Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AX9479

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-06-2006
Datum publicatie
28-06-2006
Zaaknummer
200508614/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 januari 2005 heeft de gemeenteraad van Zundert, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 4 januari 2005, het bestemmingsplan "Partiële herziening bestemmingsplan bebouwde kom Zundert/Wernhout, gedeelte Grote Heistraat" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200508614/1.

Datum uitspraak: 28 juni 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1], wonend te Wernhout, gemeente Zundert,

2.    [appellanten sub 2], wonend te Wernhout, gemeente Zundert,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 27 januari 2005 heeft de gemeenteraad van Zundert, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 4 januari 2005, het bestemmingsplan "Partiële herziening bestemmingsplan bebouwde kom Zundert/Wernhout, gedeelte Grote Heistraat" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 30 augustus 2005, no. 1071158, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan. Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief van 12 oktober 2005, bij de Raad van State ingekomen op 13 oktober 2005, en [appellanten sub 2] bij brief van 29 oktober 2005, bij de Raad van State ingekomen op 2 november 2005, beroep ingesteld.

Bij brief van 13 december 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 mei 2006, waar [appellant sub 1], in persoon en bijgestaan door mr. drs. L.M. Koenraad, gemachtigde, [appellanten sub 2], in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. A.J.A.M. van de Laar, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn als partij gehoord de gemeenteraad van Zundert, vertegenwoordigd door A.M.C. Coppens-Timmermans en K.M. Sukel, ambtenaren van de gemeente, en [

2.    Overwegingen

Overgangsrecht

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

Toetsingskader

2.2.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Het plan

2.3.    Het plan voorziet in de toekenning van de bestemming "Bedrijfsdoeleinden -(B)-" aan de percelen, kadastraal bekend gemeente Zundert, sectie E, nummers 4619, 4868 en 4869 ten behoeve van het agrarisch loonbedrijf annex aannemersbedrijf in grond-, weg- en waterbouw aan de Grote Heistraat te Wernhout.

Het standpunt van appellanten

2.4.    Appellanten stellen beiden dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan voor zover het betreft het perceel E 4619.

   [appellant sub 1] stelt dat het plangebied dusdanig groot is dat het plan in strijd is met het provinciale beleid zoals dit onder meer is neergelegd in de beleidsbrief "Bedrijventerreinen, zelfstandige kantoorvestigingen, detailhandel en voorzieningen" (hierna: de beleidsbrief). Hij stelt in dit verband dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden of onevenredige gevolgen indien de beoogde bedrijfsactiviteiten niet op perceel E 4619 worden uitgevoerd.

Voorts stelt [appellant sub 1] dat verweerder ten onrechte niet is ingegaan op zijn overige bezwaren. Zo heeft hij aangevoerd dat het plan feitelijk een uitbreiding van het ten noordwesten van het plangebied gelegen bedrijfsterrein "De Ambachten" is en dat om die reden aanvullend onderzoek had moeten worden verricht naar mogelijke akoestische, verkeers- en/of luchtkwaliteitseffecten van het plan. Verder betwijfelt [appellant sub 1] de economische uitvoerbaarheid van het plan.

   [appellanten sub 2] voeren aan dat door de bedrijfactiviteiten op perceel E 4619 de door hen gewenste woonbestemming op het direct ten noordoosten van dit perceel gelegen perceel […] onmogelijk wordt gemaakt. Verder achten appellanten het plan niet in overeenstemming met het karakter van het aangrenzende woongebied en vrezen zij een afname van het woongenot en een waardedaling van hun gronden en opstallen.

Het standpunt van verweerder

2.5.    Verweerder heeft het plan grotendeels niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft het behoudens een klein gedeelte goedgekeurd. Daartoe stelt hij dat blijkens de beleidsbrief bedrijven met een kavel van meer dan 5.000 m² vanwege hun omvang in het algemeen niet passen in een landelijke regio. Onder omstandigheden kan hiervan worden afgeweken. Volgens verweerder maken de zich op het perceel E 4619 bevindende berm, sloot en keerwand geen onderdeel uit van het plangebied en kan van het perceel feitelijk 5.287 m² worden gebruikt voor opslag. Verweerder heeft onder deze omstandigheden geen redenen aanwezig geacht om van de in de beleidsbrief gehanteerde maatvoering van 5.000 m² af te wijken en heeft om die reden goedkeuring onthouden aan een plandeel met een oppervlakte van 287 m² van het perceel E 4619.

De vaststelling van de feiten

2.6.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.6.1.    [appellant sub 1] woont aan de [locatie 1]. Zijn perceel grenst aan het perceel E 4619.

[appellanten sub 2] wonen aan de [locatie 2] ten oosten van het perceel E 4619. Daarnaast hebben zij een perceel, kadastraal bekend, gemeente Zundert, sectie […], nr. […] in eigendom. Dit perceel ligt ten noordoosten van het perceel E 4619.

2.6.2.    Het plangebied omvat drie percelen welke alle zijn bestemd als "Bedrijfsdoeleinden -(B)-". Op de percelen E 4869 en E 4868 bevindt zich de bestaande bebouwing. Het perceel E 4619 is onbebouwd en zal worden gebruikt voor de opslag van materiaal.

Buiten de aanduiding "bebouwingsvlak" welke is toegekend aan een gedeelte van de percelen E 4869 en E 4868, zijn geen nadere bestemmingen dan wel aanduidingen aan de gronden toegekend.

   De drie percelen tezamen hebben een oppervlakte van 9.617 m2. Het perceel E 4619 heeft een oppervlakte van 5.937 m². Een deel daarvan, met een oppervlakte van 5.650 m2, is goedgekeurd.

2.6.3.    In de door verweerder opgestelde beleidsbrief, die als handleiding dient bij de beoordeling van ruimtelijke plannen, wordt als uitgangspunt gehanteerd dat bedrijven met een kavel van meer dan 5.000 m2 niet passend zijn in de landelijke regio.

Toepasselijke planvoorschriften

2.6.4.    Ingevolge artikel 3, tweede lid, onder 3, van de planvoorschriften is het realiseren van één groot bedrijf binnen het plangebied niet toegestaan.

Het oordeel van de Afdeling

2.7.    Ten aanzien van de oppervlakte van het perceel E 4619 overweegt de Afdeling dat verweerder blijkens zijn besluit alsmede het verhandelde ter zitting een oppervlakte van 5.000 m2 in beginsel als maximum hanteert voor bedrijven met een kavel in een landelijke regio.

De Afdeling overweegt dat verweerder zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat de zich op het perceel E 4619 bevindende berm, sloot en keerwand geen onderdeel uitmaken van de kavel als waarop de beleidsbrief doelt. Daarbij is van belang dat aan het gehele plangebied een bedrijfsbestemming is toegekend en het plangebied derhalve niet is gedifferentieerd naar gebruik.

Bovendien heeft verweerder voor de vraag of aan dit beleid is voldaan ten onrechte enkel de oppervlakte van het perceel E 4619 bezien en niet tevens de samenhang met de percelen E 4868 en E 4869 bij zijn besluit betrokken. Voorts is niet uitgesloten dat een bedrijf de in de beleidsbrief gehanteerde oppervlakte van 5.000 m2 overschrijdt, nu in het plan slechts de kaveloppervlakte, doch geen maximumoppervlakte per bedrijf is opgenomen.

Gelet hierop heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom hij, ondanks het feit dat hij aan een gedeelte van het plan goedkeuring heeft onthouden, aan het overige goedkeuring heeft verleend terwijl daarmee de in de beleidsbrief gehanteerde grens van een oppervlakte van 5.000 m2 wordt overschreden.

2.7.1.    De Afdeling overweegt verder dat verweerder ten aanzien van het plan voor zover het is goedgekeurd in het bestreden besluit met uitzondering van het bezwaar inzake de beleidsbrief niet is ingegaan op de door [appellant sub 1] aangevoerde bezwaren genoemd in overweging 2.4.. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid genomen.

2.7.2.    Gelet op overweging 2.7. en 2.7.1. is het beroep van [appellant sub 1] gegrond, zodat het bestreden besluit voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden "-(B)-" dat betrekking heeft op perceel E 4619 wegens strijd met artikel 3:46 en artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd.    

   Nu het beroep van [appellanten sub 2] eveneens is gericht tegen de goedkeuring van dit plandeel is ook dit beroep gegrond. Gelet hierop behoeven de beroepsgronden van [appellanten sub 2] geen bespreking.

Proceskostenveroordeling

2.8.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart de beroepen gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 30 augustus 2005, no. 1071158, voor zover het betreft de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden -(B)-" dat betrekking heeft op het perceel, kadastraal bekend gemeente Zundert, sectie E, nummer 4619;

III.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van de in verband met de behandeling van de beroepen opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 298,60 (zegge: tweehonderdachtennegentig euro en zestig cent); het bedrag dient als volgt door de provincie Noord-Brabant onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald:

- aan [appellant sub 1]: een bedrag van € 127,07 (zegge: honderdzevenentwintig euro en zeven cent),

- aan [appellanten sub 2]: een bedrag van € 171,53 (zegge: honderdeenenzeventig euro en drieënvijftig cent);

IV.    gelast dat de provincie Noord-Brabant aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 138,00 (zegge: honderdachtendertig euro) voor [appellant sub 1] en € 138,00 (zegge: honderdachtendertig euro) voor [appellanten sub 2] vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M. Oosting, Voorzitter, en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van Staat.

w.g. Oosting    w.g. Soede

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 juni 2006

270-461.