Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AX9476

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-06-2006
Datum publicatie
28-06-2006
Zaaknummer
200505996/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 april 2005, heeft het college van burgemeester en wethouders van Meijel het wijzigingsplan "Buitengebied wijziging ex artikel 11 WRO toekenning agrarische bouwkavel aan [partij 1] en [partij 2] voor het oprichten van een glastuinbouwbedrijf aan een locatie gelegen aan de [locaties] (hierna: het plan) vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200505996/1.

Datum uitspraak: 28 juni 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellanten sub 1], allen wonend te Meijel,

2.    [appellant sub 2], wonend te Meijel,

3.    [appellant sub 3], wonend te Meijel,

4.    [appellante sub 4], wonend te Meijel,

5.    [appellant sub 5], wonend te Meijel,

6.    [appellant sub 6], wonend te Meijel,

en

het college van gedeputeerde staten van Limburg,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 12 april 2005, heeft het college van burgemeester en wethouders van Meijel het wijzigingsplan "Buitengebied wijziging ex artikel 11 WRO toekenning agrarische bouwkavel aan [partij 1] en [partij 2] voor het oprichten van een glastuinbouwbedrijf aan een locatie gelegen aan de [locaties] (hierna: het plan) vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 24 mei 2005, no. 2005/23431, beslist over de goedkeuring van het wijzigingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellanten sub 1 bij brief van 20 juli 2005, bij de Raad van State per fax ingekomen op 20 juli 2005, appellant sub 2 bij brief van 20 juli 2005, bij de Raad van State per fax ingekomen op 20 juli 2005, appellant sub 3 bij brief van 20 juli 2005, bij de Raad van State per fax ingekomen op 20 juli 2005, appellante sub 4 bij brief van 20 juli 2005, bij de Raad van State per fax ingekomen op 20 juli 2005, appellant sub 5 bij brief van 20 juli 2005, bij de Raad van State per fax ingekomen op 20 juli 2005, en appellant sub 6 bij brief van 20 juli 2005, bij de Raad van State per fax ingekomen op 20 juli 2005, beroep ingesteld. [appellanten sub 2, sub 3, sub 4, sub 5 en sub 6] hebben allen hun beroep aangevuld bij brief van 12 augustus 2005.

Bij brief van 24 februari 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 16 februari 2006. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Voor afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van [partij 1] en [partij 2], die als partij tot het geding is toegelaten, en het college van burgemeester en wethouders van Meijel. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van [partij 1] en [partij 2]. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 mei 2006, waar  appellanten, vertegenwoordigd door mr. L.M.A. Schrieder, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. P.J. Bomhoff, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn als partij gehoord het college van burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door I.H.E. Hanssen en P.J.H.A.M. Kuijpers, ambtenaren van de gemeente, en [partij 1 en 2], vertegenwoordigd door mr. A.A. van den Brand, advocaat te Venlo.

2.    Overwegingen

Overgangsrecht

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

Ontvankelijkheid

2.2.    Ingevolge artikel 54, tweede lid aanhef en onder b, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, in samenhang met artikel 8:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, kan een belanghebbende beroep instellen tegen een besluit inzake goedkeuring van een besluit van burgemeester en wethouders of de gemeenteraad tot uitwerking of tot wijziging van een bestemmingsplan.

   Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

   Uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat de woning van [appellant sub 5] op een afstand van ongeveer anderhalve kilometer van het plangebied ligt. Voorts ligt de betreffende woning aan de andere zijde van de provinciale weg en staat er bebouwing tussen zijn woning en het plangebied. Gelet hierop bestaat er vanaf de betreffende woning geen direct zicht op het plangebied. Ook overigens is niet gebleken van zodanige effecten tengevolge van het plan dat op grond daarvan kan worden aangenomen dat [appellant sub 5] een rechtstreeks bij het besluit betrokken belang heeft.

   Gezien het voorgaande kan [appellant sub 5] niet worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, zodat hij aan artikel 54, tweede lid, onder b, in samenhang gelezen met artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht geen recht tot het instellen van beroep kan ontlenen.

Het beroep van [appellant sub 5] is derhalve niet-ontvankelijk.

Het toetsingskader

2.3.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een wijzigingsplan. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, voor zover hier relevant, kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het plan kan worden gewijzigd binnen bij het plan te bepalen grenzen. Bij de beslissing omtrent goedkeuring van het wijzigingsplan dient verweerder te toetsen of aan de bij het bestemmingsplan gegeven wijzigingsvoorwaarden is voldaan. Ingevolge artikel 11, vierde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust daarnaast op verweerder de taak om te bezien of het plan binnen de bij het bestemmingsplan bepaalde grenzen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Tevens heeft verweerder erop toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan overigens niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Het plan

2.4.    Het plan voorziet in een wijziging van de bestemming "Agrarische doeleinden A" in de bestemming "Agrarische doeleinden, bouwperceel -A(b)-" ten behoeve van de vestiging van een glastuinbouwbedrijf van [partij 1]

Het plangebied wordt aan de noordzijde begrensd door de Kampsteeg, aan de westzijde door de Peelweg, aan de oostzijde door de Donkerpeelkensweg en ten slotte aan de zuidzijde door de Langstraat.

Het standpunt van appellanten

2.5.    Appellanten stellen zich allen op het standpunt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan. Hiertoe voeren zij aan dat het plan in strijd is met de wijzigingsregels omdat geen sprake is van nieuwvestiging, maar van uitbreiding. Daarbij ontbreekt het woord "bevoegd" in de wijzigingsregels. Bodemonderzoek heeft voorts uitgewezen dat sprake is van lichte tot zware bodem- en grondwaterverontreiniging hetgeen op gespannen voet staat met de wijzigingsregels, aldus appellanten.

Voorts voeren appellanten aan dat de locatiekeuze en de omvang van het bouwblok in strijd zijn met het Provinciaal Omgevingsplan Limburg en het door verweerder vastgestelde Richtsnoer. Appellanten voeren verder aan dat ten onrechte geen sprake is van een verbetering van de omgevingskwaliteit zoals het provinciale beleid Bouwblok Op maat + (hierna: BOM+ beleid) eist. De tegenprestatie is niet concreet ingevuld, aldus appellanten. Verder stellen appellanten dat de plankaart onjuist is wat betreft de bouwgrens zodat strijd ontstaat met de in het bestemmingsplan "Buitengebied 1992" opgenomen bouwvoorschriften. Ten slotte stellen appellanten dat aan de bezwaren met betrekking tot assimilatiebelichting en lichthinder, geluidsoverlast, verkeerstoename en -veiligheid, bestrijdingsmiddelen, de flora- en faunawet en de hydrologie te weinig of geen aandacht is besteed.

Het standpunt van verweerder

2.6.    Verweerder heeft het plan in overeenstemming geacht met de wijzigingsregels en heeft voorts ingestemd met de weerlegging van de zienswijzen door het college van burgemeester en wethouders. Verweerder stelt verder dat het plan niet in strijd is met het streekplanbeleid omdat de genoemde maximale maatvoering voor glastuinbouwbedrijven in het Provinciaal Omgevingsplan Limburg (hierna: het POL) en het door verweerder op 21 september 2004 bekendgemaakte Richtsnoer terzake van het driesporenbeleid glastuinbouw (hierna: het Richtsnoer) niet van toepassing zijn. In het POL is volgens verweerder namelijk uitdrukkelijk bepaald dat nieuwvestiging van glastuinbouwbedrijven in de reeds in bestemmingsplannen vastgelegde glastuinbouwgebieden is toegestaan. Voorts voert verweerder aan dat het gebied Platveld in Meijel landschappelijk weinig waardevol is en om die reden ook in het bestemmingsplan "Buitengebied" van Meijel is aangemerkt als concentratiegebied voor glastuinbouw. De landschappelijke inpassing van het voorziene bedrijf is volgens verweerder via de overeenkomst in het kader van het BOM+ beleid voldoende verzekerd. Er zal volgens verweerder een robuuste structuur van bomen en struiken ontstaan met een breedte van 10 meter en een hoogte tussen de 1,5 meter en 6 meter waardoor de glasopstanden grotendeels aan het zicht van de omgeving worden onttrokken. Wat betreft de woningen in de omgeving stelt verweerder dat de minimale afstand van het voorziene bedrijf tot de dichtstbijzijnde woning aan de [locatie 1] 36 meter bedraagt, zodat hier geen problemen zijn te verwachten. De afstanden tot de woningen behorend bij de agrarische bedrijven aan de [locaties 2 en 3] bedragen 36 respectievelijk 25 meter. Ten aanzien van laatstgenoemde woning zullen op grond van milieuwetgeving eisen worden gesteld ter beperking van milieubelasting.

Het standpunt van het college van burgemeester en wethouders

2.7.    Het college van burgemeester en wethouders stelt zich op het standpunt dat vanwege de geringe ontwikkelingsmogelijkheden voor intensieve veehouderij het college van burgemeester en wethouders wenst mee te werken aan de ontwikkeling van glastuinbouw in het concentratiegebied Platveld. Uit diverse onderzoeken naar bodemkwaliteit, flora- en fauna, akoestiek en archeologie is gebleken dat het bedrijf planologisch inpasbaar is op deze locatie, aldus het college van burgemeester en wethouders. Wat betreft de plankaart erkent het college van burgemeester en wethouders dat de plankaart onjuistheden bevat. De bolletjeslijn op de plankaart beoogt de grens van het plangebied aan te geven en de stippellijn de bouwgrens. Waar deze stippellijn op de plankaart niet is aangegeven behoeft geen rekening te worden gehouden met aan te houden afstanden tot woningen en watergangen, aldus het college van burgemeester en wethouders.

Ten aanzien van de landschappelijke inpassing stelt het college van burgemeester en wethouders dat het gebied tussen Schepersberg Peelke en Platveld is aangeduid als landschappelijk open agrarisch gebied, niet Platveld zelf, hetgeen ook strijdig zou zijn met de aanduiding van dit gebied als concentratiegebied. Voorts wordt verwezen naar de aanwezigheid van meerdere glastuinbouwbedrijven en overige agrarische bedrijven in de omgeving. Wat betreft het rapport "Landschappelijke gebiedsvisie Platveld" wordt opgemerkt dat dit rapport door de deskundige onjuist is geïnterpreteerd en bovendien nog niet definitief is vastgesteld.

De vaststelling van de feiten

2.8.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.8.1.    De gronden in het plangebied zijn bestemd als "Agrarische doeleinden bouwperceel -A(b)-". Buiten de nadere aanduidingen "1 bedrijfswoning toegestaan" en "glastuinbouw" zijn geen andere aanduidingen dan wel bestemmingen toegekend.

2.8.2.    Het plan is gebaseerd op de wijzigingsbevoegdheid opgenomen in artikel 2.05, achtste lid, onder A, van de voorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied 1992", zoals gewijzigd door het bestemmingsplan "Reparatieherziening Buitengebied 1999".

   In artikel 2.05, achtste lid, onder A, sub 2, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied 1992" zoals gewijzigd in 1999 is bepaald: "burgemeester en wethouders zijn, met inachtneming van het bepaalde in artikel 2.01 en lid 2 van dit artikel, de bestemming "Agrarische doeleinden A" te wijzigen in de bestemming "Agrarische doeleinden -A(b)-" ten behoeve van de nieuwvestiging van niet-grondgebonden agrarische bedrijven en glastuinbouwbedrijven, mits hierbij de volgende regels in acht worden genomen":

a) nieuwvestiging is uitsluitend toegestaan binnen het op de plankaart aangegeven "concentratiegebied";

b) bij de bepaling van de omvang, de vorm en situering van het bestemmingsvlak wordt rekening gehouden met de eisen die voortvloeien uit de aard en de omvang van het bedrijf en de daarmee samenhangende behoefte aan een redelijke uitbreidingsmogelijkheid (bouwkavel op maat);

c) het moet een volwaardig agrarisch bedrijf betreffen dan wel een bedrijf dat zich overtuigend in de richting van volwaardigheid ontwikkelt; indicaties voor de volwaardigheid zijn economische- en arbeidsomvang en de continuïteit van het bedrijf;

d) uit een ingesteld bodemonderzoek moet blijken dat ter plaatse geen bodemverontreiniging aanwezig is;

e) de woning moet worden gesitueerd buiten de 50 dB(A)-contouren, dan wel tussen de 50 dB(A) en de 60 dB(A)-contouren voor zover passend binnen de verkregen ontheffing op basis van de Wet geluidhinder.

   Op de kaart behorende bij het bestemmingsplan "Reparatieherziening Buitengebied 1999" maakt het plangebied deel uit van een groter gebied dat is aangemerkt als "concentratiegebied".

2.8.3.    [partij 1] exploiteren thans een chrysantenkwekerij in [plaats] die beschikt over 4 ha glasopstanden. Zij hebben het voornemen om binnen het plangebied met een oppervlakte van 12,5 ha eveneens een chrysantenkwekerij te vestigen

   Ingevolge artikel 2.02, vierde lid, onder A, sub 2, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied 1992" mag de goothoogte van de gebouwen, niet meer dan 4,50 meter bedragen en de hoogte niet meer dan 6 meter.

   Appellanten wonen allen in de directe omgeving van het plangebied.

2.8.4.    De HMB Groep heeft op 27 juli 2004 een verkennend bodemonderzoek uitgebracht. Hierin is vermeld dat het grondwater uit diverse peilbuizen licht tot sterk verontreinigd is met één of meerdere zware metalen. Volgens het rapport is de aanwezigheid van zware metalen in het grondwater in de regio Meijel geen onbekend verschijnsel en moet de oorzaak hiervan worden gezocht in regionale omstandigheden. In het rapport worden onder meer de depositie van verzurende stoffen op de bodem alsmede de geringe adsorptiecapaciteit van de bodem als oorzaken aangewezen.

2.8.5.    Op 29 juni 2001 is het POL vastgesteld.

   Op pagina 266 van het POL wordt ten aanzien van de rechtsgevolgen van het POL vermeld dat het POL twee concrete beleidsbeslissingen omvat waarvan niet afgeweken kan worden zonder besluitvorming van provinciale staten. Het gewicht van de overige beleidsuitspraken en de afwijkingsbevoegdheid van gedeputeerde staten blijken uit het plan zelf.

   Op de pagina's 116-119 wordt vermeld dat wat betreft glastuinbouw wordt uitgegaan van een driesporenbeleid. Het eerste spoor houdt in dat voor nieuwvestiging van glastuinbouw alsmede voor omschakeling van bedrijven naar glastuinbouw twee zogenoemde projectvestigingen Californië en Siberië zijn aangewezen. Hier doen zich de beste en ruimste vestigingsmogelijkheden voor. Dit deel van het POL is als concrete beleidsbeslissing aangemerkt.

Het tweede spoor houdt in dat binnen de in het POL aangewezen "concentratiegebieden glastuinbouw" voor bestaande glastuinbouwbedrijven individuele ontwikkelingsmogelijkheden met een bovengrens van 5 ha mogelijk zijn. In beperkte mate is er plaats voor nieuwvestiging van met name starters en verplaatsers vanuit onder andere het Maasdal en de Provinciaal Ecologische Structuur. Het derde spoor omvat beperkte uitbreidingsmogelijkheden met een bovengrens van 3 ha voor solitaire bedrijven.

Uiteraard zijn, aldus het POL, de recent door verweerder goedgekeurde bestemmingsplannen, waar de ontwikkelingsruimte van de glastuinbouwbedrijven is aangegeven, bepalend.

Verder wordt op pagina 116 vermeld dat nieuwvestiging van glastuinbouw en omschakeling van bedrijven naar glastuinbouw - naast de reeds in bestemmingsplannen vastgelegde glastuinbouwgebieden- alleen is toegestaan binnen de twee in dit POL aangewezen projectvestigingen.

2.8.6.    Op pagina 116 van het POL is het gebied Platveld/Roggelsedijk ten zuidwesten van Meijel aangemerkt als "concentratiegebied glastuinbouw".

   Blijkens het deskundigenbericht maakt het plangebied deel uit van voornoemd concentratiegebied.

2.8.7.    Blijkens het op 21 september 2004 bekend gemaakte Richtsnoer zijn beide projectvestigingen nog niet operationeel. Gelet hierop en op de ontwikkelingen in de glastuinbouw is door verweerder een richtsnoer ontwikkeld waarbij hij meent recht te doen aan het driesporenbeleid en waarmee noodzakelijke ontwikkelingen en investeringen in de glastuinbouw niet worden gefrustreerd. Volgens het Richtsnoer dienen de in het POL genoemde bovenmaten als referentiematen te worden gezien, daar, tegen de achtergrond van de POL-uitwerking BOM+, overschrijding van deze maten mogelijk kan zijn, indien dit bijdraagt aan een integrale verbetering van de omgevingskwaliteiten.

Blijkens het Richtsnoer zijn bedrijfsontwikkelingen in de in het POL genoemde concentratiegebieden toegestaan die de in het POL opgenomen maatvoering overstijgen, indien een integrale verbetering van de omgevingskwaliteiten wordt gerealiseerd (BOM+) én het betreffende glastuinbouwbedrijf niet meer dan 100% in oppervlakte toeneemt, voor zover het gaat om bedrijven die kleiner zijn dan 5 ha. Indien het bedrijf de in het POL genoemde maat van 5 ha reeds overstijgt, is onder voorwaarden alleen een beperkte uitbreiding mogelijk. Nieuwvestiging is mogelijk in de concentratiegebieden, met uitzondering van nieuwvestigingen groter dan 5 ha.

Het oordeel van de Afdeling

Wijzigingsregels

2.9.    Voor zover appellanten stellen dat het plan in strijd is met de wijzigingsregels overweegt de Afdeling als volgt. Het plan voorziet in de vestiging van een agrarisch bouwblok op een thans onbebouwd perceel, zodat planologisch en feitelijk sprake is van nieuwvestiging. Voor het oordeel dat sprake is van uitbreiding van een elders gevestigd chrysantenbedrijf zodat geen gebruik mocht worden gemaakt van de wijzigingsbevoegdheid, bestaat geen aanleiding.

Het ontbreken van het woord "bevoegd" in de aanhef van artikel 2.05, achtste lid, onder A, sub 2, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Reparatieherziening Buitengebied 1999" moet als een kennelijke omissie worden aangemerkt. Bovendien staat het artikel onder het kopje "wijzigingsbevoegdheid". Gelet hierop doet het ontbreken van het woord "bevoegd", anders dan appellanten stellen, niet af aan de bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders om de bestemming "Agrarische doeleinden A" in de bestemming "Agrarische doeleinden, bouwperceel A(b)" te wijzigen.

De stelling van appellanten dat de geconstateerde bodemverontreiniging in de weg staat aan de toepassing van de wijzingbevoegdheid treft geen doel. De Afdeling overweegt dat verweerder in de aanwezigheid van deze verontreiniging in redelijkheid geen aanleiding heeft hoeven zien goedkeuring aan het plan te onthouden. Hierbij is van belang dat uit het verkennend bodemonderzoek, zoals beschreven in overweging 2.8.4., blijkt dat de aanwezigheid van de verhoogde concentraties zware metalen in het grondwater een regionaal bekend verschijnsel is. Verder is ter zitting door het college van burgemeester en wethouders onweersproken gesteld dat de geconstateerde bodemverontreiniging niet in de weg staat aan het verwezenlijken van de in het plan voorziene bestemming.

Plankaart

2.10.    De Afdeling stelt vast dat op de plankaart behorende bij het vaststellings- en goedkeuringsbesluit een bolletjeslijn en een stippellijn zijn aangegeven. Verder stelt de Afdeling vast dat in het renvooi enkel de bolletjeslijn wordt verklaard als rooilijn. De stippellijn wordt niet nader verklaard. Ter zitting hebben het college van burgemeester en wethouders en verweerder zich op het standpunt gesteld dat de bolletjeslijn de plangrens betreft en de stippellijn de rooilijn aangeeft. De Afdeling is echter van oordeel dat dit niet volgt uit het samenstel van de plankaart en het renvooi. Bovendien wordt het begrip rooilijn niet verklaard in de planvoorschriften behorende bij het bestemmingsplan "Buitengebied 1992" zoals gewijzigd in 1999. Uit het voorgaande volgt dat niet vast staat waar de plangrens en de bouwgrens van het plan liggen, hetgeen in strijd met de rechtszekerheid is.

POL

2.11.    Wat betreft de locatie van het onderhavige plan overweegt de Afdeling dat het zogenoemde gebied Platveld, waarvan het plangebied deel uitmaakt, in het POL is aangemerkt als "concentratiegebied glastuinbouw". De Afdeling acht dit niet onredelijk.

2.12.    Wat betreft de omvang van de in het plan voorziene bouwkavel overweegt de Afdeling het volgende. Weliswaar stellen de wijzigingsregels, met gebruikmaking waarvan dit plan is vastgesteld, geen maximum aan de oppervlakte voor de vestiging van een glastuinbouwbedrijf, maar nu het gaat om een bevoegdheid tot wijziging en geen plicht dient verweerder naast een beoordeling of aan de wijzigingsregels is voldaan, ook te toetsen of overigens is voldaan aan een goede ruimtelijke ordening. Een toetsing aan geldend streekplanbeleid dient daaronder mede te worden begrepen.

De omstandigheid dat in het POL letterlijk staat vermeld dat "uiteraard zijn de recent door ons goedgekeurde bestemmingsplannen, waar de ontwikkelingsruimte van de glastuinbouwbedrijven is aangegeven, bepalend", kan niet tot de conclusie leiden dat het plan daarom niet in strijd is met het geldende streekplanbeleid. De op grond van de in het bestemmingsplan "Buitengebied 1992" zoals gewijzigd in 1999 opgenomen wijzigingsbevoegdheden vastgestelde wijzigingsplannen vallen niet onder het bereik van de zinsnede "recent (…) goedgekeurde bestemmingsplannen". Het gaat hier immers niet om het respecteren van een bij recht toegekende bouwkavel voor glastuinbouw, maar om de mogelijke toepassing van een wijzigingsbevoegdheid waarvan de omvang van de bouwkavel ten tijde van de goedkeuring van het plan nog niet bekend was.

   Ter zitting heeft verweerder gesteld dat het POL voor verweerder de mogelijkheid biedt af te wijken van het verbod van nieuwvestiging in concentratiegebieden en de in het POL opgenomen maximale bovenmaten. De Afdeling overweegt dat, indien verweerder al kan worden gevolgd in bovenstaand betoog, van belang is dat verweerder zich in de stukken alsook ter zitting bij de beoordeling van de omvang van het betreffende glastuinbouwbedrijf heeft gebaseerd op het Richtsnoer. Volgens verweerder is het Richtsnoer een nadere uitwerking van de afwijkingsmogelijkheid van het POL. De Afdeling is echter van oordeel dat het Richtsnoer, anders dan verweerder betoogt, deze afwijking niet dekt. Hierbij wordt van belang geacht dat de tekst van het Richtsnoer zoals vermeld in overweging 2.8.7., geen aanknopingspunten biedt voor het oordeel dat nieuwvestigingen van glastuinbouwbedrijven in concentratiegebieden die de maat van 5 ha overschrijden mogelijk zijn.

   Gelet op het vorengaande berust het bestreden besluit in zoverre niet op een deugdelijke motivering.

Bestrijdingsmiddelen en assimilatiebelichting

2.13.    Wat betreft het bezwaar van appellanten dat ten onrechte, geen dan wel onvoldoende, aandacht is besteed aan de aspecten bestrijdingsmiddelen en assimilatiebelichting overweegt de Afdeling het volgende. Nu dit planologische relevante belangen zijn, had verweerder hierop moeten ingaan. Niet is gebleken dat dit is gebeurd. In zoverre is het besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid.

2.14.    Gelet op overwegingen 2.12. en 2.13. is het bestreden besluit in strijd met artikel 3:46 en 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

   Gelet op de overweging 2.10. is het plan in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Door het plan niettemin goed te keuren, heeft verweerder gehandeld in strijd met dit beginsel in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht.

   De beroepen zijn gegrond.

   Hieruit volgt dat er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om goedkeuring te onthouden aan het plan.

Proceskostenveroordeling

2.15.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep van [appellant sub 5] niet-ontvankelijk;

II.    verklaart de beroepen van [appellanten sub 1, sub 2, sub 3, sub 4, en sub 6] gegrond;

III.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Limburg van 24 mei 2005, no. 2005/23431;

IV.    onthoudt goedkeuring aan het plan;

V.    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VI.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Limburg tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een totaal bedrag van € 1.449,00 (zegge: duizend vierhonderdnegenenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Limburg als volgt te worden uitbetaald:

- aan [appellanten sub 1]: een bedrag van € 805,00;

- aan [appellant sub 2]: een bedrag van € 161,00;

- aan [appellant sub 3]: een bedrag van € 161,00;

- aan [appellante sub 4]: een bedrag van € 161,00;

- aan [appellant sub 6]: een bedrag van € 161,00;

VII.    gelast dat de provincie Limburg aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 138,00 (zegge: honderdachtendertig euro) voor [appellanten sub 1], € 138,00 (zegge: honderdachtendertig euro) voor [appellant sub 2], € 138,00 (zegge: honderdachtendertig euro) voor [appellant sub 3] € 138,00 (zegge: honderdachtendertig euro) voor [appellante sub 4] en € 138,00 (zegge: honderdachtendertig euro) voor [appellant sub 6], vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, Voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en dr. K.J.M. Mortelmans, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren    w.g. Soede

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 juni 2006

270-461.