Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AX8538

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-06-2006
Datum publicatie
14-06-2006
Zaaknummer
200505360/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 juni 2003 heeft de Inspecteur voor de Gezondheidszorg (hierna: de Inspecteur) aan appellant een bevel gegeven vanaf 10 juni 2003 een adequate regeling te hebben om in de continuïteit van zorg voor zijn patiënten te voorzien en deze regeling aan de Inspecteur bekend te maken voor 6 juni 2003.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200505360/1.

Datum uitspraak:14 juni 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats]\,

tegen de uitspraak in zaak no. 04/523 van de rechtbank Zutphen van 11 april 2005 in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 3 juni 2003 heeft de Inspecteur voor de Gezondheidszorg (hierna: de Inspecteur) aan appellant een bevel gegeven vanaf 10 juni 2003 een adequate regeling te hebben om in de continuïteit van zorg voor zijn patiënten te voorzien en deze regeling aan de Inspecteur bekend te maken voor 6 juni 2003.

Bij besluit van 19 november 2003 heeft de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna: de Minister) appellant gelast aan dit bevel te voldoen onder oplegging van een dwangsom van € 750,00 voor elke dag dat appellant niet aan het bevel voldoet, tot een maximum van € 22.500,00.

Bij besluit van 5 maart 2004 heeft de Minister het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Tevens heeft de Minister bij dit besluit de last onder dwangsom ingetrokken.

Bij uitspraak van 11 april 2005, verzonden op 19 april 2005, heeft de rechtbank Zutphen (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 mei 2005, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 24 augustus 2005 heeft de Minister van antwoord gediend.

Bij brief van 1 februari 2006 heeft appellant nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 februari 2006, waar appellant in persoon en de Minister, vertegenwoordigd door mr. G. Mohanlal, ambtenaar bij het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 100a van de Wet op de Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg (hierna: de Wet BIG) is de Minister bevoegd tot toepassing van bestuursdwang ter handhaving van de in een krachtens artikel 87a gegeven bevel gestelde verplichtingen.

   Ingevolge artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

2.2.    Bij uitspraak van heden in zaak no. 200504617/1 heeft de Afdeling het hoger beroep van appellant tegen de uitspraak van de rechtbank van 7 april 2005 in zaak no. 03/1258 gegrond verklaard, die uitspraak vernietigd en in de zaak voorzien door het op 3 juni 2003 aan appellant krachtens artikel 87a van de Wet BIG door de Inspecteur gegeven bevel te herroepen.

2.3.    Nu de op 19 november 2003 gegeven last onder dwangsom is opgelegd ter handhaving van het op 3 juni 2003 aan appellant gegeven bevel, ziet de Afdeling aanleiding het hoger beroep gegrond te verklaren en de aangevallen uitspraak te vernietigen. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling op hierna te melden wijze in de zaak voorzien en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

2.4.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 11 april 2005, 04/523;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 5 maart 2004, DWJZ-2436779/12;

V.    herroept het besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 19 november 2003, CZ/EZ-2430274;

VI.    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VII.    gelast dat de Staat der Nederlanden (ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) aan appellant het door hem voor de behandeling van het hoger beroep en het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 343,00 (zegge: driehonderddrieënveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. J.H.B. van der Meer en mr. C.J.M. Schuyt, Leden, in tegenwoordigheid van mr. D. Haan, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek    w.g. Haan

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 juni 2006

164-362.