Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AX9501

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-06-2006
Datum publicatie
28-06-2006
Zaaknummer
200507364/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 juli 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Tilburg (hierna: het college) aan de dienst Openbare werken van de gemeente Tilburg vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het uitbreiden van het zwembad Reeshof aan de Heereveldendreef 10 te Tilburg met onder meer een fitnessruimte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200507364/1.

Datum uitspraak: 28 juni 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], handelend onder de naam Multifit, gevestigd te Tilburg,

tegen de uitspraak in zaak no. 04/1988 van de rechtbank Breda van 12 juli 2005 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Tilburg.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 17 juli 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Tilburg (hierna: het college) aan de dienst Openbare werken van de gemeente Tilburg vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het uitbreiden van het zwembad Reeshof aan de Heereveldendreef 10 te Tilburg met onder meer een fitnessruimte.

Bij besluit van 15 december 2003 heeft het college, voor zover hier van belang, het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 maart 2004 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen door appellante ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 15 december 2003 vernietigd.

Bij besluit van 6 augustus 2004 heeft het college, voor zover hier van belang, de door appellante tegen het besluit van 17 juli 2003 gemaakte bezwaren opnieuw ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 juli 2005, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Breda (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 18 augustus 2005, bij de Raad van State ingekomen op 22 augustus 2005, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 10 november 2005 heeft het college van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 mei 2006, waar appellante, vertegenwoordigd door [directeur], en het college, vertegenwoordigd door mr. O.P. de Gier, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is verschenen de dienst Openbare Werken van de gemeente Tilburg, vertegenwoordigd door P. Bax, ambtenaar van de gemeente.

2.    Overwegingen

2.1.    Vast staat dat het bouwplan in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Reeshof-Midden".

   Om niettemin bouwvergunning voor het bouwplan te kunnen verlenen heeft het college toepassing gegeven aan de bevoegdheid vrijstelling te verlenen krachtens artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Niet in geschil is dat het bouwplan op grond van artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985, in aanmerking komt voor de toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO.

2.2.    Bij de uitspraak van 4 maart 2004 heeft de voorzieningenrechter het besluit van 15 december 2003 vernietigd omdat naar zijn oordeel de bruikbaarheid van de gegevens in het aan dat besluit ten grondslag liggende rapport van de Sports & Leisure Group (SLG) voor de onderhavige situatie onvoldoende vaststaat, waardoor de vraag of de in het bouwplan begrepen fitnessruimte zal leiden tot een duurzame ontwrichting van de aanwezige voorzieningenstructuur, niet goed beantwoord kan worden.

   Het college heeft, gevolg gevend aan deze uitspraak, aan het thans bestreden besluit van 6 augustus 2004 een rapport van adviesbureau BRO ten grondslag gelegd, waarin door middel van een distributieplanologisch onderzoek is onderzocht of en in hoeverre de komst van het nieuwe fitnesscentrum zal leiden tot ontwrichting van de verzorgingsstructuur van fitnessvoorzieningen in het primaire marktgebied van Multifit.

2.3.    Appellante betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college zich in het bestreden besluit niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat het verlenen van vrijstelling en bouwvergunning voor het bouwplan niet zal leiden tot een duurzame ontwrichting van de aanwezige voorzieningenstructuur. Volgens appellante heeft het college het bestreden besluit niet kunnen baseren op het rapport van BRO, omdat in dit rapport van foutieve en niet representatieve kengetallen is uitgegaan. Naar appellante heeft aangevoerd zijn de specifieke gegevens van de in de wijk aanwezige fitnesscentra onvoldoende in ogenschouw genomen, ter ondersteuning waarvan appellante in hoger beroep een notitie van drs. J. Middelkamp heeft overgelegd.

2.3.1.    Dit betoog faalt. Naar aanleiding van de overgelegde notitie Middelkamp heeft het college het adviesbureau BRO om nader advies gevraagd. In een reactie van dit adviesbureau, welke is meegezonden bij de brief van het college van 10 november 2005, is nader uiteengezet dat een distributie-planologisch onderzoek een modelmatige raming op structuurniveau is met aannames (veelal gemiddelden), die voor de branche als geheel gelden. Vanwege de objectiviteit, de inzichtelijkheid en het zicht op de langere termijn is uitgegaan van algemene, landelijke kengetallen en zijn factoren, die verband houden met een specifieke bedrijfsvoering van een individuele ondernemer zoveel mogelijk uitgesloten.

   In hetgeen appellant heeft aangevoerd, is geen grond gelegen voor het oordeel dat BRO ten onrechte is uitgegaan van algemene cijfers over de fitnessbranche. Verder kan appellante niet worden gevolgd in haar standpunt dat uit de notitie van Middelkamp kan worden afgeleid dat het uitgangspunt dat door BRO is gehanteerd ten aanzien van de omvang van het verzorgingsgebied, te weten 60% van de klanten woont op maximaal 3 kilometer afstand, onjuist is. Appellante wordt evenmin gevolgd in haar betoog dat BRO van een onjuist participatiecijfer is uitgegaan, nu de door haar aangehaalde cijfers vallen binnen de door BRO gehanteerde bandbreedte van 7 tot 11%. Ook wat betreft het benodigde aantal leden voor een economisch verantwoorde exploitatie heeft BRO zich op de gemiddelde, breed toepasbare cijfers gebaseerd. Niet aannemelijk is geworden dat de aldus berekende rendabiliteit onjuist is.

   Gelet hierop is er geen grond voor het oordeel dat aan het rapport van BRO naar de inhoud en wijze van totstandkoming zodanige gebreken kleven, dat het college zich daar bij het nemen van het bestreden besluit niet op heeft kunnen baseren.

2.3.2.    Uit de overgelegde rapporten en het verhandelde ter zitting kan worden afgeleid dat het voorziene fitnesscentrum van invloed kan zijn op de exploitatie van de bestaande fitnesscentra ter plaatse. Enige omzetdaling in een bepaalde branche brengt echter als zodanig geen onevenredige aantasting van de distributieve voorzieningen met zich mee. Het college heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat uit de overgelegde onderzoeken niet is gebleken dat door de vestiging van het fitnesscentrum een onevenredige aantasting van de distributieve voorzieningen ter plaatse optreedt.

2.3.3.    De rechtbank heeft terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid vrijstelling en bouwvergunning heeft kunnen verlenen. Het betoog van appellante dat sprake is van oneerlijke concurrentie, gelet op de door de gemeente gemaakte afspraken met de exploitant van de fitnessruimte in de Reeshof omtrent het gebruik van het zwembad en de fitnessruimte kan, wat daar ook van zij, in het kader van het voorliggende geschil niet aan de orde komen, nu dit betoog niet op het bouwplan als zodanig ziet.

2.4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak    w.g. Steinebach-de Wit

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 juni 2006

328-444.