Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AX8524

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-06-2006
Datum publicatie
14-06-2006
Zaaknummer
200508394/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 juni 2004 heeft appellant (hierna: het college) - voor zover thans van belang - besloten de twee kinderen van [wederpartij 1] en [wederpartij 2] niet meer in de gemeentelijke basisadministratie te registreren onder de geslachtsnaam van [wederpartij 2] maar onder de geslachtsnaam van [wederpartij 1].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200508394/1.

Datum uitspraak: 14 juni 2006.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Almere,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/286 van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 18 augustus 2005 in het geding tussen:

[wederpartijen], wonend te Almere

en

appellant.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 1 juni 2004 heeft appellant (hierna: het college) - voor zover thans van belang - besloten de twee kinderen van [wederpartij 1] en [wederpartij 2] niet meer in de gemeentelijke basisadministratie te registreren onder de geslachtsnaam van [wederpartij 2] maar onder de geslachtsnaam van [wederpartij 1].

Bij besluit van 27 januari 2005 heeft het college het daartegen door [wederpartijen] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 17 maart 2005 heeft het college voornoemd besluit ingetrokken en - opnieuw beslissend op het bezwaar - het bezwaar wederom ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 augustus 2005, verzonden op 1 september 2005, heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad (hierna: de rechtbank) - voor zover thans van belang - het door [wederpartijen] ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar van 17 maart 2005 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief van 30 september 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 21 oktober 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 16 november 2005 hebben [wederpartijen]van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 mei 2006, waar het college, vertegenwoordigd door P.H. Oostendorp, werkzaam bij de gemeente, en [wederpartij 1] met zijn kinderen [zoon en dochter], bijgestaan door mr. Th.P.M. Moons, advocaat te Amersfoort, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 6 van de Wet algemene bepalingen verbinden de wetten betreffende de rechten, de staat en de bevoegdheid van personen de Nederlanders, ook wanneer zij zich buiten Nederland bevinden.

   Ingevolge artikel 5, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: het BW), zoals dat artikel luidde tot 1 januari 1998, is de geslachtsnaam van een onwettig kind die van de vader, wanneer deze het kind heeft erkend, en anders die van de moeder.

   Ingevolge artikel 2 van de Wet conflictenrecht namen (hierna: de Wcn) worden de geslachtsnaam en de voornaam van een persoon die de Nederlandse nationaliteit heeft, ongeacht de vraag of hij nog een andere nationaliteit heeft, bepaald door het Nederlandse interne recht. Dit geldt ook indien vreemd recht van toepassing is op de familierechtelijke betrekkingen waarvan het ontstaan of het tenietgaan gevolg kan hebben voor de geslachtsnaam.

   Ingevolge artikel 3 van de Wcn kunnen personen die de nationaliteit van meer dan één Staat bezitten, de ambtenaar van de burgerlijke stand verzoeken aan hun geboorteakte een latere vermelding toe te voegen van de naam die zij voeren in overeenstemming met het recht van een van die Staten, dat niet is toegepast ingevolge artikel 1, tweede lid, of artikel 2 van deze wet.

   Ingevolge artikel 5a, eerste lid, van de Wcn worden, indien de geslachtsnaam of de voornamen van een persoon ter gelegenheid van de geboorte buiten Nederland zijn vastgelegd of als gevolg van een buiten Nederland tot stand gekomen wijziging in de persoonlijke staat zijn gewijzigd, een en ander met inachtneming van ter plaatse geldende regels van internationaal privaatrecht, en zijn neergelegd in een overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie opgemaakte akte, de aldus vastgelegde of gewijzigde geslachtsnaam of voornamen in Nederland erkend. De erkenning kan niet wegens strijd met de openbare orde worden geweigerd op de enkele grond dat een ander recht is toegepast dan uit de bepalingen van deze wet zou zijn gevolgd.    

   Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Wcn zijn de bepalingen van deze wet niet van rechtswege van toepassing op de geslachtsnamen en voornamen die voorkomen in akten van de burgerlijke stand, die in de registers zijn opgenomen vóór de dag van haar inwerkingtreding.

   Ingevolge artikel 6, tweede lid, van de Wcn wordt de vermelding van de geslachtsnamen en de voornamen in akten van de burgerlijke stand als bedoeld in het eerste lid op verzoek van een belanghebbende in overeenstemming met de bepalingen van deze wet gewijzigd. Heeft het verzoek betrekking op een vreemdeling, dan moet de wijziging blijken uit een door een bevoegde autoriteit van het land waarvan hij de nationaliteit bezit opgemaakt stuk.

2.2.    Het hoger beroep heeft uitsluitend betrekking op het oordeel van de rechtbank over het door [wederpartijen] ingestelde beroep tegen het besluit van 17 maart 2005.

2.3.    [wederpartijen] zijn respectievelijk de vader en de moeder van de kinderen [zoon], geboren op […], en [dochter], geboren op […]. [wederpartij 1] heeft de Nederlandse nationaliteit, [wederpartij 2] de Duitse nationaliteit, terwijl [zoon] en [dochter] zowel de Nederlandse als de Duitse nationaliteit hebben.

2.4.    Het college heeft aan het in bezwaar gehandhaafde besluit van 1 juni 2004 ten grondslag gelegd dat bij de op 17 oktober 1989 opgestelde aangifte voor opname in het (toenmalige) bevolkingsregister door de ouders van [zoon en dochter] niet is gemeld dat [wederpartij 1] in Duitsland op respectievelijk [data] [zoon en dochter] heeft erkend, en dat die erkenningen evenmin bleken uit de bij de aangifte overgelegde documenten. Zij zijn dientengevolge onder de geslachtsnaam [wederpartij 2] geregistreerd. Nadien is echter gebleken dat de kinderen wel door [wederpartij 1] zijn erkend. Op grond van artikel 5, tweede lid, van Boek 1 van het BW hebben erkende kinderen de geslachtsnaam van de vader, zodat [zoon en dochter] ten onrechte onder de geslachtsnaam van [wederpartij 2] zijn geregistreerd.

2.5.    Het college bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat het college ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in artikel 5a van de Wcn. In dit verband heeft het college aangevoerd dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de regelgeving zoals die gold ten tijde van de erkenning, bepalend is voor de geslachtsnaam van de kinderen en dat het in bezwaar gehandhaafde besluit van 1 juni 2004 een correctie betreft van eerder onjuist vermelde geslachtsnamen.

   Het college bestrijdt voorts het oordeel van de rechtbank dat het college voorbij is gegaan aan het feit dat voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel 5a van de Wcn op 15 februari 1999, en naar aangenomen mag worden ook ten tijde van de inschrijving van de kinderen in de basisadministratie in oktober 1989, bij inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie als beleid werd gehanteerd dat in gevallen als de onderhavige de geslachtsnaam werd overgenomen zoals deze in de buitenlandse akte stond vermeld. In dit verband heeft het college aangevoerd dat het niet een zodanig beleid voerde.

2.6.     Ten tijde van de inschrijving van de kinderen was bij het college niet bekend dat de kinderen [zoon en dochter] door [wederpartij 1] in Duitsland waren erkend. Hierdoor was het college destijds niet bekend dat zij ingevolge artikel 5, tweede lid, van Boek 1 van het BW, zoals dat ten tijde van de erkenning luidde, gelezen in samenhang met artikel 6 van de Wet algemene bepalingen, van rechtswege de geslachtsnaam [wederpartij 1] hebben verkregen. Eerst naar aanleiding van het verzoek van [wederpartijen] in het jaar 2004 om in de basisadministratie te vermelden dat hun kinderen de Nederlandse nationaliteit hebben en de kinderen een Nederlands paspoort te verstrekken, is het college bekend geworden dat de kinderen door [wederpartij 1] zijn erkend en eerst toen is onderkend dat de kinderen destijds ten onrechte in de basisadministratie zijn geregistreerd onder de geslachtsnaam van [wederpartij 2]. Hoewel erkenning gevolgen heeft voor de door het college in de basisadministratie bij te houden gegevens, is het college niet, bijvoorbeeld door middel van het aan [wederpartijen] verstrekte inlichtingenformulier, nagegaan of de kinderen al dan niet zijn erkend. De ouders van de kinderen hebben evenmin uit eigen beweging de erkenningen onder de aandacht van het college gebracht. Door deze gang van zaken hebben beide partijen jarenlang in de onjuiste veronderstelling verkeerd dat de kinderen de geslachtsnaam van [wederpartij 2] hebben. Dat de kinderen aanvankelijk onder de verkeerde geslachtsnaam zijn geregistreerd en dat zij die geslachtsnaam steeds als hun geslachtsnaam hebben beschouwd, laat echter onverlet dat het college terecht wegens de nadien bekend geworden erkenning alsnog de kinderen onder de rechtens juiste geslachtsnaam heeft geregistreerd. Het college stelt zich daarbij terecht op het standpunt dat niet het eerst na de erkenningen in werking getreden artikel 5a van de Wcn, waaraan geen terugwerkende kracht is toegekend en dat evenmin van openbare orde is, de van toepassing zijnde regelgeving is, maar artikel 5, eerste lid, van boek 1 van het BW, zoals dat luidde ten tijde van de erkenningen. Voorts stelt het college met recht dat artikel 6, tweede lid van de Wcn niet kan voorzien in de registratie in de basisadministratie van een tweede geslachtsnaam die de kinderen mogelijkerwijs op basis van Duits recht zouden hebben, en dat de kinderen slechts onder de geslachtsnaam [wederpartij 2] geregistreerd kunnen worden na wijziging van de geslachtsnaam door de Koning. Met het oordeel dat het college ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in artikel 5a van de Wcn heeft de rechtbank miskend dat de wijziging van de geslachtsnamen van [zoon en dochter] niet een eerste vaststelling van de geslachtsnaam van de kinderen betreft naar het recht zoals dat gold op 1 juni 2004, maar een ambtshalve en rechtens juiste wijziging van voorheen onjuist geregistreerde geslachtsnamen.

   Nu het college heeft verklaard dat het ten tijde van de inschrijving van de kinderen niet de in de memorie van toelichting bij de wijziging van de Wcn (Kamerstukken II, 25 971, nr. 3, p. 1-2) omschreven praktijk - die in de aangevallen uitspraak als beleid wordt aangeduid - hanteerde, maar toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in artikel 5, tweede lid, van boek 1 van het BW, zoals dat destijds luidde, heeft de rechtbank voorts miskend dat aan bedoelde praktijk in dit geval geen betekenis kan worden toegekend.

2.7.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient, voor zover aangevallen, te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling het beroep van [wederpartijen] tegen het besluit van 17 maart 2005 alsnog ongegrond verklaren.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 18 augustus 2005, in zaak no. AWB 05/286, voor zover daarbij het besluit van 17 maart 2005 is vernietigd;

III.    verklaart het door [wederpartijen] bij de rechtbank ingestelde beroep tegen het besluit van 17 maart 2005 ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. J.A.M. van Angeren en mr. P.A. Offers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk    w.g. Klein

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 juni 2006.

176-450.