Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AX9049

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-06-2006
Datum publicatie
21-06-2006
Zaaknummer
200601804/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 oktober 2005 heeft appellant (hierna: de Minister) beslist op een door [gemachtigde] namens de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid NRC Handelsblad B.V. (hierna: NRC) gedaan verzoek om openbaarmaking van documenten, waaronder de rittenadministratie van de Minister.

Wetsverwijzingen
Wet openbaarheid van bestuur
Wet openbaarheid van bestuur 10
Voorzieningenbesluit ministers en staatssecretarissen
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2006, 307 met annotatie van P.J. Stolk
JB 2006/234
JIN 2006/419
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200601804/1.

Datum uitspraak: 15 juni 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak nos. VWOB 06/320 en WOB 06/333 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 21 februari 2006 in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid NRC Handelsblad B.V., gevestigd te Rotterdam

en

appellant.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 4 oktober 2005 heeft appellant (hierna: de Minister) beslist op een door [gemachtigde] namens de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid NRC Handelsblad B.V. (hierna: NRC) gedaan verzoek om openbaarmaking van documenten, waaronder de rittenadministratie van de Minister.

Bij besluit van 21 december 2005 heeft de Minister het daartegen door NRC gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 februari 2006, verzonden op 22 februari 2006, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, het daartegen door NRC ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de Minister een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de Minister bij brief, bij de Raad van State ingekomen per faxbericht op 7 maart 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 13 maart 2006 heeft NRC toestemming verleend, als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Bij brief van 29 maart 2006 heeft zij van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 april 2006, waar de Minister, vertegenwoordigd door mr. E.J. Daalder, advocaat te Den Haag, en NRC, vertegenwoordigd door [redacteuren] bij NRC, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 10, eerste lid van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege voor zover dit:

[…]

b. de veiligheid van de staat zou kunnen schaden;

[…]

   Ingevolge het tweede lid blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:

[…]

e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;

[…]

g. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.

2.2.    Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit is - voorzover thans van belang - met een beroep op voormeld artikel 10, eerste lid, onder b, en het tweede lid, onder e en g, geweigerd om de rittenadministratie van de Minister openbaar te maken.

2.3.    De voorzieningenrechter heeft, na vernietiging van dat besluit op een grond die in hoger beroep niet in geschil is, de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit niet in stand gelaten, omdat weliswaar uit een deel van de rittenadministratie - over de periode juli 2002 tot 13 september 2005 - een zodanig patroon zou kunnen worden afgeleid, dat openbaarmaking daarvan een veiligheidsrisico met zich zou kunnen brengen, doch waar geen patroon valt te ontdekken, met name bij privéreizen naar het buitenland, niet valt in te zien dat het bekend worden van deze vervoersbewegingen achteraf, af zou doen aan de beveiligingsmogelijkheden van de Minister, zodat evenmin valt in te zien dat niet onder toepassing van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder c of d, van de Wob informatie kan worden verstrekt.

2.4.    In hoger beroep richt de Minister zich met name tegen het aldus gemaakte onderscheid. De Minister voert aan dat uit de desbetreffende overwegingen niet duidelijk is, welke ritten binnen of buiten een patroon vallen en dat, zo bij privé-reizen naar het buitenland of incidentele ritten al geen sprake is van een patroon, de informatie daarover zozeer met de informatie die met een beroep op de veiligheid van de staat mag worden geweigerd is verweven, dat geen verplichting bestaat informatie over die ritten te verstrekken. Verder miskent de voorzieningenrechter volgens de Minister dat een rit die op het eerste gezicht een incidenteel karakter heeft en daarmee buiten een patroon lijkt te vallen, bij nader inzien wel degelijk aan een patroon is te relateren en daardoor inzicht biedt in dat patroon. Openbaarmaking van die ritgegevens, in combinatie met gegevens uit openbare en voor derden toegankelijke bronnen, levert volgens de Minister een niet aanvaardbaar veiligheidsrisico op.

2.5.    De Minister betoogt aldus dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat openbaarmaking van één of meer gegevens uit de rittenadministratie, ook waar het incidentele ritten betreft, tot een veiligheidsrisico zal leiden, in elk geval wanneer deze worden gecombineerd met andere, anderszins bekende, gegevens. Desgevraagd heeft de Minister te kennen gegeven dat zijn desbetreffende oordeel louter is gebaseerd op eigen inzichten en algemeen aanvaarde gezichtspunten terzake van persoonsbeveiliging. Uit het oogpunt van een zorgvuldige voorbereiding, alsmede een deugdelijke motivering van het besluit omtrent openbaarmaking van de rittenadministratie, mocht de Minister in dit geval evenwel niet volstaan met het geven van zijn eigen oordeel omtrent de gestelde veiligheidsrisico's. De Minister heeft geen specifieke deskundigheid terzake. Bovendien is de beoordeling van de mogelijke veiligheidsrisico's te zeer aan deskundigen met specifieke kennis op het terrein van veiligheid en beveiliging voorbehouden om die risico's als van algemene bekendheid aan te merken, althans kan het standpunt van de Minister terzake, indien betwist, niet zonder meer als juist worden aanvaard. Nu aan het beroep op de staatsveiligheid geen deskundigenadvies ten grondslag is gelegd, berust de weigering in zoverre op onvoldoende zorgvuldig onderzoek en aldus op een onvoldoende deugdelijke motivering. Het beroep op de staatsveiligheid, als thans door de Minister gedaan en aan het besluit tot weigering ten grondslag gelegd, slaagt derhalve niet. In zoverre heeft de voorzieningenrechter terecht geen aanleiding gezien om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 21 december 2005 in stand te laten en faalt het betoog van de Minister. Dat geldt evenzeer voor het beroep op het belang van het voorkomen van onevenredige benadeling wegens verhoogde veiligheidsrisico's.

2.6.    De Minister betoogt voorts dat de voorzieningenrechter het mede aan de weigering ten grondslag gelegde beroep op het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de Minister ten onrechte niet heeft gehonoreerd. Ook heeft de voorzieningenrechter volgens de Minister bij de toetsing van het beroep op voormelde weigeringsgrond niet de nodige terughoudendheid betracht, doch heeft deze zelf de in artikel 10, tweede lid, van de Wob voorgeschreven belangenafweging uitgevoerd in plaats van de belangenafweging van de Minister te toetsen.

2.7.    Dienaangaande wordt als volgt overwogen. Het is aan de Minister om de betrokken belangen af te wegen, waarbij aan het uitgangspunt van de Wob - dat openbaarheid regel is - het nodige gewicht toekomt en aan de rechter om de uitkomst daarvan op rechtmatigheid te toetsen.

   De Minister heeft aan de weigering mede ten grondslag gelegd dat het belang van de eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer zich ertegen verzet dat informatie uit de rittenadministratie over plaatsen en personen die hij privé heeft bezocht openbaar wordt. In dat verband acht de Minister van belang dat hij ingevolge het 'Voorzieningenbesluit ministers en staatssecretarissen' uit een oogpunt van veiligheid verplicht is ook voor zijn privé-vervoer, met uitzondering van vakantiereizen, zoveel mogelijk gebruik te maken van een dienstauto. In dat verband heeft de Minister aangevoerd dat, anders dan NRC stelt, niet iedere buitenlandse privéreis als een vakantiereis is aan te merken.

   Niet kan worden geoordeeld dat het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer in dit geval niet aan de orde is. Dat het gebruik van de dienstauto voor privéritten - waaronder ook ritten naar het buitenland kunnen vallen - ingevolge voornoemd besluit verplicht is, maakt niet dat gegevens betreffende plaatsen en personen die de Minister met gebruikmaking van die auto privé heeft bezocht reeds daarom zijn beroepshalve functioneren betreffen. Hoewel in aanmerking wordt genomen dat de gevraagde informatie dienstig kan zijn aan de mogelijkheid tot controle van het gebruik van publieke middelen en gedragingen van de Minister die zijn functioneren als Minister raken, levert het door NRC aangevoerde geen grond op voor het oordeel dat de Minister zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat openbaarmaking van plaatsen en personen die hij privé met de dienstauto heeft bezocht een zodanige inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer zou betekenen, dat het belang dat met het verstrekken van de gevraagde informatie is gediend, hier in dit geval niet tegen opweegt. De Minister stelt zich terecht op het standpunt dat het weglaten van concrete adressen, voor zover deze in de rittenadministratie zijn vermeld, geen oplossing biedt, omdat ook door kennisneming van de plaatsen waarheen de Minister zich beweegt, al dan niet in combinatie met anderszins bekende gegevens, ook het doel van de reis bekend kan worden.

2.7.1.    Nu uit het voorgaande volgt dat informatieverstrekking over privéritten achterwege kon blijven met een beroep op het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, resteert de vraag of de Minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat het gegeven dat bij sommige zakelijke ritten passagiers met hem zijn meegereisd zich verzet tegen openbaarmaking van informatie over die ritten. Deze vraag wordt ontkennend beantwoord, nu de naam van de passagier(s), alsmede die van de chauffeur, kunnen worden weggelaten. In zoverre heeft de Minister de weigering om informatie uit de rittenadministratie openbaar te maken niet met een beroep op het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer kunnen rechtvaardigen en faalt het betoog.

2.8.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak komt, zij het met verbetering van de gronden waarop deze rust, voor bevestiging in aanmerking.

2.9.    Van proceskosten van NRC die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. B.J. van Ettekoven, Leden, in tegenwoordigheid van mr. I.A. Molenaar, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb    w.g. Molenaar

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2006

369.