Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AX9035

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-06-2006
Datum publicatie
21-06-2006
Zaaknummer
200600272/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Appellant heeft bij brief van 8 juni 2005 verweerder verzocht handhavingsmaatregelen te treffen ten aanzien van horeca-inrichting "Het Hijspaleis" gelegen aan de Langeberglaan 3 te Brunssum.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200600272/1.

Datum uitspraak: 21 juni 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Brunssum,

verweerder.

1.    Procesverloop

Appellant heeft bij brief van 8 juni 2005 verweerder verzocht handhavingsmaatregelen te treffen ten aanzien van horeca-inrichting "Het Hijspaleis" gelegen aan de Langeberglaan 3 te Brunssum.

Bij brief van 11 augustus 2005 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen het uitblijven van een beslissing op dit verzoek.

Bij besluit van 15 november 2005, verzonden op 16 november 2005, heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 23 december 2005, bij de rechtbank Maastricht dezelfde dag per fax ontvangen, beroep ingesteld. Op grond van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht heeft de rechtbank het beroepschrift doorgezonden naar de Afdeling, waar het op 10 januari 2006 is ingekomen.

Bij brief van 20 februari 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 juni 2006, waar appellant vertegenwoordigd door mr. ing. J.G. van Ek, advocaat te Heerlen, en verweerder, vertegenwoordigd door R.G.J. Leduc en mr. F. Limpens-Cuypers, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Op 1 december 2005 zijn de wet van 16 juli 2005, houdende wijziging van de Wet milieubeheer en de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Stb. 2005, 432), en het besluit van 8 oktober 2005, houdende wijziging van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (Stb. 2005, 527), in werking getreden. Nu het bestreden besluit vóór 1 december 2005 is genomen, moet dit worden beoordeeld aan de hand van het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wet en dit besluit.

2.2.    Niet in geschil is dat vanwege het in werking zijn van de in geding zijnde inrichting in de nacht van 18 op 19 juni 2005 voorschrift 1.1.1 van de bijlage bij het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer (hierna: het Besluit) is overtreden, zodat verweerder terzake bevoegd was om handhavend op te treden. Verweerder heeft in de bestreden beslissing op bezwaar alsnog in afwijzende zin op het handhavingsverzoek van appellant beslist.

2.3.    Appellant stelt dat verweerder er ten onrechte van heeft afgezien om handhavend op te treden. Hij voert hiertoe aan dat verweerder door het hanteren van een handhavingsprotocol, dat er - kort gezegd - op neerkomt dat niet wordt overgegaan tot handhavend optreden indien de overtreder binnen een half jaar na de geconstateerde overtreding geen nieuwe overtreding maakt, nooit tot handhaving zal overgaan. In dit verband stelt appellant dat op 1 november 2003 en op 7 december 2004 ook al overtredingen van hetzelfde voorschrift zijn geconstateerd. Daarbij merkt hij op dat er niet altijd metingen zijn verricht.

2.3.1.    Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uizicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.3.2.    Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de overtreding in de nacht van 18 op 19 juni 2005 waarschijnlijk werd veroorzaakt door een openstaande deur. Verweerder heeft bij zijn besluit tot afwijzing van het handhavingsverzoek in aanmerking genomen dat dit een eenmalige niet-permanente overtreding betreft. Hieraan doet niet af de door appellant genoemde eerdere overtredingen, wat daarvan ook zij, gezien het zeer ruime tijdsverloop daartussen en tot de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende overtreding, daargelaten het door verweerder gehanteerde handhavingsprotocol. Voorts heeft verweerder bij eerdere controles in de periode van 26 maart 2005 tot en met 29 mei 2005 gedurende drie nachten geluidmetingen verricht, waarbij geen overtreding is vastgesteld.

   Gezien deze omstandigheden moet in dit geval handhavend optreden als zodanig onevenredig tot de daarmee te dienen belangen worden beschouwd, dat verweerder daarvan op goede gronden heeft afgezien.

2.4.    Appellant betoogt dat verweerder ten onrechte niet heeft beslist op zijn verzoek om vergoeding van de kosten die hij in verband met de behandeling van het bezwaar heeft moeten maken.

2.4.1.    Ingevolge artikel 18.14, eerste lid, van de Wet milieubeheer, zoals dat vóór 1 december 2005 luidde, kan een ieder aan een bestuursorgaan dat bevoegd is tot toepassing van bestuursdwang, oplegging van een last onder dwangsom of intrekking van een vergunning of ontheffing, verzoeken een daartoe strekkende beschikking te geven.

   Artikel 18.16, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt, voor zover hier van belang, dat de beschikking op een overeenkomstig artikel 18.14, eerste lid, gedaan verzoek zo spoedig mogelijk wordt gegeven, doch uiterlijk vier weken na de datum waarop het verzoek is ontvangen.

   Ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht wordt het niet tijdig nemen van een besluit voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit gelijkgesteld.

2.4.2.    Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht worden de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken op verzoek van de belanghebbende uitsluitend door het bestuursorgaan vergoed voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuur te wijten onrechtmatigheid.

   Het derde lid van dit artikel bepaalt dat het verzoek wordt gedaan voordat het bestuursorgaan op het bezwaar heeft beslist. Het bestuursorgaan beslist op het verzoek bij de beslissing op het bezwaar.

2.4.3.    Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Kamerstukken II, 27 024, nr. 3, blz. 6, Kamerstukken II, 27 024, nr. 5, blz. 7, en Kamerstukken II, 27 024, nr. 14, blz. 1-2) is niet af te leiden dat daarmee is beoogd uit te sluiten dat kosten in verband met het maken van bezwaar tegen het uitblijven van een besluit op een aanvraag voor vergoeding in aanmerking komen. Uit die geschiedenis kan worden afgeleid dat het gebruik van de term 'herroepen' niet in de weg staat aan de mogelijkheid van veroordeling tot vergoeding van de kosten opgekomen bij het maken van bezwaar tegen het uitblijven van een besluit op een aanvraag.

   Zoals de Afdeling eerder heeft beslist in de uitspraak van 18 april 2006, in zaak no. 200601504/1, dient het betrokken bestuursorgaan de kosten die een belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar tegen het uitblijven van een besluit op een aanvraag redelijkerwijs heeft moeten maken te vergoeden, tenzij het uitblijven van dat besluit niet kan worden verweten aan het bestuursorgaan.

2.4.4.    Appellant heeft in zijn bezwaarschrift van 11 augustus 2005 verweerder verzocht om vergoeding van de kosten die hij in verband met de behandeling van het bezwaar tegen het niet tijdig beslissen op zijn handhavingsverzoek van 8 juni 2005 heeft moeten maken.

   De Afdeling overweegt dat uit de beslissing op bezwaar niet blijkt dat verweerder heeft beslist op het door appellant gedane verzoek. Het bestreden besluit is in zoverre dan ook genomen in strijd met artikel 7:15, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

   Daarbij overweegt de Afdeling dat het door appellant ingediende verzoek tot het treffen van handhavingsmaatregelen als datum van binnenkomst bij verweerder 9 juni 2005 vermeldt. Anders dan waarvan verweerder uitgaat behelst de brief van verweerder van 7 juli 2005 geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht. In de brief van 7 juli 2005 is te kennen gegeven dat verweerder naar aanleiding van een controle ter plaatse van de inrichting, waaruit is gebleken dat voorschrift 1.1.1 van de bijlage bij het Besluit wordt overtreden, de drijver van de in geding zijnde inrichting heeft meegedeeld dat van hem wordt verwacht dat hij het voornoemde voorschrift naleeft. Daarbij is verder meegedeeld dat verweerder zal overwegen een bestuursrechtelijke sanctie op te leggen, indien binnen zes maanden weer dezelfde overtreding wordt geconstateerd. Hiermee is geen sprake van een op rechtsgevolg gerichte beslissing. Nu eerst bij de bestreden beslissing op bezwaar alsnog in afwijzende zin op het handhavingsverzoek van appellant is beslist, moet worden geoordeeld dat verweerder niet tijdig, binnen de in artikel 18.16, eerste lid, van de Wet milieubeheer gestelde termijn van vier weken, op het verzoek van appellant heeft beslist.

2.4.5.    Nu appellant in zijn bezwaarschrift heeft verzocht om vergoeding van de bij hem in verband met het maken van bezwaar tegen het uitblijven van een besluit op zijn handhavingsverzoek opgekomen kosten, deze kosten betrekking hebben op door een derde beroepsmatig daarbij verleende rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht en gesteld noch gebleken is dat de termijnoverschrijding niet kan worden verweten aan verweerder, komen deze kosten voor vergoeding in aanmerking.

2.5.    Het beroep is gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover verweerder in strijd met artikel 7:15, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht niet heeft beslist op het verzoek van appellant om vergoeding van de kosten die hij in verband met de behandeling van het bezwaar heeft moeten maken. Verweerder dient op na te melden wijze te worden veroordeeld in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het bezwaar naar het oordeel van de Afdeling redelijkerwijs heeft moeten maken. Gelet op het voorgaande behoeft verweerder niet opnieuw te beslissen op het verzoek van appellant om vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten.

2.6.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Brunssum van 15 november 2005, kenmerk ABZ nr.05/13061, voor zover verweerder in strijd met artikel 7:15, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht niet heeft beslist op het verzoek van appellant om vergoeding van de kosten die hij in verband met de behandeling van het bezwaar heeft moeten maken;

II.    verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

III.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Brunssum tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het bezwaar opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 80,50 (zegge: tachtig euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Brunssum aan appellant onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IV.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Brunssum tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Brunssum aan appellant onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

V.    gelast dat de gemeente Brunssum aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 138,00 (zegge: honderdachtendertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt    w.g. De Vink

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2006

154-517.