Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AX9075

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-06-2006
Datum publicatie
21-06-2006
Zaaknummer
200508833/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 september 2004 heeft de raad van de gemeente Lopik (hierna: de gemeenteraad) geweigerd een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 21 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) te nemen voor enige percelen grond ten westen van het bedrijfsterrein Lopik en het MOB-complex, zoals aangegeven op de bij dit besluit behorende en gewaarmerkte situatieschets (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200508833/1.

Datum uitspraak: 21 juni 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], alle gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak in zaak no. SBR 05/815 van de rechtbank Utrecht van 13 september 2005 in het geding tussen:

appellanten

en

de raad van de gemeente Lopik.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 28 september 2004 heeft de raad van de gemeente Lopik (hierna: de gemeenteraad) geweigerd een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 21 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) te nemen voor enige percelen grond ten westen van het bedrijfsterrein Lopik en het MOB-complex, zoals aangegeven op de bij dit besluit behorende en gewaarmerkte situatieschets (hierna: het perceel).

Bij besluit van 15 februari 2005 heeft de gemeenteraad het daartegen door Eneco Energie Projecten B.V. (hierna: Eneco) gemaakte bezwaar gegrond verklaard en alsnog verklaard dat een herziening van het bestemmingsplan wordt voorbereid.

Bij uitspraak van 13 september 2005, verzonden op 14 september 2005, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 19 oktober 2005, bij de Raad van State ingekomen op 20 oktober 2005, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 21 november 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 21 december 2005 heeft de gemeenteraad van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van de gemeenteraad en Eneco. Deze zijn aan partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 mei 2006, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. M.J.G.H. Verviers, advocaat te IJsselstein, bijgestaan door ir. P.J. Veen, deskundige, en de gemeenteraad, vertegenwoordigd door E.J.M. Kersten en G.J. de Wit, beiden ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is als partij gehoord Eneco, vertegenwoordigd door mr. M. Damen, bijgestaan door mr. J.H.M. Berenschot, advocaat te Arnhem.

2.    Overwegingen

2.1.    Het voorbereidingsbesluit is genomen teneinde met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de WRO vrijstelling en bouwvergunning te kunnen verlenen voor de oprichting van drie windturbines en een verdeelstation.

2.2.    Appellanten komen op tegen het oordeel van de rechtbank dat zij niet als belanghebbende kunnen worden aangemerkt als bedoeld in artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), nu zij geen rechthebbenden zijn op onroerende zaken gelegen in het gebied waarop het voorbereidingsbesluit betrekking heeft.

2.3.    Dit betoogt slaagt. Appellanten zijn gevestigd in de directe nabijheid van het perceel en er is vanuit hun vestigingen vrij zicht op de windturbines. Reeds om deze redenen onderscheiden de belangen van appellanten zich in voldoende mate van willekeurig andere (rechts-)personen. Derhalve zijn hun belangen rechtstreeks bij het voorbereidingsbesluit betrokken. Dat appellanten met hun beroep beogen te voorkomen dat voor het project vrijstelling kan worden verleend doet, anders dan de rechtbank heeft overwogen, aan het rechtstreeks belang dat zij ten aanzien van het voorbereidingsbesluit hebben niet af.

2.4.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd.

2.5.    Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling het beroep verder zelf afdoen. Daartoe wordt het volgende overwogen.

2.6.    Appellanten kunnen niet worden gevolgd in hun betoog dat zij niet in de gelegenheid zijn gesteld om te worden gehoord voordat de gemeenteraad op het bezwaar tegen het besluit van 28 september 2004 besliste. Uit het verweerschrift van de gemeenteraad blijkt dat appellanten zijn uitgenodigd om de hoorzitting bij te wonen en dat in het huis-aan-huisblad van de hoorzitting kennis is gegeven. Het college heeft daarmee aan het bepaalde in artikel 7:2 van de Awb voldaan.

2.7.    Appellanten betogen voorts dat de beslissing op bezwaar niet berust op een volledige heroverweging, nu de protesten van omwonenden die aanleiding waren voor de eerdere weigering het voorbereidingsbesluit te nemen niet in de afweging zijn betrokken. Het in heroverweging alsnog genomen voorbereidingsbesluit is naar het inzicht van appellanten uitsluitend het gevolg van een schadeclaim van Eneco, waardoor de gemeenteraad zijn bevoegdheid voor een ander doel heeft gebruikt dan waarvoor die is gegeven.

2.8.    De door appellanten bedoelde protesten betreffen bezwaren van omwonenden naar aanleiding van een eerder, op 1 juli 2003, genomen voorbereidingsbesluit. Blijkens de beslissing op bezwaar heeft de gemeenteraad die bezwaren in de heroverweging betrokken en afgewogen tegen de belangen van Eneco bij voortzetting van het windenergieproject. In heroverweging heeft de gemeenteraad aanleiding gezien de aan het eerdere voorbereidingsbesluit ten grondslag liggende planologische medewerking voor het project te bestendigen. Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat de heroverweging onvolledig is geweest en de bevoegdheid van de gemeenteraad om het voorbereidingsbesluit te nemen is gebruikt voor een ander doel dan waarvoor die is gegeven. Het betoog faalt derhalve.

2.9.    Het vorenstaande leidt ertoe dat het beroep ongegrond is.

2.10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

2.11.    3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 13 september 2005, SBR 05/815;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

IV.    gelast dat de gemeente Lopik aan appellanten het door hen voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ad € 414,00 (zegge: vierhonderdveertien euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, Voorzitter, en mr. W. van den Brink en mr. A.W.M. Bijloos, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk    w.g. Boermans

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2006

429.