Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AX8552

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-06-2006
Datum publicatie
14-06-2006
Zaaknummer
200507980/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 april 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Enschede het uitwerkingsplan "Verlengde Euregioweg" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2006/324
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200507980/1.

Datum uitspraak: 14 juni 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Overijssel,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 19 april 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Enschede het uitwerkingsplan "Verlengde Euregioweg" vastgesteld.

Verweerder heeft bij besluit van 19 juli 2005, kenmerk RWB/2005/1541, beslist over de goedkeuring van het uitwerkingsplan.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 13 september 2005, bij de Raad van State ingekomen op 14 september 2005, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 25 oktober 2005.

Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 april 2006, waar verweerder, vertegenwoordigd door O. Westra, ambtenaar van de provincie, is verschenen. Voorts is daar gehoord het college van burgemeester en wethouders van Enschede, vertegenwoordigd door mr. drs. J. van der Noord en ing. F.J.W. Legters, ambtenaren van de gemeente. Appellante is niet ter zitting verschenen.

2.    Overwegingen

Toetsingskader

2.1.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een uitwerkingsplan. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), voorzover hier relevant, kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het plan moet worden uitgewerkt volgens bij het plan te geven regelen. Bij de beslissing over de goedkeuring van een uitwerkingsplan dient verweerder te toetsen of aan de bij het bestemmingsplan gegeven uitwerkingsregelen is voldaan. Ingevolge artikel 11, vierde lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust daarnaast op verweerder de taak om te bezien of het plan binnen de bij het bestemmingsplan gegeven regelen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Tevens heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast

Standpunt van appellante

2.2.    Appellante stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het uitwerkingsplan. Volgens haar is het plan niet in overeenstemming met de Flora- en faunawet. Zij voert verder aan dat aan het plan ten onrechte een verouderd milieueffectrapport (hierna: MER) ten grondslag is gelegd. Daarnaast stelt zij dat onvoldoende onderzoek naar de effecten van het plan op de luchtkwaliteit heeft plaatsgevonden. Zij acht het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening.

Standpunt van verweerder

2.3.    Verweerder stelt zich op het standpunt dat het plan aan de uitwerkingsvoorschriften voldoet en niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening is.

Vaststelling van de feiten

2.4.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.4.1.    Het uitwerkingsplan betreft een uitwerking van de bestemming "Hoofdwegen" van het bestemmingsplan "De Eschmarke" (hierna: het bestemmingsplan).

    Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan zijn de krachtens artikel 11 van de WRO door burgemeester en wethouders uit te werken en op de plankaart als "Hoofdwegen" aangewezen gronden bestemd voor hoofdwegen, fiets- en voetpaden, banen en haltes ten behoeve van openbaar vervoersverbindingen, parkeervoorzieningen en groenvoorzieningen.

    Uit het besluit van 5 november 1996, waarbij is beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan, blijkt dat bij de voorbereiding daarvan een MER is opgesteld.

2.4.2.    Het uitwerkingsplan voorziet in de aanleg van de Verlengde Euregioweg, die de verbinding tussen de bestaande Euregioweg en de Kerkstraat vormt. Blijkens de stukken zijn de Verlengde Euregioweg en de bestaande Gronauseweg de belangrijkste oost-west assen ter ontsluiting van het gebied van "De Eschmarke". Met het uitwerkingsplan is tevens beoogd de Gronauseweg te ontlasten van het verkeer van en naar de nabijgelegen woonbuurten.

2.4.3.    Ingevolge artikel 1, eerste lid, onder 23, van de planvoorschriften wordt onder "Hoofdweg" verstaan een weg, die verkeer verwerkt tussen de wijken onderling en het de stad binnenkomende en verlatende verkeer.

   Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de planvoorschriften van het uitwerkingsplan zijn de voor "Verkeersdoeleinden" aangewezen gronden bestemd voor de aanleg en/of handhaving van hoofdontsluitingsroutes, fietspaden, voetpaden, banen voor openbaar vervoer, parkeerplaatsen, bermen, groenvoorzieningen, watergangen en voorzieningen in het kader van de waterbeheersing.

2.4.4.    De Verlengde Euregioweg snijdt dwars door het heidegebied van het Glanerveld, één van de ecologische verbindingszones die in het plangebied aanwezig zijn.

   In opdracht van de gemeente is onderzoek gedaan naar het voorkomen in het plangebied van planten- en diersoorten die op grond van de natuurbeschermingsregelgeving bescherming genieten. De resultaten van dat onderzoek zijn weergegeven in het rapport de "Quick-scan Flora- en faunawet Verlengde Euregioweg" van 13 januari 2004 van het ingenieursbureau Eelerwoude Ingenieurs B.V. en het rapport "Ecoscan Verlengde Euregioweg" van maart 2005 van DHV Ruimte en Mobiliteit B.V.. Volgens de rapporten komen in het plangebied beschermde planten- en diersoorten voor. Deze ondervinden als gevolg van het uitwerkingsplan evenwel geen significant nadelige effecten op het populatieniveau. Genoemde rapporten zijn als bijlagen bij de plantoelichting gevoegd.

   Om het heidegebied tegen mogelijk optredende nadelige effecten van het uitwerkingsplan te beschermen zullen volgens de toelichting ter hoogte van de doorsnijding van de weg met het Glanerveld drie faunapassages, twee wildtunnels en een eco-duiker met loopstroken voor amfibieën en kleine zoogdieren worden aangelegd. De weg zal ter plaatse van de passages verhoogd worden aangelegd om te voorkomen dat bij een eventuele hoge waterstand het gebruik van de faunapassages wordt bemoeilijkt. Om ontwatering van het Glanerveld te voorkomen zal langs de nieuwe loop van de Hoge Boekelerbeek, die een hogere natuurwaarde zal krijgen, een kwelscherm worden aangebracht. Een brede berm moet zorgen voor voldoende ruimte om de beek goed in te richten. Ter hoogte van het Glanerveld zal dit worden gecombineerd met inrichtingsmaatregelen, aldus de plantoelichting.

2.4.5.    Uit het verslag van het overleg, als bedoeld in artikel 10 van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985, dat met de provincie Overijssel en het waterschap Regge en Dinkel is gevoerd, blijkt dat onderzoek ter plaatse heeft uitgewezen dat de grenswaarden die ter bescherming van de kwaliteit van de buitenlucht zijn gesteld als gevolg van het uitwerkingsplan niet worden overschreden. Het verslag is als bijlage bij de plantoelichting gevoegd.

Oordeel van de Afdeling

2.5.    Het bestemmingsplan staat ingevolge artikel 7, eerste lid, van de planvoorschriften de aanleg van hoofdwegen toe.

   Het betoog van appellante dat ten behoeve van het uitwerkingsplan ten onrechte geen MER is gemaakt, faalt. In het kader van de bestemmingsplanprocedure zijn alle belangen ten aanzien van de verwezenlijking van een weg ter plaatse afgewogen. Dat bestemmingsplan verschaft de rechtstitel voor de aanleg van een dergelijke weg en is in zoverre aan te merken als het eerste plan dat in de mogelijke aanleg voorziet. Het uitwerkingsplan dient slechts ter nadere detaillering. Nu voorts bij de voorbereiding van het bestemmingsplan een MER is opgesteld, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat geen verplichting bestond ten behoeve van het uitwerkingsplan een MER op te stellen.

    Zoals hiervoor onder 2.4.4. is overwogen, is ten behoeve van het uitwerkingsplan onderzoek naar de in het gebied aanwezige natuurwaarden gedaan. De resultaten van dat onderzoek zijn in een tweetal rapporten vastgelegd. Voor zover van enige aantasting van de natuurwaarden in het gebied sprake zou kunnen zijn, wordt in de rapporten advies gegeven over te nemen maatregelen ter voorkoming daarvan. In zoverre bestaat dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat voldoende onderzoek is gedaan naar de effecten van het uitwerkingsplan op de in het gebied aanwezige planten- en diersoorten en dat, zoals ook ter zitting is gebleken, voldoende maatregelen ter bescherming daarvan zijn getroffen. Voorts geven de in die rapporten beschreven natuurwaarden en effecten van het plan op de omgeving geen aanleiding voor de conclusie dat de Flora- en faunawet aan de uitvoerbaarheid van het uitwerkingsplan in de weg staat.

   Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting is voorts onderzoek naar de effecten van het uitwerkingsplan op de luchtkwaliteit gedaan. De conclusie is dat de normen die aan de kwaliteit van de buitenlucht zijn gesteld als gevolg van het uitwerkingsplan niet worden overschreden. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat het onderzoek niet juist is uitgevoerd, dan wel dat het om andere redenen niet betrouwbaar of representatief is. Ook in zoverre bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat van het aan de besluitvorming ten grondslag gelegde onderzoek mocht worden uitgegaan.

2.5.1.    Gezien het vorenstaande bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het uitwerkingsplan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het uitwerkingsplan.

Het beroep is ongegrond.

Proceskosten

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, Voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. M.A.A. Mondt-Schouten, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.L. Frenkel, ambtenaar van Staat.

w.g. Scholten-Hinloopen    w.g. Frenkel

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 juni 2006

206.