Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AX9448

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-06-2006
Datum publicatie
28-06-2006
Zaaknummer
200602942/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 april 2006 heeft verweerder het verzoek van onder meer verzoekers van 13 maart 2006 om toepassing van bestuursrechtelijke handhavingsmaatregelen ten aanzien van de inrichting aan de [locatie] te [plaats] deels afgewezen en deels toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200602942/1.

Datum uitspraak: 21 juni 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekers], allen wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 13 april 2006 heeft verweerder het verzoek van onder meer verzoekers van 13 maart 2006 om toepassing van bestuursrechtelijke handhavingsmaatregelen ten aanzien van de inrichting aan de [locatie] te [plaats] deels afgewezen en deels toegewezen.

Tegen dit besluit hebben onder meer verzoekers bezwaar gemaakt.

Bij brief van 18 april 2006, bij de Raad van State ingekomen per fax op dezelfde dag, hebben verzoekers de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 23 mei 2006, waar verzoekers, van wie [gemachtigde] in persoon, bijgestaan door ing. M.H. Middelkamp, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. M.H.M. van der Aa en A. Arends, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is als partij gehoord [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door [directeuren], bijgestaan door mr. D. Pool.

2.    Overwegingen

2.1.    Het verzoek richt zich tegen het besluit van 13 april 2006 voor zover daarbij het verzoek om handhaving is afgewezen.

2.2.    In artikel 18.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer is - voor zover hier van belang - bepaald dat het bestuursorgaan dat bevoegd is een vergunning krachtens artikel 8.1 voor een inrichting te verlenen tot taak heeft zorg te dragen voor de bestuurlijke handhaving van de op grond van de betrokken wetten voor degene die de inrichting drijft geldende voorschriften.

   Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer zijn burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de inrichting geheel of in hoofdzaak zal zijn of is gelegen, bevoegd te beslissen op de aanvraag om een vergunning, behoudens in gevallen als bedoeld in het tweede, het derde en het vierde lid. Ingevolge het tweede lid kan bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat ten aanzien van daarbij aangewezen categorieën van inrichtingen gedeputeerde staten van de provincie waarin de inrichting geheel of in hoofdzaak zal zijn of is gelegen, of Onze Minister bevoegd zijn te beslissen op de aanvraag om een vergunning. Bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (hierna: het Ivb) is aan deze bepaling uitvoering gegeven.

2.3.    Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.2, eerste lid, en 18.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer moet onder bevoegd gezag dat tot taak heeft zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving worden verstaan het bestuursorgaan dat bevoegd is of zou zijn om een milieuvergunning te verlenen. Bij uitspraak van heden, in zaak no. 200600330/1  heeft de Afdeling geoordeeld dat ten aanzien van de inrichting het college van gedeputeerde staten is aangewezen als bevoegd gezag voor verlening van een milieuvergunning, omdat de inrichting vanwege de aangevraagde uitbreiding met een biogasinstallatie moet worden aangemerkt als een inrichting voor het mengen en thermisch behandelen van van buiten de inrichting afkomstige afvalstoffen, als bedoeld in categorie 28.4, onder c, sub 1, zoals dat luidde vóór 29 april 2005, van bijlage I van het Ivb. Dit brengt met zich dat het college van gedeputeerde staten is aangewezen als het bevoegd gezag tot het toepassen van bestuurlijke handhavingsmiddelen en niet verweerder.

2.4.    Gelet op het vorenstaande ziet de Voorzitter aanleiding om de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.5.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Omdat de onderhavige zaak op dezelfde dag is behandeld als de zaak met no. 200600330/1 en verweerder in die zaak is veroordeeld in de reis- en verblijfskosten van verzoekers, bestaat in deze zaak geen aanleiding voor vergoeding van deze kosten.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente van 13 maart 2006, voor zover daarbij het verzoek om handhaving van verzoekers is afgewezen;

II.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente tot vergoeding van bij verzoekers in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Hof van Twente aan verzoekers onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

III.    gelast dat de gemeente Hof van Twente aan verzoekers het door hen voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 141,00 (zegge: honderdéénenveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen    w.g. Montagne

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2006

373.