Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AX9458

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-06-2006
Datum publicatie
28-06-2006
Zaaknummer
200506294/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 december 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Wassenaar (hierna: het college) aan de Wassenaarsche Bouw Stichting (hierna: WBS) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het verbouwen van 46 over drie blokken verdeelde woningen, het verbouwen van één van de woningen tot vier bergingen/fietsenstalling, het bouwen van drie centrale trappenhuizen met liftinstallatie alsmede het bouwen van een derde bouwlaag bestaande uit 18 woningen op het perceel Hillenaarlaan 2 tot en met 48a te Wassenaar (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 19
Provinciewet
Provinciewet 136
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2006/55 met annotatie van J.H.G. van den Broek
JB 2006/243
JOM 2006/1468
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200506294/1.

Datum uitspraak: 28 juni 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], beiden wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nos. AWB 05/684 en 05/2601 van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage van 9 juni 2005 in het geding tussen:

appellanten en [wederpartij]

en

het college van burgemeester en wethouders van Wassenaar.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 24 december 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Wassenaar (hierna: het college) aan de Wassenaarsche Bouw Stichting (hierna: WBS) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het verbouwen van 46 over drie blokken verdeelde woningen, het verbouwen van één van de woningen tot vier bergingen/fietsenstalling, het bouwen van drie centrale trappenhuizen met liftinstallatie alsmede het bouwen van een derde bouwlaag bestaande uit 18 woningen op het perceel Hillenaarlaan 2 tot en met 48a te Wassenaar (hierna: het perceel).

Bij besluit van 8 maart 2005 heeft het college het onder meer door appellanten daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 juni 2005, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, het door appellanten daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 15 juli 2005, bij de Raad van State ingekomen op 18 juli 2005, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 28 september 2005 heeft het college van antwoord gediend.

Bij brief van 5 augustus 2005 heeft WBS een reactie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 april 2006, waar appellanten in persoon en het college, vertegenwoordigd door mr. M.J. Waleboer, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

WBS is niet verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het betoog van appellanten dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat moet worden uitgegaan van de op 9 november 2000 ingediende bouwaanvraag en dat de latere wijzigingen in het bouwplan niet kunnen worden aangemerkt als wijzigingen van ondergeschikte aard, treft geen doel. De voorzieningenrechter heeft terecht overwogen dat blijkens het primaire besluit van 24 december 2004 de vrijstelling en de bouwvergunning zijn verleend op basis van de op 22 september 2003 ingediende nieuwe bouwaanvraag. Dat nadien naar aanleiding van een email van een gemeenteambtenaar bij appellanten verwarring is ontstaan over de vraag welke aanvraag als grondslag heeft gediend voor de besluitvorming maakt dit niet anders.

2.2.    Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) kan het college vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing.

   Ingevolge het eerste lid, van artikel 19 van de WRO wordt onder een goede ruimtelijke onderbouwing bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het gebied.

2.3.    Appellanten betogen dat het college niet met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling heeft kunnen verlenen voor het bouwplan.

   Dit betoog slaagt. De door gedeputeerde staten in overeenstemming met de inspecteur vastgestelde lijst met categorieën van gevallen waarvoor met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling kan worden verleend, betreft een algemeen verbindend voorschrift. Ingevolge artikel 136, eerste lid, van de Provinciewet verbinden besluiten van het provinciebestuur die algemeen verbindende voorschriften inhouden niet dan wanneer zij bekend zijn gemaakt. Ingevolge artikel 136, tweede lid, van de Provinciewet geschiedt bekendmaking door plaatsing in het provinciaal blad, dat algemeen verkrijgbaar wordt gesteld.

   Niet in geschil is dat genoemde lijst niet op de aldus voorgeschreven wijze is bekend gemaakt. Hieruit volgt dat het college niet bevoegd was om met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling te verlenen voor het bouwplan. De aangevallen uitspraak en de beslissing op bezwaar komen reeds hierom voor vernietiging in aanmerking. Aan hetgeen appellanten overigens hebben aangevoerd, wordt niet toegekomen.

2.4.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het door appellanten bij de rechtbank ingestelde beroep alsnog gegrond verklaren en de beslissing op bezwaar vernietigen.

2.5.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage van 9 juni 2005, kenmerk AWB 05/684 en 05/2601;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Wassenaar van 8 maart 2005, kenmerk 05020053/mw;

V.    gelast dat de gemeente Wassenaar aan appellanten het door hen voor de behandeling van het hoger beroep en het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van in totaal € 345,00 (zegge: driehonderdvijfenveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. W.D.M. van Diepenbeek, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S.W. Schortinghuis, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk    w.g. Schortinghuis

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 juni 2006

66-422.