Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AX9468

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-06-2006
Datum publicatie
28-06-2006
Zaaknummer
200600626/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 december 2005 heeft verweerder voorschriften gewijzigd, verbonden aan de op 4 november 1970 aan de gemeente Nijmegen (hierna: vergunninghoudster) verleende vergunning als bedoeld in artikel 2 van de Hinderwet voor het oprichten en in werking hebben van een klokkentoren met klokken en carillon aan het St. Stevenskerkhof 63 (hierna te noemen: de Stevenstoren). Dit besluit is op 19 december 2005 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.11
Wet milieubeheer 8.23
Wet milieubeheer 8.24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2006, 289 met annotatie van M.P. Jongma
Milieurecht Totaal 2006/4862 met annotatie van H.P. Nijhoff
JOM 2006/1401
OGR-Updates.nl 1001185
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200600626/1.

Datum uitspraak: 28 juni 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2.    [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

3.    de stichting "Stichting Stevenskerk", gevestigd te Nijmegen,

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 6 december 2005 heeft verweerder voorschriften gewijzigd, verbonden aan de op 4 november 1970 aan de gemeente Nijmegen (hierna: vergunninghoudster) verleende vergunning als bedoeld in artikel 2 van de Hinderwet voor het oprichten en in werking hebben van een klokkentoren met klokken en carillon aan het St. Stevenskerkhof 63 (hierna te noemen: de Stevenstoren). Dit besluit is op 19 december 2005 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellant sub 1 bij brief van 25 januari 2006, bij de Raad van State ingekomen op 26 januari 2006, appellante sub 2 bij brief van 24 januari 2006, bij de Raad van State ingekomen op 27 januari 2006, en appellante sub 3 bij ongedateerde brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 januari 2006, beroep ingesteld.

De Afdeling heeft [partijen] op hun eigen verzoek in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen.

Bij brief van 28 maart 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant sub 1, appellante sub 2, vergunninghoudster, [partijen]. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 juni 2006, waar appellant sub 1 in persoon, appellante sub 3, vertegenwoordigd door [appellant sub 1], en verweerder, vertegenwoordigd door A.M.H. van der Vall, ambtenaar van de gemeente, en [partij], zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.        Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten, op dit geding van toepassing blijft.

2.2.        Bij het bestreden besluit heeft verweerder op verzoek van vergunninghoudster en ambtshalve een aantal voorschriften ingetrokken en vervangen door nieuwe voorschriften, waarin carillonconcerten en het luiden van de klokken voor bijzondere gebeurtenissen zijn opgenomen en de momenten en de tijdsduur van het luiden van de klokken en het gebruik van het carillon voor tijdsaanduiding gewijzigd worden vastgesteld.

2.3.        Verweerder heeft gesteld dat het beroep van appellant sub 1 voor zover het de grond inzake het ontbreken van een objectief advies betreft, niet-ontvankelijk is. Daarnaast heeft verweerder gesteld dat het beroep van appellante sub 2 voor zover het de gronden inzake de benadeling van appellante als vrijwilligster voor de St. Stevenskerk en de vrees voor precedentwerking van het besluit voor andere carillons in Nederland betreft, niet-ontvankelijk is. Verweerder heeft tot slot gesteld dat het beroep van appellante sub 3 voor zover het de grond inzake onzekerheid omtrent de herkomst van het geluid van de klokken en carillon betreft, niet-ontvankelijk is. Verweerder merkt op dat deze gronden niet als bedenking naar voren zijn gebracht.

       Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer, zoals dat vóór 1 juli 2005 luidde, kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a.        degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b.        de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c.        degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d.        belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

       Appellant sub 1 heeft de grond inzake het gestelde ontbreken van een objectief advies niet als bedenking tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Appellante sub 2 heeft de gronden inzake benadeling als vrijwilligster voor de St. Stevenskerk en de vrees voor precedentwerking van het besluit voor andere carillons in Nederland niet als bedenkingen tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Appellant sub 3 heeft de grond inzake onzekerheid omtrent de herkomst van het geluid van de klokken niet als bedenking tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Verder is het bepaalde onder b en c hier niet van toepassing. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan appellanten redelijkerwijs niet kan worden verweten op deze punten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Uit het vorenstaande volgt dat de beroepen van appellanten in zoverre niet-ontvankelijk zijn.

2.4.        Appellanten sub 1 en 2 betwijfelen of de Wet milieubeheer van toepassing is op de Stevenstoren, aangezien het gaat om een historisch carillon dat slechts voor zeer korte duur speelt, en een carillon niet met name wordt genoemd in het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (hierna: Ivb). Ter zitting heeft appellant sub 1 voorts betoogd dat ten behoeve van de tijdsaanduiding door het carillon en de avondklok geen elektromotoren met een al dan niet gezamenlijk vermogen groter dan 1,5 kW aanwezig zijn, terwijl de bespeling van het carillon door de beiaardier met fysieke kracht geschiedt.

2.4.1.    Gezien de speelduur op het carillon en de frequentie waarmee wordt gespeeld, waardoor een zekere bestendigheid bestaat van de op de buitenwereld gerichte en voor het publiek waarneembare bespeling van het carillon, is de Afdeling van oordeel dat in dit geval de desbetreffende activiteiten moeten worden beschouwd als een bedrijvigheid in een omvang alsof zij bedrijfsmatig is. Het periodiek bespelen van het carillon van de Stevenstoren moet derhalve worden aangemerkt als een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. Daargelaten of de inrichting valt onder categorie 1.1, onder a, van het Ivb (inrichtingen waar een of meer elektromotoren aanwezig zijn met een vermogen of een gezamenlijk vermogen groter dan 1,5 kW), is de inrichting vergunningplichtig op grond van de Wet milieubeheer gezien categorie 19.1, onder d, van Bijlage I behorende bij het Ivb (muziekscholen, muziekoefenlokalen en andere inrichtingen waar een of meer voorzieningen aanwezig zijn voor het beoefenen van muziek).

   Gelet op het bovenstaande kan het betoog van appellanten sub 1 en sub 2 niet slagen.

2.5.        Ingevolge artikel 8.23, eerste lid, van de Wet milieubeheer kan het bevoegd gezag beperkingen waaronder een vergunning is verleend en voorschriften die daaraan zijn verbonden, wijzigen, aanvullen of intrekken, dan wel alsnog beperkingen aanbrengen of voorschriften aan een vergunning verbinden in het belang van de bescherming van het milieu.

       Ingevolge artikel 8.24, eerste lid, van de Wet milieubeheer kan het bevoegd gezag op aanvraag van de vergunninghouder beperkingen waaronder een vergunning is verleend, en voorschriften die daaraan zijn verbonden, wijzigen, aanvullen of intrekken, dan wel alsnog beperkingen aanbrengen of voorschriften aan een vergunning verbinden.

       Ingevolge artikel 8.23, derde lid, en artikel 8.24, tweede lid, in samenhang met artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden, die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

2.6.        Appellanten kunnen zich geen van allen vinden in het nieuw gestelde voorschrift 1.5, waarin de speelduur van het carillon voor tijdsaanduiding wordt beperkt tot één keer per uur gedurende maximaal dertig seconden. In dit kader voeren zij aan dat het milieubelang zich, mede gezien het geringe aantal klachten, niet verzet tegen de voorheen geldende speelduur van het carillon voor tijdsaanduiding en dat het carillon, dat sinds 1738 elk kwartier de tijd aangeeft, een grote cultuurhistorische waarde vertegenwoordigt. Appellant sub 1 verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2005 in zaak no. 200409643/1.

2.6.1.    Verweerder betoogt dat vergunninghoudster haar verzoek heeft ingediend omdat het huidige gebruik van carillon en klokken niet overeenkomt met het gebruik dat op basis van de geldende vergunningvoorschriften is toegestaan. Verzocht is om de carillonconcerten en het luiden van de klokken bij bijzondere gebeurtenissen in de vergunningvoorschriften op te nemen. Om de totale tijd dat het carillon en de klokken publiek zijn te horen niet uit te breiden is dagelijkse speeltijd van het carillon voor tijdsaanduiding beperkt tot één keer per uur tussen 8.55 uur en 21.00 uur, met een maximale duur van dertig seconden. Hiermee wordt volgens verweerder tevens tegemoet gekomen aan de belangen van gehinderden, omdat het dagelijkse gebruik van het carillon de belangrijkste bron van de bij hem bekende klachten vormt.

2.6.2.    Voorschrift A.I.1, zoals verbonden aan de bij het besluit van 4 november 1970 verleende vergunning, luidde: "De duur van de tijdaanduidingen van het carillon moet beperkt blijven tot ±1 minuut bij ieder heel uur, ± 40 seconden bij ieder half uur en ±15 seconden bij ieder kwartier".

   Het nieuw gestelde voorschrift 1.5 luidt: "Het dagelijks spelen van het carillon blijft beperkt tot rond het hele uur met een maximale duur van 30 seconden. Het carillon mag niet spelen tussen 21.00 en 8.55 uur".

2.6.3.    De Afdeling overweegt dat verweerder bevoegd was om met toepassing van de artikelen 8.23 en 8.24 van de Wet milieubeheer het oude voorschrift A.I.1 te vervangen door het nieuwe voorschrift 1.5, reeds omdat daardoor de gevolgen voor het milieu, die de inrichting in zoverre kan veroorzaken, afnemen. De vraag of er uit milieuhygiënisch oogpunt bezien ruimte bestaat voor de voorheen geldende speelduur van de tijdsaanduiding van het carillon, laat die bevoegdheid onverlet. De omstandigheid dat, zoals de Afdeling in haar uitspraak van 4 mei 2005 in zaak no. 200409643/1 heeft overwogen, van beoordelingsvrijheid in het bijzonder sprake is, nu de geluidveroorzakende activiteit een bijzondere historische en culturele betekenis heeft, kan aan bedoelde bevoegdheid dan ook niet afdoen. Ook al zou binnen het kader van de beoordelingsvrijheid het oude luidschema acceptabel kunnen worden geacht, dan laat dit onverlet dat verweerder bevoegd is tot aanscherping, omdat aanscherping gunstig is voor het milieu.

   Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 29 februari 2000 in zaak no. E03.97.1079 (AB 2000, 240) kunnen, indien krachtens voornoemde artikelen de bevoegdheid tot wijziging van vergunningvoorschriften bestaat, belangen van derden met zich brengen dat van deze bevoegdheid niet in redelijkheid gebruik kan worden gemaakt. De Afdeling overweegt dat in hetgeen appellanten naar voren hebben gebracht evenwel geen aanknopingspunten zijn te vinden voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid doorslaggevende betekenis heeft kunnen toekennen aan het belang dat bestaat bij het terugbrengen van de geluidbelasting die wordt veroorzaakt door het spelen van het carillon voor tijdsaanduiding. Verweerder heeft dan ook in redelijkheid van zijn bevoegdheden als bedoeld in de artikelen 8.23, eerste lid, en 8.24, eerste lid, van de Wet milieubeheer gebruik kunnen maken.

   Deze grieven van appellanten kunnen niet slagen.

2.7.        Het beroep is ongegrond.

2.8.        Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep van appellant sub 1 niet-ontvankelijk voor zover het de grond inzake het gestelde ontbreken van een objectief advies betreft;

II.    verklaart het beroep van appellante sub 2 niet-ontvankelijk voor zover het de gronden inzake de benadeling van appellante als vrijwilligster voor de St. Stevenskerk en de vrees voor precedentwerking van het besluit voor andere carillons in Nederland betreft;

III.    verklaart het beroep van appellante sub 3 niet-ontvankelijk voor zover het de grond inzake onzekerheid omtrent de herkomst van het geluid van de klokken en carillon betreft;

IV.    verklaart de beroepen van appellanten voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll    w.g. Kuipers

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 juni 2006

271-509.