Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AX9482

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-06-2006
Datum publicatie
28-06-2006
Zaaknummer
200510544/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 augustus 2005 heeft verweerder besloten bestuursdwang toe te passen terzake van tankstation [appellante], gelegen op het perceel [locatie] te [plaats], wegens het niet voldoen aan de eisen van het Besluit Tankstations milieubeheer en overtreding van artikel 8.1 van de wet Milieubeheer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200510544/1.

Datum uitspraak: 28 juni 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], gevestigd, dan wel wonende te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Berkelland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 16 augustus 2005 heeft verweerder besloten bestuursdwang toe te passen terzake van tankstation [appellante], gelegen op het perceel [locatie] te [plaats], wegens het niet voldoen aan de eisen van het Besluit Tankstations milieubeheer en overtreding van artikel 8.1 van de wet Milieubeheer.

Bij besluit, verzonden op 20 december 2005, heeft verweerder het hiertegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 28 december 2005, bij de Raad van State ingekomen op gelijke datum, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 5 januari 2006.

Bij brief van 7 februari 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 juni 2006, waar verweerder, vertegenwoordigd door mr. S.W. Knoop, advocaat te Zutphen, en ing. L.J. Oude Lenferink, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Tussen partijen is niet in geschil dat appellanten hebben gehandeld in strijd met de in het besluit van 16 augustus 2005 genoemde voorschriften uit Bijlage I bij het Besluit Tankstations milieubeheer en met artikel 8.1 van de wet Milieubeheer, zodat verweerder bevoegd was handhavend op te treden.

2.2.    Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.3.    Appellanten betogen dat het toepassen van bestuursdwang door verweerder in dit geval onredelijk is, omdat er volgens hen uitzicht is op legalisatie. Zij onderbouwen hun stelling met hun voornemen een geheel nieuw, onbemand tankstation op te richten op de plaats van het huidige  tankstation. Hiertoe hebben zij meermaals toegezegd eind november 2005 een financiële onderbouwing van hun plannen te verstrekken. Indien dat financieel plan haalbaal blijkt te zijn, zullen zij zo snel mogelijk overgaan tot beëindiging van de strijd met de in het Besluit vervatte eisen.      

2.4.    De Afdeling heeft overwogen bij uitspraak van 11 december 2002 in zaak no. 200202442/1 omtrent het opleggen van een last onder dwangsom aan appellanten wegens het handelen in strijd met het Besluit tankstations milieubeheer, dat er geen redenen zijn om af te zien van handhaving. Hetgeen appellanten in deze procedure hebben aangevoerd over de vestiging van een nieuw tankstation vormt geen reden om aan te nemen dat er thans wel bijzondere omstandigheden zijn om af te zien van handhaving, reeds omdat op geen enkele wijze is geconcretiseerd dat binnen afzienbare termijn een nieuw tankstation kan worden gerealiseerd en er op geen enkele wijze is gebleken van concreet uitzicht op legalisering van de vaststaande overtredingen. Dit betoog faalt.

2.5.      Appellanten betogen dat verweerder het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden en dat hij heeft gehandeld in strijd met het verbod van willekeur. Daartoe voeren zij aan dat verweerder volgens hen in andere gevallen minder strikt handhaaft en verweerder de in deze procedure aangevoerde bezwaren  te snel en onzorgvuldig heeft behandeld. In het bijzonder wijzen zij daarbij op de puinbreekinstallatie van het [grondverzetbedrijf] te [plaats], waar verweerder pas na langdurige overtreding tot handhaving zou zijn overgegaan en zich ook nog zou hebben beperkt tot het opleggen van een last onder dwangsom in plaats van het toepassen van bestuurdwang.

2.5.1.    Verweerder heeft uitvoerig uiteengezet waarom de onderhavige overtreding en de overtreding van het bestemmingsplan in Neede wat soort en ernst van de overtreding betreft niet goed vergelijkbaar zijn. Daarbij heeft hij er onder meer op gewezen dat het onderhavige geval een gevaar voor de volksgezondheid kan opleveren en dat een eerdere last onder dwangsom niet heeft geleid tot de daarmee beoogde naleving. Bij het grondverzetbedrijf is aanvankelijk een last onder dwangsom opgelegd maar is nadien gedoogd vanwege uitzicht op verplaatsing van dat bedrijf destijds. Nadat niet langer werd gedoogd is wederom een last onder dwangsom opgelegd wegens strijd met het bestemmingsplan, welke last volgens verweerder voor een groot deel is uitgevoerd.

2.5.2.    De Afdeling ziet in hetgeen hierover naar voren is gebracht geen grond voor het oordeel dat verweerder gelijke gevallen ongelijk behandelt  door ten aanzien van het tankstation bestuursdwang toe te passen. Ook  hetgeen naar voren is gebracht over het procedureverloop leidt niet tot het oordeel dat verweerder handelt in strijd met het gelijkheidsbeginsel en/of   het verbod op willekeur. Dit betoog faalt.

2.6.    Het beroep is ongegrond.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Ch.W. Mouton, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.A.G. Stolker, ambtenaar van Staat.

w.g. Mouton    w.g. Stolker

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 juni 2006

157.