsel aan appellant is met bescheiden zijn identiteit aan te tonen. Het moet appellant derhalve duidelijk zijn geweest dat van hem werd verwacht met het overleggen van een identiteitsbewijs zijn gestelde identiteit te staven. Voorts staat vast dat appellant niet beschikt over een document als bedoeld in artikel 1 van de WID. Dat appellant in zijn belangen is geschaad doordat het college eerst ter zitting bij de rechtbank naar artikel 77, eerste lid, van Wet GBA heeft verwezen, valt dan ook niet in te zien.

   In het advies van de Algemene bezwaarschriftencommissie van 2 maart 2005 is vermeld dat het ontbreken van de mogelijkheid om de identiteit van appellant deugdelijk vast te stellen dient te worden aangemerkt als de rechtsgrond van de weigering om appellant in te schrijven. De rechtbank heeft dan ook met juistheid overwogen dat de verwijzing naar artikel 77, eerste lid, van de Wet GBA ter zitting niet kan worden aangemerkt als nieuwe weigeringsgrond bij de beslissing op bezwaar van 30 november 2005.

   Nu appellant als enig van overheidswege uitgegeven document waarin gegevens over zijn identiteit zijn opgenomen een "Registratiekaart wekelijkse meldingsplicht (asielzoeker)" heeft overgelegd waarop staat vermeld dat het geen legitimatiebewijs is, kan niet worden geoordeeld dat het college zich niet op het standpunt heeft mogen stellen dat de identiteit van appellant niet deugdelijk kan worden vastgesteld als bedoeld in artikel 26, derde lid, van de Wet GBA.

   De andere door appellant overgelegde stukken, voornamelijk brieven aan en van Azerbeidjaanse, Armeense en internationale instanties betreffende de problemen rond het vaststellen van de nationaliteit van appellant, kunnen aan dit oordeel niet afdoen, nu ook daarin geen uitsluitsel wordt gegeven over de identiteit van appellant. Of dit stukken zijn als bedoeld in artikel 3.102 van het Vreemdelingenbesluit 2000 is niet relevant, nu deze bepaling niet ziet op de wijze waarop het college in het kader van zijn verplichtingen en bevoegdheden ingevolge de Wet GBA de identiteit van appellant deugdelijk dient vast te stellen.

   In zoverre appellant betoogt dat het college tot inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie heeft moeten overgaan op grond van zijn enkele stelling dat hij in bewijsnood verkeert, overweegt de Afdeling als volgt.

   Voorop staat dat de gegevens in de basisadministratie betrouwbaar en duidelijk moeten zijn. De gebruikers van de gegevens moeten erop kunnen vertrouwen dat de gegevens in beginsel juist zijn (TK 1988-1989, 21 123, nr. 3, blz. 13). Nu de onzekerheid die aan inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie in de weg staat, in dit geval de identiteit van appellant betreft en appellant tot op heden niet in staat is gebleken zijn gestelde identiteit aan de hand van enige objectieve bron aannemelijk te maken, is de Afdeling van oordeel dat het college in het enkele beroep van appellant op bewijsnood geen grond behoefde te zien om tot inschrijving over te gaan. De Afdeling tekent daarbij aan dat appellant, indien hem in het kader van de door hem gevoerde procedure een verblijfsvergunning zal worden verstrekt, alsnog over een document als bedoeld in artikel 1 van de WID zal beschikken.

2.6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, met gedeeltelijke verbetering van gronden, te worden bevestigd.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Voorzitter, en mr. F.P. Zwart en mr. D. Roemers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.M. Mathot, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom    w.g. Mathot

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2006

413.