Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AX9461

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-06-2006
Datum publicatie
28-06-2006
Zaaknummer
200508302/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 oktober 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (hierna: het college) het verzoek van appellant om vrijstelling ingevolge artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) voor het vestigen van een zelfstandige kantoorruimte op het perceel, plaatselijk bekend [locatie] (hierna: het perceel) geweigerd (hierna: besluit I).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200508302/1.

Datum uitspraak: 28 juni 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. SBR 05/1125 van de rechtbank Utrecht van 29 augustus 2005 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 8 oktober 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (hierna: het college) het verzoek van appellant om vrijstelling ingevolge artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) voor het vestigen van een zelfstandige kantoorruimte op het perceel, plaatselijk bekend [locatie] (hierna: het perceel) geweigerd (hierna: besluit I).

Bij besluit van 16 november 2004 heeft het college het verzoek van appellant om vrijstelling ingevolge artikel 15 van de WRO voor het vestigen van een zelfstandige kantoorruimte op het perceel geweigerd (hierna:

besluit II).

Bij besluit van 20 april 2005 heeft het college het door appellant tegen besluit I gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk en het door appellant tegen besluit II gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 29 augustus 2005, verzonden op 30 augustus 2005, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd voor zover deze zag op de ongegrondverklaring van appellants bezwaar tegen besluit II en dit bezwaar alsnog niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 28 september 2005, bij de Raad van State ingekomen op 29 september 2005, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brieven van 11 oktober 2005, 25 november 2005 en 29 november 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 mei 2006 , waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. J.A. van der Ham, advocaat te Veenendaal, en het college, vertegenwoordigd door mr. H.P. de Keijzer, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    In geschil is de weigering van het college om appellant vrijstelling te verlenen voor het vestigen van een zelfstandige kantoorruimte in een schuur op het perceel.

2.2.    Ingevolge artikel 15, eerste lid, onder a, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat burgemeester en wethouders met inachtneming van de in het plan vervatte regelen bevoegd zijn van bij het plan gegeven voorschriften vrijstelling te verlenen.

   Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO, voor zover hier van belang, kan de gemeenteraad, behoudens het gestelde in het tweede en derde lid, ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben.

   Ingevolge artikel 19, derde lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders eveneens vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen.

   Ingevolge artikel 49, vijfde lid, van de Woningwet wordt de verlening van de vrijstelling geacht voor de mogelijkheid van beroep ingevolge hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht deel uit te maken van de beschikking waarop zij betrekking heeft.

2.3.    Ingevolge het bestemmingsplan "Landelijk Gebied 1e partiële herziening" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Agrarische doeleinden".

   Ingevolge artikel 3, onderdeel A, van de voorschriften van het bestemmingsplan, voor zover hier van belang, zijn de gronden met deze bestemming bestemd voor het agrarische bedrijf met daarbij behorende bedrijfsgebouwen en bedrijfsterreinen.

   Ingevolge artikel 27 A, onderdeel B, van de planvoorschriften is het verboden de in het plan begrepen bouwwerken te gebruiken, in gebruik te geven of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de in het bestemmingsplan aan de bijbehorende grond gegeven bestemming.

   Ingevolge artikel 27 A, onderdeel C, van de planvoorschriften verlenen burgemeester en wethouders vrijstelling van het bepaalde onder A, leden 1 en 2 en van het bepaalde onder B, indien strikte toepassing daarvan leidt tot een beperking van het meest doelmatige gebruik die niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.

2.4.    Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zijn bezwaren tegen de weigering van vrijstelling op grond van artikel 15 van de WRO door het college niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard in verband met het bepaalde in artikel 49, vijfde lid, van de Woningwet.

   Dit betoog treft doel. Zoals de Afdeling onder meer in de uitspraak van 6 april 2005, no. 200407236/1 heeft overwogen is het bepaalde in artikel 49, vijfde lid, van de Woningwet niet van toepassing indien sprake is van een besluit tot weigering van vrijstelling. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

2.5.    Appellant betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat niet het college maar de raad ten tijde van het bestreden besluit bevoegd was tot het beslissen op een verzoek om vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO.

   Dit betoog faalt. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting was ten tijde van het bestreden besluit de bevoegdheid tot het beslissen op een verzoek om vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO gedelegeerd aan het college.

2.6.    Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college zijn bezwaren gericht tegen de weigering van vrijstelling op grond van artikel 19 van de WRO ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard met toepassing van artikel 49, vijfde lid, van de Woningwet.

   Dit betoog treft doel. Zoals reeds in overweging 2.3. overwogen kan in het geval van weigering vrijstelling te verlenen geen toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 49, vijfde lid, van de Woningwet.

2.7.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Ingevolge artikel 44, eerste lid, onder a, van de Wet op de Raad van State (hierna: Wet RvS) dient voor wat betreft de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep tegen besluit I de zaak in beginsel te worden teruggewezen naar de rechtbank. Nu de zaak echter naar het oordeel van de Afdeling geen nadere behandeling behoeft zal zij ingevolge artikel 45 van de Wet RvS de zaak zelf afdoen. Ook het beroep tegen de niet-ontvankelijk verklaring van het bezwaar tegen besluit II zal de Afdeling beoordelen.

2.8.    In beroep heeft appellant betoogd dat het college ten onrechte geweigerd heeft vrijstelling als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de WRO te verlenen voor de vestiging van een zelfstandige kantoorfunctie in de schuur op het perceel. Appellant stelt hiertoe dat op grond van artikel 27A, onderdeel C, van de planvoorschriften (de zogenoemde toverformule) vrijstelling kan worden verleend.

   Dit betoog faalt. Uit de stukken blijkt dat ten behoeve van de vestiging van zelfstandige kantoorfunctie tevens bouwwerkzaamheden zijn verricht. Deze bouwwerkzaamheden bestonden onder meer uit het aanbrengen van constructievrije binnenwanden, het aanbrengen van een geïsoleerd plafond, en het verbreden, vergroten of voorzien van vaste ramen van bestaande (deur)openingen. Het college heeft terecht overwogen dat voor deze bouwwerkzaamheden, die samenhangen met de wijziging van het gebruik ten behoeve van de vestiging van een zelfstandige kantoorfunctie, bouwvergunning is vereist. Appellants aanvraag om vrijstelling had derhalve mede betrekking op bouwwerkzaamheden. Ingevolge vaste jurisprudentie van de Afdeling, onder meer de uitspraak van de Afdeling van 3 april 2000, no 199902762/1, (AB 2000/406) kan de zogenoemde toverformule slechts betrekking hebben op vrijstelling van een gebruiksvoorschrift in enge zin en kan deze nooit leiden tot de afgifte van een bouwvergunning. Het college heeft derhalve terecht het bezwaar tegen besluit II ongegrond verklaard.

2.9.    Uit rechtsoverweging 2.6 volgt dat het college appellants bezwaar tegen besluit I ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.

2.10.    Het beroep van appellant tegen het besluit van het college van 20 april 2005, voor zover daarbij het bezwaar tegen besluit I niet-ontvankelijk is verklaard, is derhalve gegrond. Om deze reden zal de Afdeling dit besluit in zoverre vernietigen. Het beroep tegen de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen besluit II is ongegrond.

2.11.    Ten slotte heeft appellant de Afdeling verzocht het college op de voet van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen tot vergoeding van de door hem als gevolg van het besluit van 20 april 2005 geleden schade. Dit verzoek dient te worden afgewezen reeds omdat nadere besluitvorming is vereist en op de uitkomst daarvan niet kan worden vooruitgelopen.

2.12.    Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 29 augustus 2005, SBR 05/1125;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond voor zover dit is gericht tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Utrecht van 20 april 2005, 04.16735 JZ en 04.21082 JZ, voor zover hierbij de bezwaren van appellant gericht tegen het besluit van 8 oktober 2004 niet-ontvankelijk zijn verklaard;

IV.    vernietigt dit besluit in zoverre;

V.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep voor het overige ongegrond;

VI.    draagt het college van burgemeester en wethouders van Utrecht op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar tegen het besluit van 8 oktober 2004, kenmerk BV2043065;

VII.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Utrecht tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep en het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1308,37 (zegge: dertienhonderdacht euro en zevenendertig eurocent), waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door het college van burgemeester en wethouders van Utrecht aan appellant onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VIII.    gelast dat de gemeente Utrecht aan appellant het door hem voor de behandeling van het hoger beroep en het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 345,00 (zegge: driehonderdvijfenveertig euro) vergoedt;

IX.    wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink    w.g. Lodder

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 juni 2006

17-503.