Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AX9040

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-06-2006
Datum publicatie
21-06-2006
Zaaknummer
200507644/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 juli 2005 heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer nieuwe voorschriften verbonden aan de op 23 november 1993 aan appellante verleende vergunning voor een schietinrichting voor Oud-Limburgs schieten op het perceel Lochtstraat 8a te Stamproy.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200507644/1.

Datum uitspraak: 21 juni 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de vereniging "Schutterij Sint Antonius", gevestigd te Stramproy,

appellante,

en

het college van burgemeester en wethouders van Weert,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 5 juli 2005 heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer nieuwe voorschriften verbonden aan de op 23 november 1993 aan appellante verleende vergunning voor een schietinrichting voor Oud-Limburgs schieten op het perceel Lochtstraat 8a te Stamproy.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 30 augustus 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 28 september 2005.

Bij brief van 27 oktober 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 2 maart 2006. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellante. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 mei 2006, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. E.J.M. Stals, advocaat te Weert, E. Kunnen en F.R. Verhaag, en verweerder, vertegenwoordigd door J. Truijen, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord de vereniging "De Kring, vereniging voor cultuur- en milieubehoud", vertegenwoordigd door E.P.H.P.T. Haanen.

Buiten bezwaren van partijen zijn ter zitting nog stukken in het geding gebracht.

2.    Overwegingen

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat de bij deze wetten doorgevoerde wetswijzigingen niet van toepassing zijn op het huidige geding.

   Op 1 december 2005 zijn de wet van 16 juli 2005, houdende wijziging van de Wet milieubeheer en de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Stb. 2005, 432), en het besluit van 8 oktober 2005, houdende wijziging van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (Stb. 2005, 527), in werking getreden. Nu het bestreden besluit vóór 1 december 2005 is genomen, moet dit worden beoordeeld aan de hand van het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wet en dit besluit.

2.2.    Ingevolge artikel 20.10, tweede lid, (oud) van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a.    degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b.    de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c.    degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d.    belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

   Appellante heeft de gronden inzake de tegemoetkoming in de kosten van de aanpassingen binnen de inrichting en inzake het gebruik van gemodificeerde buksen niet als bedenking tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Verder is het bepaalde onder b en c hier niet van toepassing. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan appellante redelijkerwijs niet kan worden verweten op deze punten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep in zoverre niet-ontvankelijk is.

2.3.    Ingevolge artikel 8.23, eerste lid, van de Wet milieubeheer kan het bevoegd gezag beperkingen waaronder een vergunning is verleend en voorschriften die daaraan zijn verbonden, wijzigen, aanvullen of intrekken, dan wel alsnog beperkingen aanbrengen of voorschriften aan een vergunning verbinden in het belang van de bescherming van het milieu.

   Ingevolge artikel 8.23, derde lid, in samenhang met artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer, zoals dat vóór 1 december 2005 luidde, worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voor zover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

   Bij de overeenkomstige toepassing van artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer, zoals dat vóór 1 december 2005 luidde, komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.4.    Appellante kan zich er niet mee verenigen dat binnen de inrichting een kogelvanger dient te worden geplaatst. Mede gelet op de hoge kosten die gepaard gaan met het plaatsen van een kogelvanger geeft zij de voorkeur aan alternatieve maatregelen om de verspreiding van kogels tegen te gaan. Appellante voert in dit kader aan dat verweerder zich ter invulling van zijn beoordelingsvrijheid niet had mogen baseren op de circulaire Traditioneel schieten (hierna: de circulaire). Deze is in de ogen van appellante achterhaald en onvoldoende toegespitst op het Oud-Limburgs schieten.

2.4.1.    Verweerder heeft bij het stellen van voorschriften ter beperking van de loodbelasting van de bodem de circulaire tot uitgangspunt genomen, aangezien deze de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten bevat. Volgens verweerder past hierin het voorschrijven van een kogelvanger in gevallen waarin er volgens de in de circulaire beschreven methodiek niet in wordt geslaagd 90% van de verschoten kogels op te sporen.

2.4.2.    Niet is gebleken dat er ten tijde van het nemen van het bestreden besluit ten opzichte van de circulaire een beoordelingsmethodiek bestond met meer recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten voor schietactiviteiten als waarvan in de onderhavige inrichting sprake is. In hetgeen door appellante is aangevoerd ziet de Afdeling dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich ter invulling van zijn beoordelingsvrijheid in de onderhavige zaak niet had mogen baseren op de circulaire.

   Met behulp van een kogelvanger wordt loodverontreiniging in de bodem voorkomen. Niet aannemelijk is gemaakt dat in het onderhavige geval met alternatieve maatregelen het in de circulaire neergelegde na te streven doel kan worden bereikt, omdat de inrichting is gelegen in een bosrijk gebied. Verweerder heeft het argument van appellante dat het plaatsen van een kogelvanger haar voor aanzienlijke kosten zou plaatsen, terecht niet bij zijn besluitvorming betrokken. Artikel 8.11, derde lid, (oud) van de Wet milieubeheer biedt immers geen ruimte voor een afweging tussen het belang van de bescherming van het milieu enerzijds en het individuele bedrijfseconomische belang van vergunninghoudster anderzijds. Bij de afweging van economische belangen mag slechts worden betrokken wat in het algemeen kan worden gevergd van een inrichting behorend tot de onderhavige branche. Uit de stukken blijkt dat kogelvangers in verschillende inrichtingen voor Oud-Limburgs schieten worden toegepast.

   Gelet op het voorgaande heeft verweerder in redelijkheid het standpunt kunnen innemen dat het plaatsen van een kogelvanger nodig is ter bescherming van het milieu.

2.5.    Appellante vreest dat de geluidbelasting van de inrichting na ingebruikneming van de kogelvanger hoger zal uitvallen dan de verwachting is in het akoestisch onderzoek op basis waarvan verweerder voorschriften heeft gesteld.

2.5.1.    Verweerder heeft in de voorschriften E.9 en E.10 geluidgrenswaarden gesteld aan het schieten met gebruik van een kogelvanger. Verweerder heeft zich bij het stellen van deze voorschriften gebaseerd op het akoestisch rapport, nr. A-042159, van 16 december 2004 van DvL Milieu en Techniek waarin de geluidbelasting vanwege het schieten binnen de inrichting bij het gebruik van een kogelvanger is berekend.

   In het deskundigenbericht wordt erop gewezen dat bij de berekeningen in het akoestisch rapport steeds is uitgegaan van de hoogst gemeten geluidniveaus, zodat is uitgegaan van een "worst case" scenario. De Afdeling ziet, gelet op de stukken, waaronder het deskundigenbericht, geen grond voor het oordeel dat het aan het besluit ten grondslag gelegde geluidrapport geen representatief beeld geeft van de te verwachten geluidbelasting waardoor de geluidgrenswaarden niet zouden kunnen worden nageleefd. Het beroep kan in zoverre niet slagen.

2.6.    Het beroep is ongegrond.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het de tegemoetkoming in de kosten van de aanpassingen binnen de inrichting en het gebruik van gemodificeerde buksen betreft;

II.    verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, Voorzitter, en mr. P.C.E. van Wijmen en mr. W.D.M. van Diepenbeek, Leden, in tegenwoordigheid van mr. F.G. van Dam, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink    w.g. Van Dam

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2006

441.