Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AX9457

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-06-2006
Datum publicatie
28-06-2006
Zaaknummer
200600712/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 juli 2005 heeft verweerder het verzoek van appellanten om handhavend op te treden ter zake van een windturbine van [vergunninghouder] op het perceel [locatie] in [plaats] afgewezen.

Wetsverwijzingen
Besluit voorzieningen en installaties milieubeheer
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 5:21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2006/1402
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200600712/1.

Datum uitspraak: 28 juni 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Littenseradiel,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 25 juli 2005 heeft verweerder het verzoek van appellanten om handhavend op te treden ter zake van een windturbine van [vergunninghouder] op het perceel [locatie] in [plaats] afgewezen.

Bij besluit van 15 december 2005, verzonden op dezelfde dag, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 25 januari 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 22 februari 2006.

Bij brief van 10 maart 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 mei 2006, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. H.W. Knottenbelt, en verweerder, vertegenwoordigd door J.A. Bakker, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Niet in geschil is dat de onderhavige windturbine onder de reikwijdte van het Besluit voorzieningen en installaties milieubeheer (hierna: het Besluit) valt. In voorschrift 5.1.4 van dit Besluit is, voor zover hier van belang, bepaald dat de windturbine is voorzien van een automatische stilstandvoorziening die de windturbine afschakelt indien gemiddeld meer dan 17 dagen per jaar gedurende meer dan 20 minuten per dag slagschaduw kan optreden.

2.2.    Verweerder heeft van handhavend optreden afgezien, omdat volgens hem de bovengenoemde norm niet wordt overschreden. Hij wijst in dit verband op een rapport van Wind Service Holland (hierna: WSH), gedateerd 19 januari 2004, en het deskundigenbericht van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak van 3 september 2004, dat is uitgebracht in zaaknr. 200402994/1 (hierna: het deskundigenbericht). Uit deze rapporten blijkt volgens hem dat er geen slagschaduw zal optreden gedurende meer dan 17 dagen per jaar gedurende meer dan 20 minuten per dag.

2.3.    Appellanten betogen dat verweerder geen aansluiting had mogen zoeken bij het rapport van WSH en het deskundigenbericht, omdat deze onjuistheden bevatten. Zij betogen dat in deze stukken ten onrechte is uitgegaan van een gemiddelde slagschaduwduur per dag. Volgens hen dient echter, gelet op de tekst van voorschrift 5.1.4 van het Besluit en de nota van toelichting daarbij, te worden uitgegaan van een maximum van 20 minuten slagschaduw per dag.

2.4.    De Afdeling overweegt dat uit de tekst van voorschrift 5.1.4 van het Besluit reeds voortvloeit dat een stilstandsvoorziening moet worden aangebracht indien meer dan gemiddeld 17 dagen per jaar gedurende meer dan maximaal 20 minuten slagschaduw optreedt. In het rapport van WSH is voor de woningen in de omgeving van de windturbine de maximale duur (in minuten) van de slagschaduw op een dag weergegeven en aantal dagen waarop meer dan 20 minuten slagschaduw optreedt. Naar het oordeel van de Afdeling is hiermee, anders dan appellanten kennelijk menen, de slagschaduw bepaald overeenkomstig de norm die in voorschrift 5.1.4 van het Besluit is gesteld.

   Uit het rapport van WSH en het deskundigenbericht blijkt dat het aantal dagen dat meer dan 20 minuten slagschaduw optreedt bij nabijgelegen woningen, minder is dan gemiddeld 17 per jaar. De Afdeling ziet in hetgeen appellanten hebben aangevoerd geen grond om aan deze bevindingen te twijfelen. Ook overigens ziet de Afdeling geen aanleiding om te twijfelen aan de uitkomsten van het rapport van WSH en het deskundigenbericht op dit punt. Verweerder heeft dan ook terecht geoordeeld dat voorschrift 5.1.4. van het Besluit niet werd overtreden en dat hij niet bevoegd was handhavend op te treden.

   Voor zover appellanten betogen dat desondanks aanleiding bestaat voor het opleggen van een nadere eis, overweegt de Afdeling dat deze grond geen betrekking heeft op de vraag of verweerder al dan niet gehouden was om handhavend op te treden ter zake van de overtreding van voorschrift 5.1.4 van het Besluit en daarom in de onderhavige procedure niet aan de orde kan komen.

2.5.    Het beroep is ongegrond

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M. Oosting, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.S. van Helvoort, ambtenaar van Staat.

w.g. Oosting    w.g. Van Helvoort

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 juni 2006

361.