Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AX9484

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-06-2006
Datum publicatie
28-06-2006
Zaaknummer
200600860/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 januari 2005 heeft verweerder het verzoek van appellanten om schadevergoeding als bedoeld in artikel 26 van de Ontgrondingenwet en om nadeelcompensatie afgewezen.

Wetsverwijzingen
Ontgrondingenwet
Ontgrondingenwet 26
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2007, 20 met annotatie van B.P.M. van Ravels
BR 2006/202 met annotatie van J.W. van Zundert
M en R 2006, 53K
Milieurecht Totaal 2006/1468
JM 2006/127 met annotatie van De Vries
JB 2006/246 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200600860/1.

Datum uitspraak: 28 juni 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 17 januari 2005 heeft verweerder het verzoek van appellanten om schadevergoeding als bedoeld in artikel 26 van de Ontgrondingenwet en om nadeelcompensatie afgewezen.

Bij besluit van 30 augustus 2005, no. RE2004.11793, verzonden op 5 september 2005, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en het besluit van 17 januari 2005 onder aanpassing van de motivering gehandhaafd.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 10 oktober 2005, na doorzending door de rechtbank te Arnhem bij de Raad van State ingekomen op 27 januari 2006, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 4 november 2005.

Bij brief van 29 november 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van verweerder en appellanten. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 mei 2006, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. J.J.J. de Rooij, advocaat te Tilburg, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. J.W. van der Horst, ing. G. Pieters, ambtenaren van de provincie, en ir. J.J. Kuipers, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

Overgangsrecht

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

Wettelijk kader

2.2.    Ingevolge artikel 26 -oud- van de Ontgrondingenwet, voor zover hier van belang, wordt aan degene die overeenkomstig afdeling 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht bedenkingen heeft ingebracht, voor zover blijkt dat hij tengevolge van een beschikking ter zake van een ontgronding als bedoeld in artikel 8 van die wet, schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende op andere wijze is verzekerd, een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toegekend door gedeputeerde staten ten laste van de provinciale kas.

In artikel 28 van de Ontgrondingenwet is bepaald dat indien bij een beschikking als bedoeld in artikel 8 van die wet geen schadevergoeding is toegekend, deze kan worden aangevraagd.

Standpunt van appellanten

2.3.    Appellanten stellen dat verweerder ten onrechte bij het bestreden besluit de afwijzing van hun verzoek om nadeelcompensatie heeft gehandhaafd. Volgens appellanten heeft artikel 26 van de Ontgrondingenwet geen exclusieve werking en kunnen zij dan ook aanvullend op dit artikel de vergunningverlenende instantie aanspreken voor nadeelcompensatie.

Het bestreden besluit

2.4.    Bij het bestreden besluit heeft verweerder de afwijzing van het verzoek om nadeelcompensatie gehandhaafd. Volgens hem vormt artikel 26 van de Ontgrondingenwet een uitputtende regeling, die de gehoudenheid tot nadeelcompensatie bij rechtmatig handelen uitsluit.

Vaststelling van de feiten

2.5.    De Afdeling gaat bij haar oordeelsvorming uit van de volgende als vaststaand aangenomen feiten.

2.5.1.    Bij besluit van 19 maart 1996 heeft verweerder onder nader aangegeven voorschriften een vergunning krachtens de Ontgrondingenwet verleend voor het ontgronden van de percelen, kadastraal bekend, gemeente Hedel, sectie L, nummers 409 tot en met 412, 419, 425, 426, 428, 431, 432, 595 tot en met 606, 685, 686, 689 en gemeente Maasdriel, sectie S, nummers 167, 170, 173, 199, 200, 206, 220, 221, 336, 337, plaatselijk bekend als de Hedelse Bovenwaard te Hedel en Maasdriel (hierna: de ontgrondingsvergunning). De eerder verleende ontgrondingsvergunningen voor deze winplaats zijn daarbij ingetrokken. De ontgrondingsvergunning heeft onder meer betrekking op een uitbreiding van de diepe ontzanding bij Maasdriel.

2.5.2.    Appellanten hebben op 3 februari 2004 een verzoek om schadevergoeding als bedoeld in artikel 26 van de Ontgrondingenwet en om nadeelcompensatie ingediend. In hun verzoekschrift stellen zij dat vanaf 2001 schade aan hun woning aan de [locatie] te [plaats] is ontstaan en dat deze schade is veroorzaakt door ontgrondingsactiviteiten in de Hedelse Bovenwaard, waarvoor in 1996 vergunning is verleend. Ter onderbouwing van hun standpunt hebben appellanten verwezen naar het onderzoek "Vooronderzoek scheurvorming gebouwen [locatie] te [plaats]" dat door Royal Haskoning is uitgevoerd.

2.5.3.    Onbestreden is dat artikel 26 van de Ontgrondingenwet in dit geval niet als basis kan dienen voor het toekennen van schadevergoeding, aangezien appellanten niet tijdig bedenkingen hebben ingebracht tegen de ontwerp-ontgrondingsvergunning.

Het oordeel van de Afdeling

2.6.    Artikel 26 van de Ontgrondingenwet voorziet slechts in een mogelijkheid tot vergoeding van schade aan derden die het gevolg is van een beschikking ter zake van een ontgronding, voor zover zij op de voorgeschreven wijze bedenkingen hebben ingediend in het kader van de procedure omtrent de beschikking ter zake van die ontgronding.

Uit de wetsgeschiedenis (Kamerstukken I, 1964/65, 6338, nr. 76, p. 4 (EV)) blijkt dat deze eis is gesteld omdat de wetgever bij de totstandkoming van het artikel het oog had op gevallen waarin een zekere voorzienbaarheid van de schade kon worden verondersteld. Het artikel ziet niet op gevallen waarin de schade aan het eigendom van derden zich naderhand manifesteert, terwijl die schade ten tijde van de inwerkingtreding van de beschikking niet voorzienbaar was. Daarmee staat naar het oordeel van de Afdeling vast dat aan artikel 26 niet de betekenis toekomt dat uitsluitend op basis van dat artikel compensatie kan worden toegekend voor nadeel dat derden ondervinden door het nemen van een rechtmatige beschikking terzake van een ontgronding.

Sedert de uitspraak van de Afdeling van 6 mei 1997 (no. H01.96.0578/Q01; AB 1997, 229) is aanvaard dat het algemeen rechtsbeginsel van de "egalité devant les charges publiques" (gelijkheid voor de openbare lasten) een grondslag kan bieden voor toekenning van schadevergoeding in niet door de wetgever geregelde gevallen. De Afdeling is van oordeel dat verweerder bij zijn beslissing op bezwaar - anders dan bij zijn primaire besluit - heeft miskend dat dit beginsel in een geval als het onderhavige grondslag kan bieden voor vergoeding van schade, mits aan de criteria voor toepassing van dat beginsel wordt voldaan.

Door de gehandhaafde afwijzing van het verzoek om nadeelcompensatie te baseren op de uitputtendheid van artikel 26 van de Ontgrondingenwet, heeft verweerder het bestreden besluit niet deugdelijk gemotiveerd. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, dient te worden vernietigd.

Proceskostenveroordeling

2.7.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 30 augustus 2005, no. RE2004.11793;

III.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Gelderland tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door provincie Gelderland aan appellanten onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IV.    gelast dat provincie Gelderland aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 138,00 (zegge: honderdachtendertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, Voorzitter, en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens en mr. B.J. van Ettekoven, Leden, in tegenwoordigheid van E.J. Nolles, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren    w.g. Nolles

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 juni 2006

291-466.