Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AX8515

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-06-2006
Datum publicatie
14-06-2006
Zaaknummer
200509048/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 oktober 2002 heeft verweerder het verzoek van appellant om toepassing van bestuursrechtelijke handhavingsmaatregelen met betrekking tot de inrichtingen op het perceel [locatie] te [plaats] afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200509048/1.

Datum uitspraak: 14 juni 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Reusel-De Mierden,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 11 oktober 2002 heeft verweerder het verzoek van appellant om toepassing van bestuursrechtelijke handhavingsmaatregelen met betrekking tot de inrichtingen op het perceel [locatie] te [plaats] afgewezen.

Bij besluit van 24 juli 2003 heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond en voor het overige ongegrond verklaard en na heroverweging besloten om het besluit van 11 oktober 2002 te handhaven.

Bij uitspraak van 4 februari 2004, no. 200305711/1, heeft de Afdeling het tegen dit besluit ingestelde beroep gedeeltelijk gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd voor zover deze betrekking heeft op de inrichting van de Busmaatschappij BBA en verweerder opgedragen met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen.

Bij besluit van 2 maart 2004 heeft verweerder naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling opnieuw de bezwaren van appellant voor zover betrekking hebbende op de inrichting van de Busmaatschappij BBA ongegrond verklaard en na heroverweging besloten om het besluit van 11 oktober 2002 te handhaven.

Bij uitspraak van 22 september 2004, no. 200402960/1, heeft de Afdeling het tegen dit besluit ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd.

Bij besluit van 29 september 2005, verzonden op dezelfde dag, heeft verweerder naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling opnieuw de bezwaren van appellant voor zover betrekking hebbende op de inrichting van de Busmaatschappij BBA ongegrond verklaard en na heroverweging besloten het om het besluit van 11 oktober 2002 te handhaven.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 26 oktober 2005, bij de Raad van State ingekomen op 28 oktober 2005, beroep ingesteld.

Bij brief van 5 januari 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek is een nader stuk ontvangen van appellant. Dit is aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 mei 2006, waar appellant in persoon en bijgestaan door ir. A.K.M. van Hoof, en verweerder, vertegenwoordigd door D.M.C. van Veen, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat de bij deze wetten doorgevoerde wetswijzigingen niet van toepassing zijn op het huidige geding.

2.2.    Verweerder heeft het gemaakte bezwaar tegen het besluit van 11 oktober 2002 ongegrond verklaard, omdat de geluidhinder veroorzaakt door het 's nachts af- en aanrijden van de bussen van de Busmaatschappij BBA, waarover appellant in het verzoek om toepassing van bestuursrechtelijke handhavingsmaatregelen heeft geklaagd, naar zijn oordeel is gelegaliseerd. Verweerder heeft in dit verband gewezen op de omstandigheid dat op grond van de bij besluit van 10 juni 2004 gestelde nadere eisen krachtens het Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer (hierna: het Besluit), de in voorschrift 1.1.1 opgenomen piekgeluidgrenswaarde van 60 dB(A) gedurende de nachtperiode is verhoogd tot 61 dB(A). Volgens verweerder volgt uit het akoestisch rapport van Greten Raadgevend Ingenieurs van 1 maart 2004 dat aan de thans van toepassing zijnde piekgeluidgrenswaarde van 61 dB(A) gedurende de nachtperiode kan worden voldaan, indien bij het inrijden van de bussen, conform de gestelde nadere eisen, een maximum snelheid van 15 kilometer per uur in acht wordt genomen.

2.2.1.    Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat zijn handhavingsverzoek ten onrechte is afgewezen. Het akoestisch rapport van 1 maart 2004 is volgens hem ondeugdelijk en toont niet aan dat de thans van toepassing zijnde piekgeluidgrenswaarde van 61 dB(A) gedurende de nachtperiode niet wordt overschreden.

2.2.2.    Uit de uitspraak van de Afdeling van 4 februari 2004, no. 200305711/1, volgt dat vanwege het 's nachts aan- en afrijden van de bussen van busmaatschappij BBA sprake was van een overtreding van de in voorschrift 1.1.1 opgenomen piekgeluidgrenswaarde van 60 dB(A) gedurende de nachtperiode. Verweerder heeft niet vastgesteld in hoeverre de feitelijke situatie ter plaatse van de inrichting in overeenstemming is met de in het akoestisch rapport van Greten Raadgevend Ingenieurs van 1 maart 2004 geschetste situatie dat bij het inrijden van de bussen een maximum snelheid van 15 kilometer per uur in acht wordt genomen. Uit onder meer het akoestisch rapport van Greten Raadgevend Ingenieurs van 30 januari 2004 volgt dat de thans van toepassing zijnde piekgeluidgrenswaarde van 61 dB(A) gedurende de nachtperiode wordt overschreden wanneer bij het inrijden van de bussen een snelheid van ongeveer 20 kilometer per uur of meer wordt aangehouden. Gezien de stukken en het verhandelde ter zitting lijkt deze situatie zich feitelijk voor te doen. Onder deze omstandigheden staat onvoldoende vast dat de geluidhinder veroorzaakt door het 's nachts af- en aanrijden van de bussen van de busmaatschappij BBA ten volle is gelegaliseerd. Verweerder heeft onvoldoende onderzocht of er redenen zijn om terzake van de overtreding van de van toepassing zijnde piekgeluidgrenswaarde van 61 dB(A) handhavend op te treden.

   Gezien het vorenstaande kan de aan de bestreden beslissing op bezwaar ten grondslag liggende voorbereiding niet zorgvuldig, en de daarin neergelegde motivering niet toereikend worden geacht. De bestreden beslissing op bezwaar is in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

2.3.    Het beroep is gegrond. De bestreden beslissing op bezwaar dient te worden vernietigd. In verband hiermee behoeft het beroep geen verdere bespreking. Verweerder dient een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen.

2.4.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Reusel-De Mierden van 29 september 2005;

III.    draagt het college van burgemeester en wethouders van Reusel-De Mierden op binnen 4 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming daarvan een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

IV.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Reusel-De Mierden tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 671,57 (zegge: zeshonderdeenenzeventig euro en zevenenvijftig cent), waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Reusel-De Mierden aan appellant onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

V.    gelast dat de gemeente Reusel-De Mierden aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 138,00 (zegge: honderdachtendertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. E.M.H. Hirsch Ballin, Voorzitter, en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens en mr. W.D.M. van Diepenbeek, Leden, in tegenwoordigheid van mr. B.S. Jansen, ambtenaar van Staat.

w.g. Hirsch Ballin    w.g. Jansen

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 juni 2006

399.