Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY0332

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-07-2006
Datum publicatie
05-07-2006
Zaaknummer
200510071/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 juni 2004 heeft de burgemeester van Leeuwarden (hierna: de burgemeester) onder aanzegging van de toepassing van bestuursdwang bevolen de voor het publiek toegankelijke inrichting [locatie] te [plaats] (hierna: de inrichting) vanaf 15 juli 2004 tot 15 juli 2005 gesloten te houden en heeft voorts de exploitatievergunning voor deze inrichting ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2006, 394 met annotatie van F.R. Vermeer
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200510071/1.

Datum uitspraak: 5 juli 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nos. 04/1466 & 04/1467 van de rechtbank Leeuwarden van 1 november 2005 in het geding tussen:

appellanten

en

de burgemeester van Leeuwarden.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 8 juni 2004 heeft de burgemeester van Leeuwarden (hierna: de burgemeester) onder aanzegging van de toepassing van bestuursdwang bevolen de voor het publiek toegankelijke inrichting [locatie] te [plaats] (hierna: de inrichting) vanaf 15 juli 2004 tot 15 juli 2005 gesloten te houden en heeft voorts de exploitatievergunning voor deze inrichting ingetrokken.

Bij besluit van 9 november 2004 heeft de burgemeester de daartegen door appellanten gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 1 november 2005, verzonden op 2 november 2005, heeft de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank) de daartegen door appellanten ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 december 2005, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 29 december 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 24 januari 2006 heeft de burgemeester van antwoord gediend.

Bij brief van 15 maart 2006 hebben appellanten een nadere memorie ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 mei 2006, waar appellanten in persoon, en de burgemeester, vertegenwoordigd door F. Huitema en mr. M.E. van der Heide-Helm, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord drs. R.J.A. Vrancken, werkzaam bij de gemeente.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, voor zover thans van belang, is de burgemeester bevoegd tot toepassing van bestuursdwang indien in voor het publiek toegankelijke lokalen en daarbij behorende erven een middel als bedoeld in lijst II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.

   Ingevolge artikel 2.3.1.2, tweede lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening Leeuwarden (hierna: de APV) is het verboden een horecabedrijf te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.

   Ingevolge artikel 1.6, aanhef en onder b, van de APV kan een vergunning of ontheffing worden ingetrokken of gewijzigd indien op grond van een verandering van omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, moet worden aangenomen dat intrekking of wijziging wordt gevorderd door het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist.

2.2.    In de op 23 februari 2001 door de burgemeester vastgestelde Nota "Coffeeshopbeleid gemeente Leeuwarden" (hierna: de Nota) is onder meer als uitgangspunt opgenomen dat in de gemeente Leeuwarden maximaal twaalf coffeeshops binnen de stadsgrachten zullen worden gedoogd en dat geen van deze coffeeshops mag zijn gevestigd in het zogenoemde "deconcentratiegebied". De onderhavige coffeeshop is in dit gebied gelegen. In de Nota is een afbouwperiode van drie jaar opgenomen en aan de exploitanten van de inrichtingen zal na vaststelling en afkondiging van het beleid mededeling worden gedaan dat na 15 maart 2004 geen gedoogverklaring voor de handel in softdrugs op deze locaties meer wordt verstrekt. In het bij de Nota als bijlage gevoegde Handhavingsarrangement is bepaald dat ten aanzien van inrichtingen die niet in het bezit zijn van een gedoogverklaring voor het exploiteren van een coffeeshop, bij aanwezigheid van meer dan 50 gram softdrugs wordt overgegaan tot sluiting van de inrichting voor minimaal 1 maand tot maximaal 12 maanden en dat bij een horeca-inrichting tevens de exploitatievergunning wordt ingetrokken.

2.3.    Op 23 december 2003 heeft de burgemeester een gedoogverklaring afgegeven voor de verstrekking en het gebruik ter plaatse van softdrugs in de inrichting, geldig tot 16 maart 2004.

2.4.    De burgemeester heeft zijn besluiten gebaseerd op het feit dat appellanten ruimschoots vóór 16 maart 2004 zijn geïnformeerd over het nieuwe beleid en de gevolgen daarvan, dat zij ruimschoots de gelegenheid hebben gehad om te stoppen met de verkoop van softdrugs in de inrichting en een nieuw pand te vinden waar wel softdrugs zouden mogen worden verkocht, en dat op 18 maart 2004 en 8 april 2004 bij door de politie uitgevoerde controles 156 gram softdrugs en 18 joints, respectievelijk 163 gram softdrugs en 25 joints, in de inrichting zijn aangetroffen.

2.5.    Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het in de Nota  weergegeven beleid niet kennelijk onredelijk is. De rechtbank heeft het betoog van appellanten dat sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel, omdat de inrichting ten opzichte van de coffeeshops aan het Zuidvliet en de coffeeshop "De Os" aan de Korfmakersstraat ongelijk wordt behandeld, terecht verworpen. Daarbij heeft de rechtbank op goede gronden overwogen dat de coffeeshops aan het Zuidvliet, anders dan de inrichting van appellanten, zijn gelegen buiten de stadsgrachten en er derhalve geen sprake is van gelijke gevallen die ongelijk worden behandeld. Ten aanzien van coffeeshop "De Os" is ter zitting nogmaals uiteengezet dat bij de besluitvorming rond de Horecanota 1997 onvoldoende is onderkend dat het pand waarin deze coffeeshop is gevestigd, gelegen aan de westzijde van de Korfmakersstraat, niet bij het winkelgebied had mogen worden betrokken doch bij het zogenoemde "consolidatiegebied", zoals dat gold voor de noordzijde van de Korfmakersstraat. In het "consolidatiegebied" is het beleid  gericht op instandhouding van het huidige horeca-aanbod. Dit verzuim is hersteld in de Horecanota 2002. Nu coffeeshop "De Os", anders dan appellanten hebben betoogd, niet is gelegen in het "deconcentratiegebied" waarin de onderhavige inrichting is gelegen, heeft de rechtbank terecht overwogen dat ook ten aanzien hiervan geen sprake is van gelijke gevallen.

2.6.    Niet in geschil is dat tijdens door de politie uitgevoerde controles softdrugs in de inrichting zijn aangetroffen. De burgemeester was derhalve op grond van artikel 13b van de Opiumwet bevoegd om bestuursdwang toe te passen.

   Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die de burgemeester ertoe hadden moeten brengen af te zien van het toepassen van deze bevoegdheid. Appellanten stellen dat zij gedwongen zijn een besluit tot handhaving uit te lokken, omdat zij geen andere bestuursrechtelijke stappen konden ondernemen tegen het vastgestelde beleid, aangezien de intrekking van een gedoogverklaring niet kan worden aangemerkt als een  besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Nog daargelaten dat appellanten de mogelijkheid hadden het handelen van de burgemeester door de civiele rechter te laten toetsen, dienen de gevolgen van de bewuste overtredingen evenwel voor rekening en risico van appellanten te blijven. Evenmin kan als een bijzondere omstandigheid worden aangemerkt dat appellanten financieel belang hebben bij de exploitatie van de inrichting. Dat de burgemeester appellanten een exploitatievergunning heeft verleend, terwijl bekend was dat in de inrichting softdrugs werden verkocht, kan ook niet als zodanige omstandigheid worden aangemerkt, nu deze vergunning niet zag op het verkopen van softdrugs. Voorts hebben appellanten niet aannemelijk gemaakt dat zij bij het vinden van een nieuwe locatie zouden zijn tegengewerkt door de gemeente.

   Gelet op de lange termijn die appellanten is gegund te stoppen met de verkoop van softdrugs in de inrichting en gelet op de omstandigheid dat appellanten in strijd met de Opiumwet bewust zijn doorgegaan met de verkoop van softdrugs, bestaat geen grond voor het oordeel dat de opgelegde sluiting voor de duur van 12 maanden disproportioneel is.

   De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat de burgemeester in redelijkheid van zijn bevoegdheid bestuursdwang toe te passen gebruik heeft gemaakt.

2.7.    Ten aanzien van de exploitatievergunning is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat de burgemeester zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de bewuste en herhaaldelijke overtreding van de Opiumwet de vrees wettigt dat het woon- en leefklimaat in de omgeving van de inrichting en/of de openbare orde in ontoelaatbare wijze negatief wordt beïnvloed door de aanwezigheid hiervan en dat de burgemeester de exploitatievergunning derhalve heeft mogen intrekken.

2.8.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Voorzitter, en mr. F.P. Zwart en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van der Smissen, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump    w.g. Van der Smissen

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2006

419.