Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AX9067

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-06-2006
Datum publicatie
21-06-2006
Zaaknummer
200509601/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 november 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (hierna: het college) de subsidie op termijn op grond van de Subsidieverordening Stadsvernieuwing Amsterdam 1994 (hierna: de Subsidieverordening) voor de restauratie van het pand [locatie] te Amsterdam definitief vastgesteld op ƒ 149.479,00 / € 67.830,61 (inclusief leges en BTW), deze subsidie op termijn betaalbaar gesteld aan het einde van het lopende kwartaal van het jaar waarin de termijn van 15 jaren na definitieve vaststelling van de subsidie is verstreken, onder oplegging van de verplichting dat appellant, alsmede de rechtsopvolger, het pand conform het goedgekeurde onderhoudsplan gedateerd 24 december 1996 zal onderhouden, alsmede bepaald dat vervreemding binnen 15 jaren na deze vaststelling leidt tot herziening van de subsidie ingevolge artikel 16 van de Subsidieverordening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200509601/1.

Datum uitspraak: 21 juni 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Amsterdam,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04/1571 van de rechtbank Amsterdam van 13 oktober 2005 in het geding tussen:

appellant

en

het dagelijks bestuur van het Stadsdeel Amsterdam-Centrum van de gemeente Amsterdam.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 29 november 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (hierna: het college) de subsidie op termijn op grond van de Subsidieverordening Stadsvernieuwing Amsterdam 1994 (hierna: de Subsidieverordening) voor de restauratie van het pand [locatie] te Amsterdam definitief vastgesteld op ƒ 149.479,00 / € 67.830,61 (inclusief leges en BTW), deze subsidie op termijn betaalbaar gesteld aan het einde van het lopende kwartaal van het jaar waarin de termijn van 15 jaren na definitieve vaststelling van de subsidie is verstreken, onder oplegging van de verplichting dat appellant, alsmede de rechtsopvolger, het pand conform het goedgekeurde onderhoudsplan gedateerd 24 december 1996 zal onderhouden, alsmede bepaald dat vervreemding binnen 15 jaren na deze vaststelling leidt tot herziening van de subsidie ingevolge artikel 16 van de Subsidieverordening.

Bij besluit van 24 februari 2004 heeft het dagelijks bestuur van het Stadsdeel Amsterdam-Centrum van de gemeente Amsterdam (hierna: het dagelijks bestuur) het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en de subsidie definitief vastgesteld op € 68.600,68 (inclusief leges en BTW).

Bij uitspraak van 13 oktober 2005, verzonden op 17 oktober 2005, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 november 2005, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 26 januari 2006 heeft het dagelijks bestuur van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 mei 2006, waar appellant in persoon en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. B.W. Kemper, H. Hemstede en R. Pellemans, allen ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 1, aanhef en onder c, van de Subsidieverordening wordt onder casco verstaan de hoofdstructuur van een pand, bestaande uit:

dragende onderdelen (funderingen, gevels, balkdragende muren, kapconstructies en balklagen); vloeren en trappen; binnenafwerkingen (zoals binnenpleisterwerk en gewelven); buitenafwerkingen (schilderwerk, pleisterwerk en voegwerk); schoorstenen, dakkapellen, kozijnen, ramen en deuren; dakbedekkingen, goten en hemelwaterafvoeren; rookkanalen.

   Ingevolge artikel 1, aanhef en onder i, van de Subsidieverordening wordt onder restauratie verstaan herstelwerkzaamheden die noodzakelijk zijn voor de instandhouding van een monument en die het normale onderhoud te boven gaan.

   Ingevolge artikel 1, aanhef en onder k, van de Subsidieverordening wordt onder subsidiabele kosten verstaan de kosten die noodzakelijk zijn om de onderdelen van een monument of beeldbepalend pand, die monumentale of beeldbepalende waarden bezitten, op sobere en doelmatige wijze te herstellen of te conserveren.

   Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Subsidieverordening, voor zover thans van belang, kunnen burgemeester en wethouders de eigenaar van een monument een bijdrage toekennen in de subsidiabele kosten van restauratie.

   Ingevolge het derde lid van dit artikel wordt onder de subsidiabele kosten van een restauratie verstaan:

a. het deel van de aanneemsom dat betrekking heeft op het herstel van (onderdelen van) het casco, alsmede onderdelen die de monumentale waarde van het pand mede bepalen, zoals decoratieve gevelelementen en stoepen, en interieuronderdelen, zoals betimmeringen, plafonds en schoorsteenmantels;

b. de kosten van architect en constructeur, alsmede de kosten van toezicht en de kostenbewaking, voor zover deze betrekking hebben op de ingevolge onder a als subsidiabel aan te merken restauratiewerkzaamheden;

c. de kosten die voortvloeien uit het herstel van onvoorziene bouwkundige gebreken die tijdens de restauratiewerkzaamheden worden geconstateerd, mits bijtijds gemeld en geaccordeerd, tot een maximum van 10% van de kosten zoals vermeld onder a en b.;

d. het deel van de legeskosten dat betrekking heeft op de ingevolge onder a, b en c vastgestelde subsidiabele kosten;

e. de BTW over de ingevolge onder a, b en c vastgestelde subsidiabele kosten, voor zover deze niet bij 's rijks belastingen kan worden teruggevorderd.

   Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Subsidieverordening wordt de bijdrage toegekend in de vorm van een bijdrage op termijn, welke betaalbaar wordt gesteld aan het einde van het lopende kwartaal van het jaar waarin een termijn van 15 jaar na vaststelling van de bijdrage is verstreken.

   Ingevolge artikel 13, aanhef en onder d, van de Subsidieverordening wordt de bijdrage, onverminderd het elders in deze verordening bepaalde, toegekend onder voorwaarde dat niet wordt afgeweken van het goedgekeurde plan, behalve voor zover voorafgaande toestemming van burgemeester en wethouders is verkregen.

   Ingevolge artikel 14, eerste lid, aanhef en onder a en onder b, van de Subsidieverordening stellen burgemeester en wethouders de bijdrage vast nadat de in de aanvraag opgenomen werkzaamheden schriftelijk gereed zijn gemeld onder indiening van de daarop betrekking hebbende gegevens, onder meer de originele rekeningen en betalingsbewijzen inzake de uitgevoerde werkzaamheden, alsmede de totale kostenopstelling waarin de verrichte werkzaamheden op dezelfde wijze zijn gerangschikt als in de begroting en, voor zover van toepassing, een lijst van meer- en minderwerk en voorts nadat bedoelde werkzaamheden door of vanwege burgemeester en wethouders zijn gecontroleerd en akkoord bevonden.

   Ingevolge het tweede lid van dit artikel, voor zover thans van belang, stellen burgemeester en wethouders de vastgestelde bijdrage betaalbaar, mits aan alle in deze verordening vermelde voorwaarden is voldaan.

2.2.    Bij op 7 april 1997 verzonden besluit heeft het college, de rechtsvoorganger van het dagelijks bestuur, aan appellant op grond van de Subsidieverordening een subsidie verleend ten bedrage van ƒ 458.489,00 / € 208.053,24 (inclusief leges en BTW) voor de restauratie van het pand aan de [locatie] te Amsterdam. In dit besluit is voorts bepaald dat de bijdrage wordt herzien indien de werkelijke kosten van de getroffen subsidiabele voorzieningen afwijken van de door het gemeentelijk bureau Monumentenzorg goedgekeurde begroting op grond waarvan de subsidiabele kosten ƒ 451.724,00 / € 204.983,41 (exclusief leges en inclusief BTW) bedragen. Tevens heeft het college daarbij bepaald dat de subsidie zal worden vastgesteld nadat, na voltooiing van de werkzaamheden, deze zijn gecontroleerd en akkoord bevonden. Op 10 april 2000 heeft appellant de eindafrekening voor de eerste fase ingediend. Desgevraagd heeft hij nadere facturen en declaratieformulieren ingediend, die het dagelijks bestuur tot een bedrag van ƒ 372.000,00 / € 168.806,24 op 4 augustus 2000 ten behoeve van de financiering door het Nederlands Restauratiefonds heeft geaccordeerd. Bij een inspectie van het pand door medewerkers van het gemeentelijk bouwtoezicht en het gemeentelijk bureau Monumentenzorg op 22 september 2000 zijn afwijkingen van het bouwplan en de in het besluit van 7 april 1997 bedoelde begroting geconstateerd. Bij het primaire besluit van 29 november 2001 heeft het college vervolgens de subsidie op een lager bedrag vastgesteld en daarna bij beslissing op bezwaar van 24 februari 2004 op voornoemd bedrag van € 68.600,68.

2.3.    In geschil is of het dagelijks bestuur de subsidie in redelijkheid lager heeft kunnen vaststellen op de grond dat de werkelijke kosten van de getroffen subsidiabele voorzieningen afwijken van de in de goedgekeurde begroting vervatte kosten. Hierbij dient in aanmerking te worden genomen dat als niet gemotiveerd weersproken vaststaat dat een aantal in die begroting voorkomende subsidiabele werkzaamheden niet is uitgevoerd en voorts niet in geschil is dat naast subsidiabele werkzaamheden ook niet subsidiabele werkzaamheden zijn uitgevoerd.

2.4.    Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat hij ervan mocht uitgaan dat 100% van de werkelijke subsidiabele kosten zou worden vergoed. Voorts betoogt hij dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het dagelijks bestuur niet is gebonden aan de goedkeuring van de declaratieformulieren, ten bedrage van ƒ 372.000,00 / € 168.806,24. Hij heeft hieraan zijns inziens de gerechtvaardigde verwachting kunnen ontlenen dat dit bedrag zou worden vergoed.

2.4.1.    Dit betoog faalt. Uit artikel 6 van de Subsidieverordening volgt dat het college een discretionaire bevoegdheid heeft ter zake van het verlenen van een restauratiesubsidie en dat onder meer subsidiabel zijn de kosten voor herstel van het casco en voor onderdelen die de monumentale waarde van het pand bepalen. Uit artikel 14 van de Subsidieverordening vloeit voort dat de subsidie eerst wordt vastgesteld nadat de in de aanvraag opgenomen voorzieningen gereed zijn gemeld en hiervoor financieel verantwoording is afgelegd en nadat de werkzaamheden gecontroleerd en akkoord zijn bevonden.

   Het dagelijks bestuur heeft, zoals door de rechtbank met juistheid is overwogen, de vaststelling van de subsidie gezien artikel 14 van de Subsidieverordening terecht gebaseerd op de door appellant ingediende eindafrekening. Bij het vaststellingsbesluit heeft het dagelijks bestuur een aantal kostenposten die in de eindafrekening waren opgenomen niet vergoed, omdat die betrekking hebben hetzij op werkzaamheden die wel in de aanvraag zijn opgenomen, maar niet zijn uitgevoerd, hetzij op werkzaamheden die niet in de aanvraag zijn opgenomen. Ter zitting is in dit verband nader toegelicht dat voor een zeer aanzienlijk bedrag werkzaamheden, waaronder het aanbrengen van een in de aanvraag opgenomen schuine kap en een fundering, niet zijn uitgevoerd. Het dagelijks bestuur heeft in een brief van 15 oktober 2003 aan appellant meegedeeld welke van de in diens eindafrekening opgenomen posten om de in die brief genoemde redenen niet voor vergoeding in aanmerking kwamen. Appellant heeft niet inhoudelijk op deze brief gereageerd, maar volstaan met het indienen van een nieuwe eindafrekening. Met het enkel indienen van een nieuwe eindafrekening die, anders dan appellant heeft aangevoerd, niet als een deskundigenadvies kan worden aangemerkt, heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat het dagelijks bestuur bij de vaststelling van de subsidie de betreffende kostenposten ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten. Dat volgens appellant een afrekening naar redelijkheid zou moeten plaatsvinden en ook kosten voor werkzaamheden die niet in de oorspronkelijke begroting waren opgenomen voor subsidie in aanmerking kunnen komen, volgt niet uit de Subsidieverordening.

   Gelet op het vorenoverwogene heeft het dagelijks bestuur in redelijkheid de subsidie, gelet op artikel 14 van de Subsidieverordening, lager kunnen vaststellen dan in het verleningsbesluit van 7 april 1997 en heeft het deze afwijking voldoende gemotiveerd. Het beroep van appellant op het vertrouwensbeginsel kan hieraan niet afdoen, nu gelet op het bepaalde in dat artikel aan de enkele goedkeuring van de declaratieformulieren ten behoeve van de financiering door het Nederlands Restauratiefonds niet de gerechtvaardigde verwachting kan worden ontleend dat de subsidie zou worden vastgesteld op hetzelfde bedrag als vervat in het besluit van 7 april 1997, zonder dat daarbij overeenkomstig het bepaalde in artikel 14 van de Subsidieverordening acht zou worden geslagen op de eindafrekening. Ook de rechtbank is tot dit oordeel gekomen. De Afdeling heeft bij de verwerping van het beroep op het vertrouwensbeginsel mede in aanmerking genomen dat appellant, door de schuine kap en de fundering niet aan te brengen, behoorde te weten dat de subsidie niet overeenkomstig het verleningsbesluit zou kunnen worden vastgesteld.

2.5.    Voor zover appellant betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de termijn van 15 jaren aanvangt op het moment dat het krediet wordt afgesloten, faalt dit betoog, reeds omdat uit artikel 7 van de Subsidieverordening volgt dat de daarin genoemde termijn van 15 jaren aanvangt na de vaststelling van de bijdrage.

2.6.    Gelet op het vorenoverwogene is het hoger beroep ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. J.H.B. van der Meer en mr. Ch.W. Mouton, Leden, in tegenwoordigheid van mr. D. Haan, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek    w.g. Haan

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2006

164-505.