Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AX9065

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-06-2006
Datum publicatie
21-06-2006
Zaaknummer
200507582/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 november 2001 heeft de burgemeester van Groningen (hierna: de burgemeester) de exploitatievergunning van appellant voor het pand [locatie] te Groningen ingetrokken voor een periode van twee weken van 12 november tot en met 25 november 2001.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200507582/1.

Datum uitspraak: 21 juni 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Groningen,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 02/1207 van de rechtbank Groningen van 19 juli 2005 in het geding tussen:

appellant

en

de burgemeester van Groningen.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 6 november 2001 heeft de burgemeester van Groningen (hierna: de burgemeester) de exploitatievergunning van appellant voor het pand [locatie] te Groningen ingetrokken voor een periode van twee weken van 12 november tot en met 25 november 2001.

Bij besluit van 13 november 2002 heeft de burgemeester, voorzover thans van belang, het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 juli 2005, verzonden op 20 juli 2005, heeft de rechtbank Groningen (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 29 augustus 2005, bij de Raad van State ingekomen op 30 augustus 2005, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 27 september 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 22 december 2005 heeft de burgemeester van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 april 2006, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. W.R. van der Velde, advocaat te Groningen, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. G.J. Bouma, werkzaam bij de gemeente, bijgestaan door mr. R. Snel, advocaat te Groningen, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 95c, aanhef en onder f van de Algemene Plaatselijke Verordening Groningen (hierna: de APVG) kan de burgemeester de vergunning tijdelijk of voor onbepaalde tijd, gedeeltelijk of geheel intrekken, indien in de prostitutie-inrichting een prostitué(e) zonder een voor het verrichten van arbeid geldige verblijfstitel wordt aangetroffen.

   Ingevolge artikel 108, eerste lid, van de Gemeentewet wordt de bevoegdheid tot regeling en bestuur inzake de huishouding van de gemeente aan het gemeentebestuur overgelaten.

   Ingevolge artikel 151a, eerste lid, van de Gemeentewet kan de raad een verordening vaststellen waarin voorschriften worden gesteld met betrekking tot het bedrijfsmatig geven van gelegenheid tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling.

2.2.    Appellante betoogt dat de rechtbank ten onrechte haar standpunt dat de gemeenteraad in hoofdstuk 3 van de APVG een onderwerp heeft geregeld dat niet tot de huishouding van de gemeente zou behoren, heeft verworpen. Zij voert daartoe aan dat de rechtbank heeft miskend dat de parlementaire geschiedenis bij artikel 151a van de Gemeentewet de hoofdregel van artikel 108 van de Gemeentewet niet opzij kan zetten. Appellante brengt naar voren dat genoegzaam vaststaat dat er in Groningen geen relatie is tussen illegale prostitutie en de openbare orde, zodat de verblijfsrechtelijke status van prostituees buiten de grenzen van de gemeentelijke huishouding valt. Artikel 151a van de Gemeentewet maakt dat niet anders, aldus appellante.

2.2.1.    Dit betoog faalt. Met de opheffing van het bordeelverbod uit het Wetboek van Strafrecht per 1 oktober 2000 heeft de wetgever beoogd dat gemeenten hun beleid richten op het beheersen, sturen en saneren van de prostitutiebranche en het verbeteren van de daarin bestaande arbeidsomstandigheden (TK, vergaderjaar 1996-1997, 25 437, nr. 3, blz. 7). Daarbij heeft de wetgever uitdrukkelijk voor ogen gestaan dat niet alleen voorschriften worden gegeven die ertoe strekken niet te aanvaarden overlast voor de buurt te voorkomen, maar ook voorschriften die erop zijn gericht, voor zover hier van belang, prostitutie door personen zonder voor het verrichten van arbeid geldige verblijfstitel tegen te gaan. Niet naleving van deze voorschriften brengt een verstoring van het publieke leven mee en leidt aldus tot een inbreuk op de openbare orde in de gemeente. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat niet kan worden geoordeeld dat de burgemeester terugdringen van prostitutie door illegalen in het kader van de bestrijding van mensenhandel niet heeft mogen aanmerken als rechtstreeks betrekking hebbend op de, tot de huishouding van de gemeente behorende, openbare orde. Met haar stelling dat niet is gebleken dat de aanwezigheid van illegale prostituees in Groningen daadwerkelijk de openbare orde heeft verstoord, geeft appellante blijk van een te beperkte interpretatie van dat begrip.

   Het betreft hier derhalve een aangelegenheid die de huishouding van de gemeente raakt, zodat de raad van de gemeente Groningen met het opnemen van artikel 95c, aanhef en onder f, in de APVG de grenzen van zijn verordenende bevoegdheid niet heeft overschreden.

2.3.    Appellante betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat aan de vaststelling dat de aangetroffen prostituees ten tijde hier in geding op grond van artikel 8, aanhef en onder f, van de Vw 2000 rechtmatig in Nederland verbleven, niet de gevolgtrekking kan worden verbonden dat zij tevens rechtmatig als zelfstandige werkzaam waren. Daartoe voert zij aan dat de prostituees het recht om hier te lande als zelfstandige arbeid te verrichten kunnen ontlenen aan de zogenaamde Associatieovereenkomsten. Volgens appellante kan het niet zo zijn dat een bepaling uit de APVG dit recht illusoir maakt.

2.3.1.    Ook dit betoog faalt. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 10 januari 2003 in zaak no. 200205287/1 (JV 2003/131), maakt de omstandigheid dat de prostituees in afwachting van een beslissing op de aanvraag om een verblijfsvergunning rechtmatig in Nederland verblijven, niet dat zij in dat stadium aan de zogenoemde Associatieovereenkomsten, tussen de landen uit het voormalige Oostblok enerzijds en de Europese Gemeenschappen en hun Lid-Staten anderzijds, aanspraak kunnen ontlenen om hier te lande arbeid als zelfstandige te mogen verrichten. Zolang de prostituees niet hebben voldaan aan de in de Nederlandse wetgeving gestelde procedurele vereisten voor verlening van een verblijfsvergunning en het daaraan gekoppelde en aan de Associatieovereenkomsten ontleende recht arbeid te verrichten als zelfstandige, is hun het verrichten van arbeid hier te lande in elk geval niet toegestaan. Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 27 september 2001 ([…]; JV 2001/304) moet worden afgeleid dat het op deze wijze reguleren van de aanspraak op vestiging in overeenstemming is met artikel 59 van de desbetreffende Overeenkomst. Niet in geschil is dat de aangetroffen prostituees niet in het bezit waren van een voor het verrichten van arbeid als zelfstandige afgegeven verblijfsdocument. Gelet hierop heeft de burgemeester zich op het standpunt mogen stellen dat in de prostitutie-inrichtingen van appellante prostituees zonder een voor het verrichten van arbeid geldige verblijfstitel als bedoeld in artikel 95c, aanhef en onder f van de APVG zijn aangetroffen en kon hij dit voorschrift aan de onderhavige maatregel tot tijdelijke intrekking van de exploitatievergunningen ten grondslag leggen.

2.4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. J.A.M. van Angeren en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Haverkamp, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk    w.g. Haverkamp

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2006

306-440.