Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AX8544

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-06-2006
Datum publicatie
14-06-2006
Zaaknummer
200509511/1 en 200509511/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 januari 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders (hierna: het college) appellant onder aanzegging van bestuursdwang aangeschreven om het glazen dak van de schaduwhal op het perceel [locatie] te [plaats] binnen twee maanden te verwijderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200509511/1 en 200509511/2.

Datum uitspraak: 14 juni 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04/4119 van de rechtbank

's-Gravenhage van 3 oktober 2005 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Moordrecht.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 23 januari 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders (hierna: het college) appellant onder aanzegging van bestuursdwang aangeschreven om het glazen dak van de schaduwhal op het perceel [locatie] te [plaats] binnen twee maanden te verwijderen.

Bij besluit van 3 augustus 2004 heeft het college, onder verlenging van de begunstigingstermijn tot twee maanden na verzending van het besluit, het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 oktober 2005, verzonden op 5 oktober 2005, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 15 november 2005, bij de Raad van State ingekomen op 16 november 2005, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 16 december 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 17 april 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, heeft appellant de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Bij brief van 30 januari 2006 heeft het college van antwoord gediend.

De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 mei 2006, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. P.A. van Lange, advocaat te Dordrecht, en het college, vertegenwoordigd door mr. H.J.M. Winkelhuijzen, advocaat te Alphen aan den Rijn, zijn verschenen.

2.1.    Overwegingen

2.2.    In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.3.    Aan appellant is op 20 oktober 1995 een bouwvergunning verleend voor een schaduwhal afgedekt met een gaasdoek. Vaststaat dat appellant in afwijking van deze bouwvergunning een glazen dak op de schaduwhal heeft geplaatst.

2.4.    Niet in geschil is dat is gehandeld in strijd met artikel 40, eerste lid, van de Woningwet, zodat het college ter zake handhavend kon optreden.

   Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.5.    Het betoog van appellant dat de rechtbank heeft miskend dat concreet uitzicht bestaat op legalisatie van de situatie faalt. De schaduwhal is gesitueerd op gronden waarop ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Landelijk gebied" geen gebouwen zijn toegestaan. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het door appellant genoemde inventarisatierapport naar knelpunten in het buitengebied en mogelijke oplossingen, alsook de interregionale structuurvisie, geen concreet uitzicht op legalisatie bieden nu de besluitvorming daarover ten tijde van de beslissing op bezwaar nog moest plaatsvinden en de structuurvisie bovendien slechts een globale visie bevat over de periode vanaf 2010. Voor het verlenen van een bouwvergunning met toepassing van artikel 17 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in afwachting van het ontstaan van meer duidelijkheid over de planlogische ontwikkeling van het gebied, zoals door appellant bepleit, bestond geen ruimte nu geen concrete objectieve gegevens voorhanden zijn op grond waarvan aannemelijk is dat het bouwwerk niet langer dan vijf jaren in stand zal blijven. Voor zover het betoog van appellant dat zinvol gebruik van de als caravanstalling gebruikte schaduwhal overeenkomstig de agrarische bestemming niet meer mogelijk is moet worden opgevat als een beroep op de zogenoemde toverformule, faalt het reeds omdat de aan het bestuursdwangbesluit ten grondslag gelegde overtreding betrekking heeft op bouwen en niet op gebruik.

2.6.    Appellant betoogt tevergeefs dat de bouwvergunning van 20 oktober 1995 betrekking heeft op een gebouw en dat hieruit volgt dat tegen een schaduwhal met glazen dak niet handhavend kan worden opgetreden. Zoals de Afdeling reeds in haar uitspraak van 13 februari 2002, inzake no. 200100035/1, met betrekking tot een aan appellant opgelegde last onder dwangsom ter zake van de schaduwhal heeft geoordeeld is deze (eerst) een gebouw geworden door de plaatsing van het glazen dak.

2.7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8.    Gelet op het vorenstaande ziet de Voorzitter geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening.

2.9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J. Willems, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump    w.g. Willems

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 juni 2006

412.