Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AX8513

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-06-2006
Datum publicatie
14-06-2006
Zaaknummer
200602733/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 februari 2006 heeft verweerder een last onder dwangsom opgelegd aan [vergunninghoudst7er] wegens het zonder toezicht in werking hebben van een tankstation. Tevens heeft verweerder het besluit tot toepassing van bestuursdwang ten aanzien van het desbetreffende bedrijf van 21 december 2004 ingetrokken.

Wetsverwijzingen
Besluit tankstations milieubeheer
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.41
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2006/1498
JOM 2006/1371
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200602733/1.

Datum uitspraak: 8 juni 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in de gedingen tussen:

1.    [verzoekers sub 1], allen wonend te [woonplaats],

2.    [verzoeker sub 2], wonend te [woonplaats],

en

het dagelijks bestuur van de Milieudienst West-Holland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 22 februari 2006 heeft verweerder een last onder dwangsom opgelegd aan [vergunninghoudst7er] wegens het zonder toezicht in werking hebben van een tankstation. Tevens heeft verweerder het besluit tot toepassing van bestuursdwang ten aanzien van het desbetreffende bedrijf van 21 december 2004 ingetrokken.

Tegen dit besluit hebben verzoekers ieder afzonderlijk bezwaar gemaakt.

Bij brief van 9 april 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hebben verzoekers sub 1 de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij brief van 20 april 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, heeft verzoeker sub 2 de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 22 mei 2006, waar verzoekers sub 1, in persoon van [gemachtigde], en verzoeker sub 2, vertegenwoordigd door mr. J.C.W. de Sauvage Nolting, advocaat te Haarlem, en verweerder, vertegenwoordigd door drs. A.M. Burger en ir. A.M. Eussen-van Abswoude, ambtenaren van de milieudienst, zijn verschenen.

Voorts is als partij gehoord [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door [gemachtigde].

2.    Overwegingen

2.1.    De verzoeken richten zich tegen het gedeelte van het bestreden besluit waarin verweerder het besluit tot toepassing van bestuursdwang van 21 december 2004 heeft ingetrokken.

2.2.    Verzoekers, omwonenden, voeren primair aan dat verweerder heeft miskend dat het bedrijf van [vergunninghoudster] geen afzonderlijke inrichting is, maar één inrichting vormt met het naastgelegen garagebedrijf van [partij].

2.2.1.    De Afdeling heeft in de uitspraak van 9 november 2005 in zaak no. 200408053/1 overwogen dat tussen het tankstation en het garagebedrijf geen zodanige bindingen in de zin van artikel 1.1, vierde lid, tweede volzin, van de Wet milieubeheer bestaan dat ze tezamen zijn aan te merken als één inrichting. Ter zitting is gebleken dat de bindingen tussen het garagebedrijf en het tankstation inmiddels nader zijn afgenomen. In verband daarmee acht de Voorzitter geen redenen aanwezig om thans tot een ander oordeel te komen dan vervat in genoemde uitspraak van de Afdeling.

   Het vorenstaande kan dan ook niet leiden tot het treffen van een voorlopige voorziening.

2.3.    Verzoekers voeren aan dat indien sprake is van twee inrichtingen, het tankstation vergunningplichtig is aangezien het zich op minder dan 20 meter van woningen bevindt en er aflevering van brandstoffen zonder direct toezicht mogelijk is. Huns inziens heeft verweerder dit bij het nemen van het bestreden besluit miskend.

2.3.1.    Verweerder stelt zich op het standpunt dat de inrichting een tankstation voor het wegverkeer type B is. Hij voert aan dat het tankstation zich weliswaar op een kortere afstand dan 20 meter van woningen bevindt, maar niet vergunningplichtig is aangezien direct toezicht op het terrein van de inrichting plaatsvindt, althans behoort plaats te vinden.

2.3.2.    Ingevolge artikel 1, aanhef en onder c, sub 8, van het Besluit tankstations milieubeheer (hierna: het Besluit) is een tankstation voor het wegverkeer type B, een tankstation voor het wegverkeer, voor zover de kortste afstand tussen een woning van derden of een gevoelig object van derden en een afleverzuil waar aflevering van benzine of gasolie, zonder direct toezicht mogelijk is, tenminste 20 meter bedraagt.

2.3.3.    De afstand tussen woningen van derden en de dichtstbijgelegen afleverzuil van benzine en gasolie bedraagt minder dan 20 meter. Bepalend voor de vraag of het onderhavige tankstation een type B tankstation betreft, is vervolgens of het mogelijk is zonder direct toezicht benzine of gasolie te tanken. Volgens de melding die op 30 december 2005 op de voet van artikel 8.41 van de Wet milieubeheer is ingediend, vindt in de inrichting tijdens de openingsuren direct toezicht plaats. De afleverzuilen van het tankstation zijn evenwel voorzien van een betalingssysteem waardoor zonder tussenkomst van een medewerker van het tankstation getankt en betaald kan worden. De Voorzitter sluit geenszins uit dat in verband met dit laatste niet is voldaan aan de voorwaarde die is vervat in artikel 1, aanhef en onder c, sub 8, van het Besluit, zodat de inrichting vergunningplichtig is. Een adequate beoordeling van onderhavige kwestie vergt echter nader onderzoek en leent zich niet voor deze procedure. De Voorzitter ziet dan ook onvoldoende aanleiding om reeds op deze grond tot het treffen van een voorlopige voorziening over te gaan.

2.4.    Verzoekers stellen dat voor zover het tankstation onder het Besluit valt, het niet aan de daarin opgenomen norm voor het piekgeluid voldoet. Mede in verband hiermee had verweerder het bestuursdwangbesluit van 21 december 2004 volgens hen moeten handhaven.

2.4.1.    Verweerder stelt zich op het standpunt dat de inrichting aan de norm voor het piekgeluid voldoet en heeft daartoe twee geluidmetingen laten uitvoeren, namelijk op 1 februari 2006 naar het piekgeluid als gevolg van het slaan met autoportieren en op 24 maart 2006 naar het piekgeluid veroorzaakt door het aanrijden van de tankauto in en uit de inrichting. Hieruit volgt volgens verweerder dat de piekgeluidgrenswaarden niet worden overschreden.

2.4.2.    De Voorzitter is van oordeel dat ook de vraag of, zo het Besluit van toepassing is, de piekgeluidgrenswaarden van dat Besluit worden overschreden, nader onderzoek vergt waarvoor deze procedure zich niet leent. Bij de behandeling van de verzoeken is naar voren gekomen dat [vergunninghoudster] de dichtst bij woningen van derden gelegen afleverzuil heeft gesloten en gebruik is gaan maken van een stillere tankwagen. De Voorzitter heeft de indruk dat voor zover ten gevolge van het in werking zijn van de inrichting door omwonenden geluidhinder werd ondervonden, deze door de getroffen maatregelen in belangrijk mate is gereduceerd. In verband daarmee moet worden geoordeeld dat ook in zoverre onvoldoende aanleiding bestaat voor het treffen van een voorlopige voorziening zoals door verzoekers gewenst.

2.5.    Gelet op het voorgaande en in aanmerking genomen dat de beslissing op bezwaar vermoedelijk niet lang op zich zal laten wachten nu de indieners van beide verzoeken reeds gehoord zijn door de Commissie voor de Beroep- en Bezwaarschriften, wijst de Voorzitter de verzoeken af.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst de verzoeken van verzoekers sub 1 en verzoeker sub 2 af.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink    w.g. Sparreboom

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2006

195-495.