Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AX9046

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-06-2006
Datum publicatie
21-06-2006
Zaaknummer
200509480/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 juni 2003 heeft verweerder een verzoek van appellant van 28 oktober 2002 om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen wegens overtreding door het Graaf Huyn College van voorschrift 1.1.1 van de bijlage bij het Besluit woon- en verblijfsgebouwen milieubeheer afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.11
Besluit woon- en verblijfsgebouwen milieubeheer
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2006/4573
JOM 2006/1396
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200509480/1.

Datum uitspraak: 21 juni 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 24 juni 2003 heeft verweerder een verzoek van appellant van 28 oktober 2002 om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen wegens overtreding door het Graaf Huyn College van voorschrift 1.1.1 van de bijlage bij het Besluit woon- en verblijfsgebouwen milieubeheer afgewezen.

Bij besluit van 18 november 2003 heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 5 januari 2005 in zaak no. 200400393/1 heeft de Afdeling het tegen dit besluit ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd.

Bij besluit van 4 oktober 2005, verzonden op 6 oktober 2005, heeft verweerder het bezwaar alsnog ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 15 november 2005, bij de Raad van State ingekomen op 16 november 2005, beroep ingesteld.

Bij brief van 14 december 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 17 maart 2006. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 mei 2006, waar appellant, in persoon en bijgestaan door mr. R.A.M. Verkoijen, en verweerder, vertegenwoordigd door E.T.M. Vergoossen en J.S. Bruinsma, beiden ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    In het besluit van 24 juni 2003 heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de equivalente geluidgrenswaarde van 50 dB(A) voor de dagperiode, die is opgenomen in de tabel bij voorschrift 1.1.1 van de bijlage bij het Besluit woon- en verblijfsgebouwen milieubeheer, niet wordt overschreden, nu geen straffactor van 5 dB voor tonaal geluid behoeft te worden toegepast. Dit standpunt heeft verweerder bij het bestreden besluit gehandhaafd.

2.2.    Appellant stelt dat verweerder zich in het bestreden besluit ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het geluid van de luchtbehandelingsinstallatie van het Graaf Huyncollege ter plaatse van zijn woning niet tonaal van karakter was ten tijde van het besluit van 24 juni 2003. Volgens appellante was sprake van een duidelijk hoorbare, constante bromtoon vanwege het in werking zijn van de ventilatoren. De in opdracht van het Graaf Huyn College door Adviesbureau F. Lemmens (hierna te noemen: AFL) verrichte metingen acht appellant daarom van ondergeschikt belang. Naar zijn mening had verweerder vanwege het tonale karakter van het geluid een straffactor van 5 dB moeten toepassen.

2.2.1.    Verweerder wijst in het bestreden besluit op het door AFL opgestelde akoestisch rapport van 3 april 2004, notitie 200333-1 (hierna te noemen: het akoestisch rapport), waaruit valt af te leiden dat de waarneembaarheid van de toon bij 451 Hz zich ten opzichte van het hele geluidsbeeld laat uitdrukken met 3,2 dB. Gelet op de kritische bandbreedtemethode is volgens verweerder in dat geval geen sprake van een duidelijk waarneembaar tonaal karakter.

2.2.2.    Nu verweerder zich heeft gebaseerd op het akoestisch rapport van AFL voor het antwoord op de vraag of het van de luchtbehandelingsinstallatie afkomstige geluid een tonaal karakter had ter plaatse van de woning van appellant, dient te worden beoordeeld of hij op grond van dit rapport heeft mogen concluderen dat geen sprake was van tonaal geluid. Daarbij is in dit geval met name van belang of de methode waarmee in dit rapport is vastgesteld dat geen sprake is van tonaal geluid, te weten de zogenoemde "kritische bandbreedtemethode" als beschreven in ISO 1996-2, Annex C van mei 2001, kan worden beschouwd als een representatieve methode waarmee tonaliteit kan worden vastgesteld. In het deskundigenbericht is vermeld dat het toononderscheidend vermogen van het menselijk gehoor en het fenomeen maskering, die aan de kritische bandbreedtemethode ten grondslag liggen, als algemeen aanvaarde technisch-wetenschappelijke inzichten beschouwd mogen worden en dat de kritische bandbreedtemethode daarom als een betrouwbare en bovendien reproduceerbare en verifieerbare methode mag worden aangemerkt om de mate van waarneembaarheid van tonen in een breedbandig geluidssignaal vast te stellen. Voorts kan uit het deskundigenbericht worden afgeleid dat AFL de kritische bandbreedtemethode in dit geval op een juiste wijze heeft toegepast. Gezien het deskundigenbericht ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich in dit geval voor zijn oordeel over het al dan niet tonale karakter van het geluid van de luchtbehandelingsinstallatie mocht baseren op het akoestisch rapport van AFL. Hetgeen door appellant is aangevoerd, te weten dat enkel de menselijke waarneming doorslaggevend mag zijn bij de beantwoording van de vraag of al dan niet sprake is van tonaal geluid, doet aan het vorenstaande niet af, nu de kritische brandbreedtemethode op een technisch-wetenschappelijke wijze inzichtelijk maakt of de mens een geluid al dan niet als tonaal zal waarnemen.

   Nu verweerder gelet op het vorenstaande heeft mogen concluderen dat geen sprake was van tonaal geluid, was er geen aanleiding voor het toepassen van een straffactor van 5 dB, zodat evenmin sprake was van een overtreding van voorschrift 1.1.1 van de bijlage bij het Besluit woon- en verblijfsgebouwen milieubeheer. Nu verweerder derhalve niet bevoegd was tot het toepassen van bestuurlijke handhavingsmiddelen, heeft hij bij het bestreden besluit het bezwaar tegen de afwijzing van het verzoek om handhaving terecht ongegrond verklaard.        

2.3.    Het beroep is ongegrond. Reeds om die reden dient het verzoek om schadevergoeding, gelet op artikel 8:73, eerste lid, van de

Algemene wet bestuursrecht, te worden afgewezen.

2.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep ongegrond;

II.    wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, Voorzitter, en mr. J.R. Schaafsma en mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.I.Y. Lap, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Kreveld    w.g. Lap

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2006

288.