Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AX9042

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-06-2006
Datum publicatie
21-06-2006
Zaaknummer
200507726/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 augustus 2005 heeft verweerder aan de naamloze vennootschap "N.V. Luchthaven Lelystad" een vergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een vliegveld aan de Zwaluw 2 te Lelystad. Dit besluit is op 11 augustus 2005 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.8
Wet milieubeheer 8.11
Wet geluidhinder
Wet geluidhinder 46
Wet geluidhinder 47
Wet geluidhinder 51
Wet geluidhinder 67
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2006, 47K
Milieurecht Totaal 2006/3913
JOM 2006/1391
OGR-Updates.nl 1001198
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200507726/1.

Datum uitspraak: 21 juni 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2.    [appellanten sub 2], allen wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Flevoland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 2 augustus 2005 heeft verweerder aan de naamloze vennootschap "N.V. Luchthaven Lelystad" een vergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een vliegveld aan de Zwaluw 2 te Lelystad. Dit besluit is op 11 augustus 2005 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellant sub 1 bij brief van 21 september 2005, bij de Raad van State ingekomen op 22 september 2005, en appellanten sub 2 bij brief van 25 augustus 2005, bij de Raad van State ingekomen op 2 september 2005, beroep ingesteld.

Bij brief van 8 november 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 7 maart 2006. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant sub 1. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 mei 2006, waar appellant sub 1, vertegenwoordigd door mr. C.A. van Kooten-de Jong, advocaat te Deventer, en [gemachtigde], appellanten sub 2, van wie [gemachtigden] in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. C.A.I. Eringfeld, ing. J.S. Elzinga en ing. J. Hörst, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord vergunninghoudster, vertegenwoordigd door A.H. Oude Weernink.

2.    Overwegingen

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat de bij deze wetten doorgevoerde wetswijzigingen niet van toepassing zijn op het huidige geding.

   Op 1 december 2005 zijn de wet van 16 juli 2005, houdende wijziging van de Wet milieubeheer en de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Stb. 2005, 432), en het besluit van 8 oktober 2005, houdende wijziging van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (Stb. 2005, 527), in werking getreden. Nu het bestreden besluit vóór 1 december 2005 is genomen, moet dit worden beoordeeld aan de hand van het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wet en dit besluit.

2.2.    Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel, zoals dat vóór 1 december 2005 luidde, worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voor zover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

   Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

   Bij de toepassing van artikel 8.10, eerste lid, en artikel  8.11, zoals dat vóór 1 december 2005 luidde, van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.3.    Het besluit tot vergunningverlening heeft betrekking op het proefdraaien van vliegtuigen na onderhoud, een directiekantoor en havendienstgebouw, een tankplatform voor vliegtuigen, de technische dienst en een noodstroomaggregaat. Voor de proefdraaiplaats is een gefaseerd gebruik aangevraagd. In fase I zal gebruik worden gemaakt van de bestaande proefdraaiplaats aan de noord-oostkop van de taxibaan. In fase II, die samenhangt met de voorgenomen verlenging van de start- en landingsbaan, zal in verband met het intensiveren van het proefdraaien een nieuwe, aan de noordoostgrens van het terrein van de inrichting te realiseren proefdraaiplaats in gebruik worden genomen.

2.4.    Appellanten kunnen zich er niet mee verenigen dat verweerder tot vergunningverlening heeft besloten, terwijl op dat moment zijn besluit van 13 december 2004 tot goedkeuring van het bestemmingsplan voor het vaststellen van een ruimere geluidszone, en zijn besluit van 22 oktober 2002 tot vaststelling van hogere grenswaarden, gehandhaafd bij besluit van 21 september 2004, nog niet onherroepelijk waren.

2.4.1.    De Afdeling overweegt dat in de Wet milieubeheer noch in de daarop gebaseerde regelgeving aanknopingspunten te vinden zijn voor het oordeel dat verweerder de vergunning niet had mogen verlenen voordat de door appellanten bedoelde besluiten onherroepelijk waren. Verweerder behoefde dan ook, anders dan appellant sub 1 betoogt, geen rekening te houden met de mogelijkheid dat evengenoemd besluit van 21 september 2004 zou worden vernietigd. De beroepsgrond treft geen doel.

2.5.    Appellanten vrezen voor geluidhinder met name vanwege het proefdraaien van vliegtuigen. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 22 maart 2006 in zaak no. 200500562/1 stellen zij dat verweerder bij de vergunningverlening ten onrechte is uitgegaan van de gelding van de bij besluit van 22 oktober 2002 krachtens de Wet geluidhinder vastgestelde hogere grenswaarden.

2.5.1.    De inrichting maakt deel uit van het industrieterrein "luchthaven Lelystad". Rondom het industrieterrein is krachtens artikel 53 van de Wet geluidhinder een geluidszone vastgesteld, waarbuiten de geluidbelasting vanwege het industrieterrein de waarde van 50 dB(A) niet te boven mag gaan.

   Teneinde uitbreiding van de bedrijvigheid op het industrieterrein mogelijk te maken is op 28 augustus 2003 het bestemmingsplan "Lelystad Luchthaven en omgeving en geluidszone industrielawaai Luchthaven Lelystad, partiële herziening van het bestemmingsplan Landelijk gebied Lelystad, gedeelte oostelijk Flevoland" vastgesteld. Dit plan voorziet in een wijziging van de bestaande geluidszone rondom het industrieterrein.

   Omdat de geluidbelasting van de gevels van de woningen die door de verruiming van de zone daarvan deel gaan uitmaken - waaronder de woningen van appellanten - meer dan de ingevolge artikel 67, tweede lid, gelezen in samenhang met artikel 46 van de Wet geluidhinder geldende grenswaarde van 50 dB(A) zal bedragen, heeft verweerder bij besluit van 22 oktober 2002, gehandhaafd bij besluit van 21 september 2004, met toepassing van artikel 47, eerste lid, van de Wet geluidhinder voor die woningen hogere grenswaarden vastgesteld. Verweerder heeft bij dit besluit op grond van artikel 51 van de Wet geluidhinder aan de toepassing van de verleende hogere waarden de voorwaarde gesteld dat de gemeente als beheerder van het industrieterrein een zonebeheersmodel vaststelt. De vaststelling van dit zonebeheersmodel dient volgens het besluit gelijktijdig te geschieden met de vaststelling van het bestemmingsplan waarin de verruiming van de geluidszone wordt vastgelegd.

   Bij uitspraak van 14 december 2005 in zaak no. 200408310/1 heeft de Afdeling de beroepen van appellanten tegen het besluit van 21 september 2004 ongegrond verklaard.

2.5.2.    Bij uitspraak van 22 maart 2006 in zaak no. 200500562/1 heeft de Afdeling het besluit van verweerder van 13 december 2004, waarin is beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan voor het vaststellen van een ruimere geluidszone, vernietigd. De Afdeling heeft daartoe overwogen dat niet gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan een zonebeheersmodel is vastgesteld en dat daarmee niet is voldaan aan de voorwaarde die op grond van artikel 51 van de Wet geluidhinder aan de toepassing van de bij besluit van 22 oktober 2002 verleende hogere grenswaarden is gesteld. Op grond hiervan heeft de Afdeling geoordeeld dat verweerder ten onrechte is uitgegaan van de gelding van de vastgestelde hogere grenswaarden.

2.5.3.    Verweerder is bij de beoordeling van de aanvraag om revisievergunning met betrekking tot de geluidbelasting vanwege de inrichting uitgegaan van de verruimde geluidszone en de bij besluit van 22 oktober 2002 vastgestelde hogere grenswaarden. Deze hogere grenswaarden hebben op grond van dit besluit echter pas gelding op het moment dat de gemeente als beheerder van het industrieterrein, gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan waarin de verruiming van de geluidszone wordt vastgelegd, een zonebeheersmodel vaststelt.

   Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit was deze aan de toepassing van de hogere grenswaarden gestelde voorwaarde, mede gelet op hetgeen de Afdeling in haar uitspraak van 22 maart 2006 hierover heeft overwogen, niet vervuld. Op dat moment kon dan ook niet van de gelding van de vastgestelde hogere grenswaarden worden uitgegaan. Verweerder heeft miskend dat deze waarden daarom niet aan het bestreden besluit ten grondslag konden worden gelegd, althans niet voor zover het de periode betreft gedurende welke nog niet aan de op grond van artikel 51 van de Wet geluidhinder gestelde voorwaarde is voldaan. Voor zover de vergunning, nu deze niet is verleend onder de opschortende voorwaarde dat de bij besluit van 22 oktober 2002 verleende hogere grenswaarden gelding hebben verkregen, mede betrekking heeft op die periode, verdraagt het bestreden besluit zich niet met artikel 8.8, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet geluidhinder gelezen in samenhang met artikel 67, tweede lid, en artikel 46 van die wet. Het bestreden besluit dient in zoverre te worden vernietigd.

2.6.    Voor de periode nadat de aan de toepassing van de hogere grenswaarden gestelde voorwaarde is vervuld, overweegt de Afdeling het volgende.

2.7.    Appellant sub 1 betoogt dat verweerder zich niet had mogen baseren op het bij de aanvraag gevoegde geluidrapport van Peutz B.V. van 8 juli 2004 (herzien op 21 september 2004), maar een onafhankelijk onderzoek had moeten instellen.

2.7.1.    In evengenoemd geluidrapport van Peutz B.V. zijn de resultaten neergelegd van het onderzoek dat is uitgevoerd naar de geluidaspecten van het proefdraaien van vliegtuigen. De modellering en de berekeningen van het onderzoek zijn verricht conform de voorschriften van de Handleiding meten en rekenen industrielawaai, uitgave 1999.

   Appellant sub 1 heeft de uitgangspunten noch de conclusies van dit onderzoek bestreden. Gelet hierop en op het deskundigenbericht ziet de Afdeling geen reden om te twijfelen aan de juistheid van het akoestisch onderzoek, zodat verweerder terecht een nader onafhankelijk onderzoek niet nodig heeft geacht. De beroepsgrond faalt.

2.8.    Appellanten sub 2 stellen dat verweerder bij de bepaling van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau onvoldoende rekening heeft gehouden met cumulatie van luchtverkeerslawaai, verkeerslawaai en lawaai van andere bronnen van het industrieterrein.

2.8.1.    Blijkens de stukken heeft verweerder de gecumuleerde geluidbelasting vanwege industrielawaai, wegverkeerslawaai en luchtvaartlawaai tijdens de voorbereiding van zijn besluit van 22 oktober 2002 tot vaststelling van de hogere waarden berekend. In de tussen partijen gewezen uitspraak van 14 december 2005 in zaak no. 200408310/1 heeft de Afdeling geoordeeld dat geen grond bestaat voor het oordeel dat deze berekeningen onjuist waren. Volgens de Afdeling heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat vaststelling van de hogere waarden, gelet op de gecumuleerde geluidsbelasting, niet tot onaanvaardbare geluidhinder voor appellanten zal leiden. Er is geen reden om in de onderhavige zaak anders te oordelen.

   Verweerder heeft aan de onderhavige vergunning geluidvoorschriften verbonden, waarin onder meer grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau in de representatieve bedrijfssituatie zijn opgenomen. Uit de stukken blijkt dat verweerder met de vaststelling van deze grenswaarden de zonegrenswaarde van 50 dB(A) en de vastgestelde hogere waarden in acht heeft genomen. Gelet hierop en op het deskundigenbericht heeft hij zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de in de vergunning toegestane grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau in de representatieve bedrijfssituatie toereikend zijn, zodat het bestreden besluit niet zal leiden tot onaanvaardbare hinder vanwege cumulatie van geluid. Het beroepsonderdeel treft geen doel.

2.9.    Appellanten sub 2 stellen verder dat verweerder de maximaal optredende geluidsniveaus ten onrechte niet heeft getoetst aan de zonegrenswaarde.

   De Afdeling overweegt dat de Wet geluidhinder, gelezen in samenhang met de Wet milieubeheer, niet voorziet in een verplichting voor verweerder om de maximaal optredende geluidsniveaus te toetsen aan de zonegrenswaarde. De beroepsgrond treft geen doel.

2.10.    Appellanten sub 2 achten de gestelde grenswaarden voor het maximale geluidsniveau ter plaatse van de woningen Eendeweg 3 en 9 in gebruiksfase I in de dagperiode te hoog. Verder is appellant sub 1 van mening dat reeds in gebruiksfase I een afgeschermde proefdraaiplaats aanwezig dient te zijn.

2.10.1.    Ingevolge het aan de vergunning verbonden voorschrift 5.2.2 mag in gebruiksfase I het maximale geluidsniveau op de Eendenweg 3 en 9 in de dagperiode niet hoger zijn dan 74 respectievelijk 72 dB(A).

2.10.2.    Verweerder heeft bij de beoordeling van de maximale geluidsniveaus de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (hierna: de Handreiking) gehanteerd. De in voorschrift 5.2.2 neergelegde grenswaarden voor het maximale geluidsniveau overschrijden de in de Handreiking aanbevolen maximale waarde van 70 dB(A). Uit de stukken blijkt dat deze overschrijding het gevolg is van het proefdraaien van motoren van vliegtuigen.

   Volgens paragraaf 3.2 van de Handreiking kan de grenswaarde van 70 dB(A) voor de dagperiode met ten hoogste 5 dB(A) worden overschreden in het geval sprake is van een voor de bedrijfsvoering onvermijdbare situatie waarin technische noch organisatorische maatregelen soelaas bieden om het maximale geluidsniveau te beperken.

2.10.3.    Verweerder acht de in voorschrift 5.2.2 neergelegde grenswaarden van 74 en 72 dB(A) aanvaardbaar, omdat het proefdraaien van motoren inherent is aan het in werking zijn van de inrichting en daardoor een onvermijdbare situatie betreft. Deze maximale geluidsniveaus kunnen volgens verweerder niet door redelijkerwijs te verlangen maatregelen worden beperkt. In dit verband wijst hij erop dat de realisering van een afgeschermde proefdraaiplaats in fase I een onevenredig financiële en organisatorische belasting inhoudt voor de vergunninghoudster.

2.10.4.    In het deskundigenbericht is vermeld dat een extra afscherming ter plaatse van de bestaande proefdraailocatie slechts gedurende een korte periode, totdat fase II in gebruik wordt genomen, een eventuele geluidreductie met zich kan brengen, maar dat niet aannemelijk is dat deze reductie zodanig zal zijn dat alsnog aan de in de Handreiking aanbevolen maximale grenswaarde van 70 dB(A) kan worden voldaan. Niet is gebleken dat deze bevinding onjuist is. Gelet hierop en op de omstandigheid dat een afschermende voorziening uit operationeel oogpunt niet mogelijk is omdat de proefdraailocatie deel uitmaakt van de taxiroute, heeft verweerder in redelijkheid het standpunt kunnen innemen dat de door appellant sub 1 gewenste maatregel om het geluidsniveau in fase I verder terug te dringen, in redelijkheid niet van vergunninghoudster kan worden gevergd.

   Het voorgaande in aanmerking genomen en nu zich een onvermijdbare situatie van beperkte duur voordoet, is de Afdeling voorts van oordeel dat verweerder, op basis van de door hem gemaakte bestuurlijke afweging, de in voorschrift 5.2.2 gestelde waarden voor het maximale geluidsniveau ter plaatse van de Eendenweg 3 en 9, die onder het niveau van de in de Handreiking als maximaal vermelde waarde van 75 dB(A) liggen, in redelijkheid toereikend heeft kunnen achten ter voorkoming van onaanvaardbare geluidhinder.

   De beroepsgronden treffen geen doel.

2.11.    Volgens appellant sub 1 is onduidelijk op welk moment fase II, waarin de nieuwe proefdraailocatie moet worden gerealiseerd, aanvangt.

   Verweerder stelt dat de overgang van fase I naar fase II duidelijk in het bestreden besluit is opgenomen en geen andere dan de in de aanvraag om vergunning beschreven wijze van proefdraaien toelaat. In dit verband wijst hij erop dat in de vergunning is voorgeschreven dat een nauwkeurige boekhouding van het proefdraaien moet worden bijgehouden en dat het tijdstip van de overgang van fase I naar fase II exact moet worden aangegeven door de vergunninghoudster. Het besluit laat volgens verweerder geen ruimte om, mocht fase II vertraging oplopen, anders dan op de in fase I beschreven wijze proef te draaien.

   De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, waarvan de aanvraag om vergunning deel uitmaakt, onvoldoende duidelijk is ten aanzien van de overgang van fase I naar fase II. Nu in zowel fase I als in fase II aan de zonegrenswaarde en de hogere vastgestelde waarden kan worden voldaan, heeft verweerder voorts in redelijkheid het standpunt kunnen innemen dat het stellen van een termijn voor de realisering van de afgeschermde proefdraailocatie - zoals appellant sub 1 verlangt - niet nodig is ter bescherming van het milieu. De beroepsgrond faalt.

2.12.    Appellanten sub 2 betogen verder dat de nieuwe afgeschermde proefdraaiplaats uit veiligheidsoogpunt op de plek van het Midlandcircuit zou moeten worden aangelegd.

   De Afdeling overweegt dat verweerder is gehouden op grondslag van de aanvraag te beoordelen of voor de in de aanvraag genoemde locatie vergunning kan worden verleend. Of een andere locatie meer geschikt is voor het proefdraaien speelt hierbij geen rol. De beroepsgrond treft geen doel.

2.13.    Appellant sub 1 kan zich er niet mee verenigen dat op grond van het aan de vergunning verbonden voorschrift 5.4.1 voor 5 keer per jaar een uitzondering kan worden gemaakt op de voorgeschreven geluidgrenswaarden voor de representatieve bedrijfssituatie. In dit verband wijst hij erop dat het bestemmingsplan ook al voorziet in de mogelijkheid om een aantal keren per jaar een hogere geluidbelasting toe te staan.

2.13.1.    In het aan de vergunning verbonden voorschrift 5.4.1 is, kort samengevat, bepaald dat, alleen in fase II, maximaal 5 maal per jaar in de dagperiode een incidentele bedrijfssituatie mag voorkomen die bestaat uit het noodgedwongen moeten proefdraaien van een businessjet op de uitwijklocatie D 23 met opstelrichting noordoost of het langdurig proefdraaien gedurende drie uur, benodigd na een algehele verwisseling van motoren aan een turboprop commuter, op de afgeschermde proefdraaiplaats. Voor deze situaties gelden ingevolge de aan de vergunning verbonden voorschriften 5.4.2 en 5.4.3 ruimere geluidgrenswaarden.

   Anders dan appellant sub 1 kennelijk veronderstelt worden op basis van de vergunning dus geen 18, maar slechts (maximaal) 5 incidentele bedrijfssituaties per jaar toegestaan.

2.13.2.    Verweerder heeft bij de invulling van zijn beoordelingsvrijheid, wat de uitzonderingsregeling van voorschrift 5.4.1 betreft, aansluiting gezocht bij paragraaf 5.3 van de Handreiking. In deze paragraaf wordt onder meer gesteld dat in de jurisprudentie inmiddels regelmatig is geaccepteerd dat ontheffing kan worden verleend om maximaal 12 maal per jaar (uitgangspunt is dat het per keer steeds gaat om één, aaneengesloten, periode van maximaal een etmaal) activiteiten uit te voeren die de geluidgrenzen voor de representatieve bedrijfssituatie uit de vergunning te boven gaan. Het gaat dan om bijzondere activiteiten (incidentele bedrijfssituaties), welke niet worden gerekend tot de representatieve bedrijfssituatie.

   Gelet op de omstandigheid dat in de normale bedrijfssituatie geen gebruik wordt gemaakt van uitwijklocatie D 23 met opstelrichting noordoost en op de omstandigheid dat na groot motoronderhoud de noodzaak kan ontstaan dat langduriger moet worden proefgedraaid met een turboprop commuter, heeft verweerder terecht gesteld dat zich incidentele, uitzonderlijke bedrijfsomstandigheden voordoen.

   De Afdeling overweegt voorts dat verweerder het incidenteel proefdraaien alleen heeft toegestaan in de dagperiode, voor maximaal 5 keer per jaar en binnen de daarvoor gestelde geluidgrenswaarden. Daarnaast heeft verweerder bij zijn bestuurlijke afweging de cumulerende effecten vanwege uitzonderlijke bedrijfsomstandigheden bij andere bedrijven op het industrieterrein betrokken. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat verweerder, gezien het door hem gehanteerde beoordelingskader, in redelijkheid de uitzondering op de gestelde geluidgrenswaarden heeft kunnen opnemen. Dat het door appellant sub 1 aangehaalde (overigens inmiddels vernietigde) bestemmingsplan het mogelijk maakt dat het college van burgemeester en wethouders van Lelystad een ontheffing kan verlenen van de zonegrenswaarde en de hogere vastgestelde waarden, kan, wat hiervan verder ook zij, aan dit oordeel niet afdoen. De beroepsgrond faalt.

2.14.    Appellant sub 1 vreest voorts schade aan de door hem geteelde gewassen als gevolg van het in werking zijn van de inrichting. Volgens hem bestaat het risico dat afnemers deze gewassen niet meer zullen accepteren.

   Gelet op het deskundigenbericht acht de Afdeling niet aannemelijk dat de activiteiten in de inrichting een zodanige depositie zullen veroorzaken dat daardoor onaanvaardbare schade aan de in de omgeving geteelde gewassen zal ontstaan. Verweerder heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat dit aspect geen aanleiding gaf de gevraagde vergunning te weigeren, dan wel nadere voorschriften aan de vergunning te verbinden. De beroepsgrond faalt.

2.15.    Appellant sub 1 verwijst in zijn beroepschrift verder nog naar zijn tegen het ontwerp van het besluit ingebrachte bedenking met betrekking tot de luchtkwaliteit. In de considerans van het bestreden besluit is verweerder uitgebreid ingegaan op deze bedenking. Appellant sub 1 heeft noch in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende bedenking in het bestreden besluit onjuist zou zijn. Ook voor het overige is, mede gelet op het deskundigenbericht, niet gebleken dat die weerlegging van de bedenking onjuist is. De beroepsgrond faalt.

2.16.    De beroepen zijn gedeeltelijk gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd, voor zover daarbij de vergunning niet is verleend onder de opschortende voorwaarde dat de bij besluit van 22 oktober 2002 verleende hogere grenswaarden gelding hebben verkregen. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen.

2.17.    Verweerder dient ten aanzien van appellant sub 1 op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van appellanten sub 2 is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart de beroepen gedeeltelijk gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Flevoland van 2 augustus 2005, MB/05.030719/A, voor zover daarbij de vergunning niet is verleend onder de opschortende voorwaarde dat de bij besluit van 22 oktober 2002 verleende hogere grenswaarden gelding hebben verkregen;

III.    draagt verweerder op binnen dertien weken na verzending van deze uitspraak met inachtneming daarvan een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

IV.    verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;

V.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Flevoland tot vergoeding van de bij appellant sub 1 in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 701,41 (zegge: zevenhonderdéén euro en éénenveertig cent), waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de provincie Flevoland aan appellant sub 1 onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI.    gelast dat de provincie Flevoland aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 138,00 (zegge: honderdachtendertig euro) voor appellant sub 1 en € 138,00 (zegge: honderdachtendertig euro) voor appellanten sub 2 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. E.M.H. Hirsch Ballin, Voorzitter, en mr. Ch.W. Mouton en mr. P.C.E. van Wijmen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S.L. Toorenburg-Bovenkerk, ambtenaar van Staat.

w.g. Hirsch Ballin    w.g. Toorenburg-Bovenkerk

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2006

334.