Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AX9070

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-06-2006
Datum publicatie
21-06-2006
Zaaknummer
200510588/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij afzonderlijke besluiten van 25 augustus 2004 heeft de raad voor rechtsbijstand te 's-Hertogenbosch (hierna: de raad) een zogenoemde aanvraag toestemming bewerkelijke zaak van appellant behorend bij toevoeging nummer 1CT8428 afgewezen en een zelfde aanvraag van appellant behorend bij toevoeging nummer 1CL6791 buiten behandeling gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

AC200510588/1.

Datum uitspraak: 21 juni 2006.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], kantoorhoudend te [plaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/586 van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 16 november 2005 in het geding tussen:

appellant

en

de raad voor rechtsbijstand te 's-Hertogenbosch.

1.    Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 25 augustus 2004 heeft de raad voor rechtsbijstand te 's-Hertogenbosch (hierna: de raad) een zogenoemde aanvraag toestemming bewerkelijke zaak van appellant behorend bij toevoeging nummer 1CT8428 afgewezen en een zelfde aanvraag van appellant behorend bij toevoeging nummer 1CL6791 buiten behandeling gesteld.

Bij besluit van 20 januari 2005 heeft de raad het door appellant gemaakte bezwaar tegen de afwijzing van zijn aanvraag ongegrond verklaard en het door appellant gemaakte bezwaar tegen het buiten behandeling stellen van zijn aanvraag gegrond verklaard, dat primaire besluit vernietigd en die aanvraag ook afgewezen.

Bij uitspraak van 16 november 2005, verzonden op 22 november 2005, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 29 december 2005, bij de Raad van State ingekomen op 30 december 2005, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 3 maart 2006 heeft de raad van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 juni 2006, waar partijen niet zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 13, eerste lid, van het Besluit Vergoedingen rechtsbijstand 2000 (hierna: het Bvr 2000) wordt, indien in een procedure de tijdsbesteding aan de verlening van rechtsbijstand uitgaat boven het aantal uren dat gelijk is aan drie maal het aantal punten dat in de bijlage voor het desbetreffende rechtsterrein of soort zaak of op grond van artikel 6 is bepaald, voor elk uur waarin boven deze grens rechtsbijstand wordt verleend, één punt toegekend mits het bureau de begroting van de tijdsbesteding voor de naar verwachting nog te verrichten werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid van artikel 31, heeft goedgekeurd.

   Ingevolge artikel 31, eerste lid, van het Bvr 2000 - voor zover thans van belang - dient de rechtsbijstandverlener bij het bereiken van de in artikel 13 bedoelde tijdgrens een aanvraag in bij het bureau tot vaststelling van de vergoeding voor de verrichte werkzaamheden. Tegelijkertijd legt hij een begroting over met betrekking tot de tijdsbesteding van de naar verwachting nog te verrichten werkzaamheden.

   Ingevolge het tweede lid van dit artikel stemt het bureau geheel of gedeeltelijk in met de begroting, bedoeld in het eerste lid, indien het van oordeel is dat de rechtsbijstand doelmatig wordt verleend.

2.2.    Appellant heeft inzake twee toevoegingen verzocht om vergoeding van extra uren. Daartoe heeft hij aangevoerd dat hij blijkens de bij zijn aanvragen gevoegde urenstaten al meer tijd aan de zaken heeft besteed dan waarvoor hij een toevoeging heeft gekregen en dat hij naar verwachting nog meer tijd aan deze zaken zal moeten besteden. De raad heeft in geen van beide zaken het verzoek ingewilligd, omdat geen sprake is van bewerkelijke zaken in vergelijking met andere soortgelijke zaken.

2.3.    Appellant kan zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank dat de raad in redelijkheid heeft kunnen besluiten de aanvragen om vergoeding van extra uren af te wijzen omdat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat in deze zaken sprake is van een veelheid aan juridisch relevante feiten en van rechtsvragen van uitzonderlijke aard die de zaken, in vergelijking met andere soortgelijke zaken, zo specifiek maken dat meer werkzaamheden noodzakelijk zijn dan binnen de daarvoor vastgestelde uren kunnen worden verricht.  

2.4.    De raad pleegt blijkens het Handboek Vergoedingen de begroting van de tijdsbesteding voor de naar verwachting nog te verrichten werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid van artikel 31 van het Bvr 2000, goed te keuren, wanneer de zaak in vergelijking met andere soortgelijke zaken zodanig feitelijk en/of juridisch gecompliceerd is, dat de behandeling daarvan in redelijkheid niet binnen de tijdgrens heeft kunnen plaatsvinden en nog de begrote tijd vergt. Een zaak is volgens de raad feitelijk gecompliceerd, indien zich een veelheid van juridisch relevante feiten voordoet. Een zaak is volgens hem juridisch gecompliceerd, indien, binnen het bereik van de afgegeven toevoeging, rechtsvragen beantwoord moeten worden die uitzonderlijk van aard zijn en slechts zeer incidenteel voorkomen.

2.5.    Het betoog van appellant faalt. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het hiervoor weergegeven door de raad gevoerde beleid niet onredelijk is. Voorts heeft de rechtbank terecht overwogen dat appellant zich beroept op een uitzonderingssituatie, waardoor het aan hem is om aannemelijk te maken dat sprake is van bewerkelijke zaken. De door appellant aangevoerde omstandigheden dat hij nog een of meer tussenbeschikkingen verwacht, dat hij een extra verweer moet voeren wegens eisvermeerdering door de wederpartij van cliënt en dat hij naar Assen moet reizen voor de zitting, geven geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich in dit geval niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de zaken niet zodanig bewerkelijk waren, dat de rechtsbijstand niet binnen het normale aantal uren dat voor deze zaken is bepaald, zou kunnen worden verricht. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat, zoals ook de raad in zijn brief van 3 maart 2006 heeft gesteld, ingevolge artikel 7, tweede lid, en artikel 24, eerste lid, van het Bvr 2000 extra punten kunnen worden toegekend wegens het bijwonen van een extra zitting en wegens reistijdverlet.

2.6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk    w.g. Klein

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2006.

176-497.