Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AX9077

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-06-2006
Datum publicatie
21-06-2006
Zaaknummer
200509519/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 oktober 2003 heeft appellant (hierna: de CWI) een aanvraag van [wederpartij] (hierna: de werkgever), tot verlenging van de geldigheid van een tewerkstellingsvergunning (hierna: twv) ten behoeve van het verrichten van arbeid door [werknemer] ingewilligd.

Wetsverwijzingen
Wet arbeid vreemdelingen
Wet arbeid vreemdelingen 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2006, 226 met annotatie van I. Sewandono
JV 2006/321
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RAAD VAN STATE

200509519/1.

Datum uitspraak: 21 juni 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van de Centrale organisatie werk en inkomen,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04/45069 van de rechtbank 's-Gravenhage van 29 september 2005 in het geding tussen:

A, h.o.d.n. Turks eetcafé B

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 oktober 2003 heeft appellant (hierna: de CWI) een aanvraag van A (hierna: de werkgever), tot verlenging van de geldigheid van een tewerkstellingsvergunning (hierna: twv) ten behoeve van het verrichten van arbeid door C ingewilligd.

Bij besluit van 27 augustus 2004 heeft de CWI het daartegen door de werkgever gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 29 september 2005, verzonden op 5 oktober 2005, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door de werkgever ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de CWI een nieuw besluit op het bezwaar neemt. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de CWI bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 november 2005, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 16 december 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 28 december 2005 heeft de werkgever van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 april 2006, waar de CWI, vertegenwoordigd door mr. C.C. Favier, medewerker van de CWI, en de werkgever, vertegenwoordigd door mr. S.J. van der Woude, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav) is de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de minister) bevoegd tot het afgeven, verlengen en intrekken van een twv.

Ingevolge het tweede lid kan de minister de in het eerste lid bedoelde bevoegdheden delegeren aan de CWI.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, wordt een twv aangevraagd door de werkgever.

Ingevolge het tweede lid, wordt binnen vijf weken na ontvangst op een aanvraag beslist.

Ingevolge artikel 1 van het Delegatie- en uitvoeringsbesluit Wav is de bevoegdheid inzake het afgeven, verlengen en intrekken van een twv door de minister overgedragen aan de CWI.

Volgens 2.1 van de Beleidsregels CWI uitvoering Wav dient een aanvraag om (verlenging van) een twv te worden ingediend bij de centrale locatie van de afdeling juridische zaken van de CWI.

Volgens 2.2, voor zover thans van belang, geschiedt het indienen van een aanvraag door indiening van een volledig ingevuld en ondertekend aanvraagformulier dat door de Raad van bestuur is vastgesteld.

2.2. De CWI heeft de werkgever een twv verleend voor de periode van 10 oktober 2002 tot 10 oktober 2003. Bij brief van 29 september 2003, door de CWI ontvangen op 1 oktober 2003, heeft de werkgever bij de CWI een aanvraag ingediend tot verlenging van de geldigheid van deze twv. De werkgever heeft aan de aanvraag onder meer ten grondslag gelegd dat de werknemer rechten kan ontlenen aan artikel 6, eerste lid, van Besluit 1/80 van de Associatieraad EG-Turkije (hierna: Besluit 1/80) en gelet hierop aanspraak bestaat op verlenging van de geldigheid van de twv. Bij brief van 10 oktober 2003 heeft de CWI de werkgever verzocht om nadere informatie. Na ontvangst van de gevraagde informatie door de CWI op 15 oktober 2003, heeft de CWI bij besluit van 16 oktober 2003 op de voet van voormeld artikel 6, eerste lid, van Besluit 1/80 een twv verleend met ingang van 17 oktober 2003 tot 17 oktober 2004.

2.3. De CWI klaagt dat de rechtbank, door te overwegen dat zij was gehouden de twv aansluitend aan de vorige geldigheidsduur te verlenen, heeft miskend dat de werkgever de aanvraag niet tijdig, te weten op de voet van artikel 6, tweede lid, van de Wav, vijf weken vóór 10 oktober 2003 heeft ingediend en zij op laatstgenoemde datum over onvoldoende gegevens beschikte om de aanvraag te beoordelen. Voorts voert zij aan dat de rechtbank heeft miskend dat het verlenen van een twv met terugwerkende kracht in strijd is met het systeem van de Wav.

2.3.1. De Afdeling overweegt dat de Wav, noch de daarop gebaseerde regelgeving, een termijn stelt voor aanvang waarvan een aanvraag tot verlenging van de geldigheid van een twv moet zijn ingediend. De termijn, genoemd in artikel 6, tweede lid, van de Wav, biedt geen grond voor het betoog van de CWI dat een zodanige aanvraag vijf weken vóór het verstrijken van de geldigheidsduur van een twv moet zijn ingediend.

Voorts is niet in geschil dat de werkgever, gelet op de door de CWI op 15 oktober 2003 van hem ontvangen nadere informatie, op 10 oktober 2003 voldeed aan de eisen om de geldigheid van zijn twv te behouden en mitsdien aanspraak had op verlenging met ingang van de datum van verstrijken van de geldigheidsduur van de voorgaande twv. Van verlening met terugwerkende kracht in strijd met de Wav, als door de CWI betoogd, is geen sprake. Onder deze omstandigheden heeft de rechtbank terecht overwogen dat de CWI gehouden was de geldigheidsduur van de twv te verlengen met ingang van 10 oktober 2003.

De klachten falen.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. De CWI dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden verwezen.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. veroordeelt de Centrale organisatie werk en inkomen tot vergoeding van bij A in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. B. van Wagtendonk, Voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. D. Roemers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C. Beerse, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Wagtendonk w.g. Beerse

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2006

382-485.