Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AX9039

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-06-2006
Datum publicatie
21-06-2006
Zaaknummer
200507565/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 juli 2005 heeft verweerder aan [vergunninghouder] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wet milieubeheer deels verleend en deels geweigerd voor een agrarisch bedrijf met fokzeugen, gespeende biggen en een boomkwekerij aan de verbindingsweg Huygevoort/Voorteindseweg te Middelbeers. Dit besluit is op 28 juli 2005 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 7.17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2006/1335
Milieurecht Totaal 2006/2121
JOM 2006/1386
OGR-Updates.nl 1001183
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200507565/1.

Datum uitspraak: 21 juni 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Oirschot,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 19 juli 2005 heeft verweerder aan [vergunninghouder] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wet milieubeheer deels verleend en deels geweigerd voor een agrarisch bedrijf met fokzeugen, gespeende biggen en een boomkwekerij aan de verbindingsweg Huygevoort/Voorteindseweg te Middelbeers. Dit besluit is op 28 juli 2005 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 25 augustus 2005, bij de Raad van State ingekomen op 26 augustus 2005, beroep ingesteld.

Bij brief van 21 november 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 mei 2006, waar appellanten, in persoon en bijgestaan door mr. M.G.H. Vogels, advocaat te Eindhoven, en verweerder, vertegenwoordigd door S.P.M. Verouden-van Leeuwen en I.A.G.J. Spapens-Reijnders, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is als partij gehoord vergunninghouder, in persoon en bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis.

2.    Overwegingen

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat de bij deze wetten doorgevoerde wetswijzigingen niet van toepassing zijn op het huidige geding.

   Op 1 december 2005 zijn de wet van 16 juli 2005, houdende wijziging van de Wet milieubeheer en de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Stb. 2005, 432), en het besluit van 8 oktober 2005, houdende wijziging van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (Stb. 2005, 527), in werking getreden. Nu het bestreden besluit vóór 1 december 2005 is genomen, moet dit worden beoordeeld aan de hand van het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wet en dit besluit.

   Op 1 februari 2006 is de Interimwet stad-en-milieubenadering, waarbij onder meer de Wet ammoniak en veehouderij (hierna: de Wet) is gewijzigd, in werking getreden. Nu het bestreden besluit vóór 1 februari 2006 is genomen, moet dit worden beoordeeld aan de hand van het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wet.

2.2.    De bij het bestreden besluit verleende oprichtingsvergunning heeft betrekking op het houden van 656 guste en dragende zeugen, 220 kraamzeugen en 3.024 gespeende biggen. De vergunning is geweigerd voor 8 ziekenhokken in stal 3.

2.3.    Appellanten betogen dat verweerder mogelijk niet het voor vergunningverlening bevoegd gezag is, nu binnen de inrichting 108 ton mengvoeder dat van buiten de inrichting afkomstig is wordt opgeslagen, verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat het geen afvalstoffen betreft en de opslagcapaciteit ter zake mogelijk meer dan 50 m3 bedraagt.

2.3.1.    De Afdeling stelt aan de hand van de stukken vast dat het om droog mengvoer gaat afkomstig van een mengvoerfabriek, wat niet als afvalstof kan worden aangemerkt. Nu ook overigens niet is gebleken dat in de inrichting van buiten de inrichting afkomstige afvalstoffen worden opgeslagen, is er geen grond voor het oordeel dat verweerder niet het voor vergunningverlening bevoegd gezag is.

   Daarmee kan ook het betoog van appellanten, dat op de binnen de inrichting aanwezige propaantank het Besluit voorzieningen en installaties milieubeheer niet van toepassing is, omdat niet verweerder maar het college van gedeputeerde staten het bevoegd gezag zou zijn, niet slagen.

2.4.    Appellanten betogen dat de inrichting samen met de inrichting aan de [locatie] als één inrichting als bedoeld in artikel 1.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer moet worden beschouwd. Zij betogen tevens dat verweerder daarom ten onrechte een oprichtings- in plaats van een veranderings- of revisievergunning heeft verleend.

2.4.1.    Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer wordt onder inrichting verstaan: elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht. Ingevolge het vierde lid van dit artikel worden daarbij als één inrichting beschouwd de tot eenzelfde onderneming of instelling behorende installaties die onderling technische, organisatorische of functionele bindingen hebben en in elkaars onmiddellijke nabijheid zijn gelegen.

2.4.2.    Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting zijn de inrichtingen - beide fokzeugenhouderijen - op een afstand van 1.130 meter van elkaar gelegen en worden zij gescheiden door een waterloop, percelen en woningen van derden en een openbare weg. Beide inrichtingen zijn in eigendom van vergunninghouder. Vergunninghouder exploiteert ze echter afzonderlijk. Ze hebben een afzonderlijke bedrijfsleiding en administratie. Ook zijn het materieel en de voerleveranties afzonderlijk.

   Onder deze omstandigheden heeft verweerder zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat voornoemde inrichtingen niet dienen te worden beschouwd als tot eenzelfde onderneming of instelling behorende installaties die onderling technische, organisatorische of functionele bindingen hebben en dientengevolge als één inrichting in de zin van artikel 1.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer. Het betoog van appellanten over de koppeling van de bouwblokken krachtens het bestemmingsplan kan hieraan niet afdoen.

   Gelet op het vorenstaande kan het betoog van appellanten dat verweerder ten onrechte een oprichtingsvergunning heeft verleend, evenmin slagen.

2.5.    Appellanten betogen dat ten onrechte geen milieu-effectrapport is opgesteld, dan wel dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat in het onderhavige geval het opstellen van een milieu-effectrapport niet nodig is. Zij wijzen in dit verband op nabij de inrichting gelegen natuurgebieden, waaronder het gebied "Kempenland", dat wordt vermeld op de ten tijde van het nemen van het bestreden besluit vastgestelde lijst als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (Pb L 206; hierna: de Habitatrichtlijn).

2.5.1.    Ingevolge artikel 7.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer worden bij algemene maatregel van bestuur de activiteiten aangewezen, ten aanzien waarvan het bevoegde gezag krachtens artikel 7.8b en 7.8d moet bepalen of voor die activiteit, vanwege de bijzondere omstandigheden waaronder zij wordt ondernomen, een milieu-effectrapport moet worden gemaakt. Daarbij worden een of meer besluiten van bestuursorganen ter zake van activiteiten aangewezen, bij de voorbereiding waarvan, indien het bevoegd gezag daartoe besluit, het in de eerste volzin bedoelde milieu-effectrapport moet worden gemaakt.

   Ingevolge artikel 7.8b, eerste lid, zoals dat luidde ten tijde van het nemen van het nemen van de hierna genoemde beslissing, voor zover hier van belang, neemt het bevoegd gezag een beslissing omtrent de vraag of bij de voorbereiding van het betrokken besluit voor de activiteit vanwege de bijzondere omstandigheden waaronder de activiteit wordt ondernomen, een milieu-effectrapport moet worden gemaakt. Ingevolge het vierde lid van dit artikel worden onder bijzondere omstandigheden verstaan, de belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu die de activiteit kan hebben, gezien:

a. de kenmerken van de activiteit;

b. de plaats waar de activiteit wordt verricht;

c. de samenhang met andere activiteiten ter plaatse;

d. de kenmerken van die gevolgen.    

   Ingevolge artikel 2, tweede lid, van het Besluit worden als activiteiten als bedoeld in artikel 7.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer aangewezen de activiteiten die behoren tot een categorie die in onderdeel D van de bijlage is omschreven.

   In onderdeel D van de bijlage behorende bij het Besluit is in categorie 14 - voor zover hier van belang - als activiteit onder meer aangewezen de oprichting of uitbreiding van een inrichting bestemd voor het fokken, mesten of houden van zeugen in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een inrichting met meer dan 350 plaatsen voor zeugen.

2.5.2.    Aangevraagd en bij het bestreden besluit vergund is een veebestand van 656 guste en dragende zeugen, 220 kraamzeugen en 3.024 gespeende biggen. Gelet hierop wordt de in categorie 14 van onderdeel C van de bijlage van het Besluit opgenomen drempelwaarde van 900 plaatsen voor zeugen niet overschreden en bestaat er in zoverre geen verplichting om bij de voorbereiding van het bestreden besluit een milieu-effectrapport te maken. Voor zover appellanten betogen dat de ziekenboeg en de cyclus in de branche met zich brengen dat voornoemde drempelwaarde wordt overschreden, overweegt de Afdeling, onder verwijzing naar haar uitspraak van 11 mei 2005, no. 200404617/1, dat voor het bepalen van de drempelwaarde zoals opgenomen in de bijlage van het Besluit, dient te worden uitgegaan van het aantal aangevraagde of vergunde dieren. Anders dan appellanten betogen, bestaat evenmin op grond van richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's (Pb L 197) de verplichting om bij de voorbereiding van het bestreden besluit een milieu-effectrapport te maken, reeds omdat deze richtlijn in het onderhavige geval in verband met het daarin in artikel 13, derde lid, opgenomen overgangsrecht niet van toepassing is.

   Gelet op het aangevraagde en vergunde veebestand wordt de in categorie 14 van onderdeel D van de bijlage van het Besluit opgenomen drempelwaarde van 350 of meer plaatsen voor zeugen wel overschreden. Verweerder heeft bij besluit van 8 juni 2004 beslist dat bij de voorbereiding van het bestreden besluit, vanwege het ontbreken van bijzondere omstandigheden, het opstellen van een milieu-effectrapport niet nodig is. Verweerder heeft zich hierbij mede gebaseerd op de namens vergunninghoudster opgestelde aanmeldingsnotitie MER van 5 april 2004 (hierna: de aanmeldingsnotitie).

2.5.3.    In de aanmeldingsnotitie zijn het doel, de aard, de kenmerken, de ligging, de samenhang met andere activiteiten en de kenmerken van de gevolgen van de voorgenomen activiteit beschreven. Hierbij is rekening gehouden met de ligging ten opzichte van Habitatrichtlijn- en kwetsbare gebieden. De effecten op deze gebieden en de hierin voorkomende flora en fauna zijn beschreven.

   De locatie waar de inrichting komt te liggen betreft het buitengebied van Middelbeers, dat wordt gekenmerkt door agrarische activiteiten. Dit gebied maakt geen onderdeel uit van een Habitatrichtlijngebied.

   De inrichting is gelegen op een afstand van 121 meter van een Habitatrichtlijngebied, te weten het omleidingskanaal de Groote Beerse, dat onderdeel uitmaakt van het gebied "Kempenland". De afstand tot laatstgenoemd gebied bedraagt 1.901 meter. Op 580 meter van de inrichting bevindt zich het dichtstbijgelegen kwetsbare gebied in de zin van de Wet. Verweerder stelt onweersproken dat de in het voornoemde omleidingskanaal voorkomende en aangetroffen habitatsoort niet voor verzuring gevoelig is. De ammoniakdepositie op het gebied "Kempenland" bedraagt blijkens de stukken 0,88 mol, wat betekent dat de totale bijdrage van de inrichting neerkomt op 0,08% van de kritische depositiewaarde. De depositie op het op een afstand van 580 meter gelegen gebied bedraagt 9,48 mol. De depositie op dit gebied zal echter niet toenemen ten opzichte van die in de bestaande situatie, als gevolg van een tweetal ten behoeve van de onderhavige vergunning gedeeltelijke intrekkingen van vergunningen voor inrichtingen in de omgeving overeenkomend met een depositie van 9,5 mol. Vanwege deze intrekkingen zal ook de depositie op het gebied "Kempenland" niet toenemen ten opzichte van de bestaande situatie.

   Al het vorenstaande in aanmerking nemende is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden die het opstellen van een milieu-effectrapport noodzakelijk maken.

2.6.    Appellanten betogen dat niet is uitgesloten dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 4, eerste lid, van de Wet. Daartoe voeren zij, kort weergegeven, aan dat, anders dan verweerder stelt, het omleidingskanaal Groote Beerse als kwetsbaar gebied als bedoeld in de Wet moet worden aangemerkt.

2.6.1.    Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Wet wordt een vergunning voor het oprichten van een veehouderij geweigerd, indien een tot de veehouderij behorend dierenverblijf geheel of gedeeltelijk is gelegen in een kwetsbaar gebied, dan wel in een zone van 250 meter rond een zodanig gebied.

   Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit werden ingevolge artikel 2, derde lid, van de Wet, in samenhang bezien met het eerste lid van dit artikel, in de provincie Noord-Brabant als kwetsbaar gebied aangemerkt alle gebieden:

a. die onmiddellijk voorafgaand aan het vervallen van de Interimwet ammoniak en veehouderij (hierna: de Iav) als voor verzuring gevoelig krachtens artikel 1, tweede lid, van de Iav waren aangemerkt, of

b. waarop onmiddellijk voorafgaand aan het vervallen van de Iav een convenant als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder b, van de Uitvoeringsregeling ammoniak en veehouderij (hierna: de Uav) van toepassing was, met ingang van het tijdstip waarop dat convenant niet meer van toepassing is.

   Ingevolge artikel 1, tweede lid, van de Iav, zoals dat luidde onmiddellijk voorafgaand aan het vervallen van die wet, geven de Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Landbouw, Natuurbeheer en Visserij bij ministeriële regeling aan welke ecologisch of natuurwetenschappelijk waardevolle gebieden die gevoelig zijn voor verzuring of eutrofiëring, voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen worden aangemerkt als voor verzuring gevoelig gebied. Aan dit artikellid is uitvoering gegeven in de Uav.

   Uit artikel 1, aanhef en onder d, van de Uav, voor zover hier van belang, vloeit voort dat een beek als een mogelijk verzuringsgevoelig landschapselement moet worden aangemerkt.

   In bijlage 2 bij de Uitvoeringsregeling wordt het landschapselement beek omschreven als: klein, op natuurlijke wijze stromend water dat ten minste gedurende een groot deel van het jaar water voert en dat als beek is aangegeven in de EHS uit het Natuurbeleidsplan (Kamerstukken II, 1989/90, 21 149, nrs. 2-3).

   Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Uav, voor zover hier van belang, worden voor de toepassing van de Iav en de daarop berustende bepalingen als voor verzuring gevoelig gebied aangemerkt bossen, natuurterreinen en landschapselementen, die zijn gelegen op voor verzuring gevoelige grond en die een oppervlakte hebben van ten minste 5 hectare, dan wel door de gemeenteraad bij verordening krachtens de Gemeentewet op een bijbehorende kaart als voor verzuring gevoelig gebied zijn aangewezen.

   Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Uitvoeringsregeling worden in afwijking van artikel 2 niet als voor verzuring gevoelig gebied aangemerkt bossen, natuurterreinen en landschapselementen waarop een convenant van toepassing is, waarin met het oog op de instandhouding van de desbetreffende gebieden afspraken zijn gemaakt over het onderhoud en het beheer ervan.

2.6.2.    Blijkens de stukken was op voornoemd omleidingskanaal onmiddellijk voorafgaand aan het vervallen van de Iav niet een convenant als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder onder b, van de Uav van toepassing. De Afdeling acht voorts niet aannemelijk geworden dat dit omleidingskanaal voldoet aan de omschrijving van beek of een ander landschapselement in bijlage 2 van de Uav. Dit betekent dat, nog daargelaten de vraag of het kanaal op voor verzuring gevoelige grond is gelegen, het niet gaat om een op grond van de Iav te beschermen voor verzuring gevoelig gebied en daarmee niet om een kwetsbaar gebied als bedoeld in artikel 2 van de Wet. Nu derhalve geen tot de inrichting behorend dierenverblijf geheel of gedeeltelijk is gelegen in een kwetsbaar gebied, dan wel in een zone van 250 meter rond een zodanig gebied staat artikel 4, eerste lid, van de Wet niet aan vergunningverlening in de weg.

2.7.    Appellanten betogen dat verweerder in het kader van zijn toets aan richtlijn 96/61/EEG van de Raad van de Europese Unie van 24 september 1996 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (hierna: de IPPC-richtlijn) ten onrechte het afvoeren van mest op eigen grond buiten beschouwing heeft gelaten. Volgens hen kan dit afvoeren van mest leiden tot inspoeling van mest via het grondwater in de Groote Beerse, met gevolgen voor de hierin voorkomende habitatsoorten en -typen. Voorts betogen appellanten kort weergegeven dat het toe te passen chemisch luchtwassysteem niet de beste beschikbare techniek betreft vanwege de aspecten energie en, met name, afvalwater. In dit verband voeren zij voorts aan dat wat de gespeende biggen betreft met een ander stalsysteem een nog lagere ammoniakemissie kan worden bewerkstelligd. Ook is verweerder volgens appellanten ten onrechte niet ingegaan op het (toekomstige) cumulatieve milieugevolg voor de omgeving ter plaatse. Dit cumulatieve gevolg wordt volgens hen veroorzaakt door het feit dat op 30 maart 2005 een bouwvergunning is verleend aan de heer Mulder voor het oprichten van een varkensstal aan de verbindingsweg Huygevoort/Voorteindseweg, nabij de inrichting. Daarbij wijzen zij erop dat al sprake is van een overbelaste situatie wat betreft ammoniak. De gedeeltelijke intrekkingen van vergunningen voor inrichtingen in de omgeving die hebben plaatsgevonden doen hier volgens appellanten niet aan af, te minder vanwege het toestaan van de bouw van voornoemde varkensstal.

2.7.1.    Verweerder stelt zich op het standpunt dat het aangevraagde en vergunde stalsysteem voldoet aan de beste beschikbare technieken zoals opgenomen in het in juli 2003 door de Europese Commissie bekend gemaakte "Reference Document on Best Available Techniques for Intensive Rearing of Poultry and Pigs" (hierna: het BREF-document). Mede gelet hierop is verweerder van mening dat geen sprake is van een belangrijke verontreiniging. Hierbij heeft verweerder blijkens het bestreden besluit mede in aanmerking genomen dat de depositie op het op 580 meter van de inrichting gelegen kwetsbare gebied als gevolg van voornoemde intrekkingen niet zal toenemen.

2.7.2.    Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet betrekt het bevoegd gezag bij beslissingen inzake de vergunning voor de oprichting of verandering van een veehouderij de gevolgen van ammoniakemissie uit de tot de veehouderij behorende dierenverblijven uitsluitend op de wijze die is aangegeven bij of krachtens de artikelen 4 tot en met 7.

   Ingevolge het derde lid (oud) van dit artikel geldt het eerste lid niet voor voorschriften die worden gesteld met toepassing van de artikelen 8.11, 8.44, 8.45 of 8.46 van de Wet milieubeheer.

   Ingevolge artikel 4, tweede lid, van de Wet wordt, indien geen van de tot de veehouderij behorende dierenverblijven geheel of gedeeltelijk is gelegen in een kwetsbaar gebied, dan wel in een zone van 250 meter rond een zodanig gebied, een vergunning voor het oprichten van een veehouderij geweigerd, indien de veehouderij onder de reikwijdte van de IPPC-richtlijn valt en de ammoniakemissie uit de dierenverblijven een belangrijke verontreiniging veroorzaakt.

   In artikel 9, derde lid, van de IPPC-richtlijn is bepaald dat de vergunning emissiegrenswaarden voor de verontreinigende stoffen bevat, met name die van bijlage III, die in significante hoeveelheden uit de betrokken installatie kunnen vrijkomen, gelet op hun aard en hun potentieel voor overdracht van verontreiniging tussen milieucompartimenten (water, lucht en bodem). Voorts is bepaald dat de vergunning, zo nodig, passende voorschriften bevat ter bescherming van bodem en grondwater, en maatregelen voor het beheer van de door de installatie voortgebrachte afvalstoffen. De grenswaarden kunnen volgens dit artikellid zo nodig worden aangevuld of vervangen door gelijkwaardige parameters of gelijkwaardige technische maatregelen. Voor de installaties van rubriek 6.6 van bijlage I wordt bij de overeenkomstig dit artikellid vastgestelde emissiegrenswaarden rekening gehouden met de aan die categorieën installaties aangepaste praktische regelingen.

   In artikel 9, vierde lid, van de IPPC-richtlijn is bepaald dat onverminderd artikel 10 de emissiegrenswaarden, de parameters en de gelijkwaardige technische maatregelen, bedoeld in het derde lid, zijn gebaseerd op de beste beschikbare technieken, zonder dat daarmee het gebruik van een bepaalde techniek of technologie wordt voorgeschreven, met inachtneming van de technische kenmerken en de geografische ligging van de betrokken installatie, alsmede de plaatselijke milieuomstandigheden. Voorts bepaalt dit artikellid dat de vergunningvoorwaarden in ieder geval de bepalingen bevatten betreffende de minimalisering van de verontreiniging over lange afstand of van de grensoverschrijdende verontreiniging en een hoog niveau van bescherming van het milieu in zijn geheel waarborgen.

2.7.3.    Onbestreden is dat de inrichting onder de werkingssfeer van de IPPC-richtlijn valt. Zoals de Afdeling eerder in de uitspraak van 1 juni 2005 in zaak no. 200408656/1 (JM 2005/101), heeft overwogen, bieden de bepalingen van de Wet, waaronder artikel 4, tweede lid, de ruimte om te beslissen op een aanvraag om vergunning met toepassing van die wet, waarbij geldt dat de vergunning de emissiegrenswaarden en/of gelijkwaardige parameters of gelijkwaardige technische maatregelen bevat, die zijn gebaseerd op de beste beschikbare technieken en waarbij de technische kenmerken en de geografische ligging van de betrokken installatie en de plaatselijke milieuomstandigheden in acht zijn genomen.

   Ten aanzien van de afvoer van mest overweegt de Afdeling dat een vergunning krachtens de Wet milieubeheer geen betrekking heeft op het uitrijden van mest op niet tot de inrichting behorende gronden. Aan de hand van de stukken en het verhandelde ter zitting stelt de Afdeling vast dat geen mest wordt uitgereden op gronden die tot de inrichting behoren. Verweerder heeft dit aspect bij zijn beoordeling daarom terecht buiten beschouwing gelaten.

   De bij het bestreden besluit verleende oprichtingsvergunning heeft betrekking op het Groen Labelstalsysteem BB 99.06.076: chemisch luchtwassysteem met 95% emissiereductie. Dit systeem - een nageschakelde techniek ter beperking van de ammoniakemissie - komt wat betreft de werking en de te behalen milieuvoordelen overeen met het in het BREF-document opgenomen systeem 4.6.5.2. Verweerder heeft gemotiveerd uiteengezet dat dit systeem kan worden beschouwd als de beste beschikbare techniek. Daarbij heeft hij gesteld dat ook rekening is gehouden met de aspecten afvalwater en energie. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt waarom wat deze aspecten betreft niet aan de beste beschikbare technieken wordt voldaan. Er bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich in zoverre niet op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat het vergunde stalsysteem is gebaseerd op de beste beschikbare technieken.

   Voorts moet worden vastgesteld dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit aan de heer Mulder voornoemd geen milieuvergunning was verleend voor het houden van varkens. Aangezien het toegelaten aantal in een inrichting te houden dieren bepalend is voor de mate van verontreiniging, als bedoeld in artikel 1 van de IPPC-richtlijn, volgt de Afdeling appellanten niet in hun standpunt dat hier sprake zou zijn van een cumulatief milieugevolg waarmee in dit geval in het kader van de Richtlijn rekening dient te worden gehouden. De Afdeling ziet in hetgeen appellanten betogen, geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de technische kenmerken, de geografische ligging van de inrichting, alsmede de plaatselijke milieuomstandigheden, geen aanleiding geven om bij de beoordeling van de aanvraag te eisen dat de vergunning strengere emissiegrenswaarden, parameters of gelijkwaardige technische maatregelen bevat dan die welke het vergunde stalsysteem met zich brengt. Voor weigering van de vergunning op grond van artikel 4, tweede lid, van de Wet bestond derhalve geen grond.

2.8.    Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid (oud) van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voor zover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

   Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

   Bij de toepassing van artikel 8.10, eerste lid, en artikel 8.11 (oud) van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.9.    Appellanten betogen dat de in de aan de vergunning verbonden voorschriften 2.1.2 en 2.1.3 gestelde geluidgrenswaarden ten onrechte niet gelden op een afstand van 50 meter van de inrichting.

   Verweerder stelt dat conform zijn beleid geluidgrenswaarden, indien geen woningen binnen een afstand van 100 meter zijn gelegen, worden gesteld op 100 meter van de inrichting.

   Onbestreden is dat de dichtstbijgelegen woning van derden op 250 meter van de inrichting is gelegen. Op kortere afstand zijn geen geluidgevoelige bestemmingen gelegen. Mede gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de mede, naast de gevels van woningen van derden, op 100 meter van de inrichting gestelde geluidgrenswaarden toereikend zijn ter voorkoming dan wel voldoende beperking van geluidhinder.

2.10.    Ten aanzien van hetgeen door appellanten is aangevoerd aangaande het voorschrijven van een nulsituatie- en eindsituatieonderzoek naar de bodemkwaliteit overweegt de Afdeling in navolging van haar uitspraak van 21 januari 1997, no. E03.95.0821 (M en R 1997/6, nr. 70), dat, indien toereikende gedragsregels en voorzieningen met het oog op de bescherming van bodem zijn voorgeschreven in de vergunning voor een (intensief) veehouderijbedrijf met reguliere activiteiten, ervan moet worden uitgegaan dat bij de naleving van die voorschriften de kwaliteit van de bodem niet in relevante mate nadelig zal worden beïnvloed. Aan de onderhavige vergunning zijn, onder andere in de hoofdstukken 3 (bodembescherming), 4 (afvalstoffen), 5 (agrarisch afvalwater), 9 (gevaarlijke stoffen, opslag in emballage), 10.2  (behandeling en bewaring van drijfmest) en 12 (opslag zwavelzuur in een bovengrondse tank) voorschriften verbonden die zijn gericht op de bescherming van de bodem. De Afdeling is van oordeel dat verweerder deze voorschriften toereikend heeft kunnen achten om verontreiniging van de bodem te voorkomen. Ook overigens is de Afdeling niet gebleken van bijzondere omstandigheden die tot de conclusie moeten leiden dat een nulsituatie- en eindsituatiebodemonderzoek (hadden) moeten plaatsvinden. Het beroep treft in zoverre geen doel.

2.11.    Appellanten betogen dat verweerder ten onrechte geen rekening heeft gehouden met toekomstige ontwikkelingen. In dit verband voeren zij aan dat verweerder ten onrechte niet is ingegaan op de invloed van het op 28 juli 2005 bekendgemaakte reconstructieplan. De Afdeling begrijpt het beroep van appellanten aldus, dat zij betogen dat verweerder in dit verband ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat de aanwezigheid van de inrichting zich niet zou verdragen met de Reconstructiewet concentratiegebieden en de daarin neergelegde ontwikkelingsvisie.

   Nog daargelaten de vraag of in dit geval moet worden gesproken van een redelijkerwijs te verwachten toekomstige ontwikkeling, overweegt de Afdeling onder verwijzing naar haar uitspraak van 8 maart 2006, no. 200506744/1, dat de vraag of de oprichting of de uitbreiding van een veehouderij past binnen de doelstellingen van de Reconstructiewet concentratiegebieden en het daarop gebaseerde reconstructieplan, niet de bescherming van het milieu in de zin van artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer betreft. De beroepsgrond treft reeds daarom geen doel.

2.12.    Voor zover appellanten betogen dat ten onrechte geen ontheffing is aangevraagd op grond van de richtlijn 79/409/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (Pb L 103), de Habitatrichtlijn en de Natuurbeschermingswet, overweegt de Afdeling dat deze grond zich niet richt tegen de rechtmatigheid van het thans ter beoordeling staande bestreden besluit. Het beroep kan daarom in zoverre niet slagen.

2.13.    Het beroep is ongegrond.

2.14.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, Voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. W. Sorgdrager, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Kreveld    w.g. Plambeck

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2006

373.